Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12158

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
NL18.15500
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, fictief akkoord, interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15500


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen tot op zijn beroep is beslist (NL18.15501).

Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL18.15501, plaatsgevonden op 20 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Klaver, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Wandawi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Libische nationaliteit. Hij heeft op 9 maart 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit eisers registratie in Eurodac1 is gebleken dat hij op 3 november 2017 op illegale wijze via Italië de Europese Unie is binnengekomen. Er is een fictief claimakkoord met Italië om eiser over te nemen. Gelet hierop heeft verweerder terecht vastgesteld dat Italië verantwoordelijk is voor het behandelen van eisers verzoek om internationale bescherming.

2. Volgens vaste jurisprudentie is wordt als uitgangspunt ten aanzien van Italië onverkort uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt eiser niet in zijn andersluidende standpunt. De omstandigheid dat Italië niet heeft gereageerd op het claimverzoek van Nederland rechtvaardigt niet de conclusie dat Italië haar verdragsrechtelijke verplichtingen of haar verplichtingen onder de Dublinverordening2 jegens eiser mogelijk niet na zal komen. Deze situatie is nu eenmaal uitdrukkelijk voorzien en geregeld in de Dublinsystematiek. In zoverre is er dan ook geen grond om nadere garanties te eisen.

3. Voor zover eiser stelt dat Italië niet voldoet aan de eisen zoals die voortvloeien uit verscheidene Europese richtlijnen, heeft hij dat niet met stukken of anderszins onderbouwd.

Waar eiser stelt dat hij onder erbarmelijke omstandigheden in Italië verbleef, heeft verweerder er terecht op gewezen dat dit geen ervaringen in de opvang of de asielprocedure in Italië betreft en voorts dat eiser in Italië kan klagen over zijn behandeling aldaar.

4. Voor zover eiser stelt dat hij medische zorg behoeft, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant na overdracht aan Italië in de asielprocedure geen aanspraak zal kunnen maken op opvangvoorzieningen.

5. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten niet bereid of in staat zullen zijn om bescherming te verlenen tegen discriminerende of gewelddadige bejegening door derden.

6. De omstandigheid ten slotte dat eiser zich in Nederland veilig voelt, levert geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder redelijkerwijs zou moeten besluiten om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 20 september 2018.

Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Databank voor de vergelijking van vingerafdrukken, zie Verordening (EU) nr. 603/2013.

2 Verordening (EU) nr. 604/2013