Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
AWB 18 / 3736
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv nareis, overschrijding 3 maanden termijn niet verschoonbaar, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/3736

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 mei 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam 2] (de echtgenote van eiser, tevens referente), [naam 3] (de dochter van eiser), F.K. El Madni (tolk Arabisch) en R. Masclee-Spek (vrijwilliger bij de gemeente Sluis). Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Eritrese nationaliteit. Referente, de echtgenote van eiser, is als uitgenodigde vluchteling naar Nederland gekomen; op 16 juni 2014 is aan haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 8 juli 2016 heeft referente namens eiser een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Bij besluit van 8 juni 2017 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat deze niet is ingediend binnen drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning aan referente.

  2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de overschrijding van de termijn van drie maanden niet verschoonbaar kan worden geacht.

  3. In beroep is betoogd dat referente eiser al 22 jaar niet meer had gezien en ervan uitging dat hij dood was, toen zij in 2014 naar Nederland kwam. Om die reden heeft zij in eerste instantie niet om nareis gevraagd. Zij heeft destijds bij de gemeente wel gevraagd om gezinshereniging met haar twee achtergebleven dochters, maar de gemeente gaf toen aan dat zij eerst moesten inburgeren. Uiteindelijk heeft de gemeente Sluis zich in 2016 tot Vluchtelingenwerk gewend om een aanvraag in te dienen voor de dochters. De gemeente was niet op de hoogte van de driemaandentermijn die bestaat voor nareis. Tijdens de aanvraagprocedure kwam het bericht dat eiser niet overleden was en dat hij was aangekomen in Kassala. Hij heeft jaren gevangen gezeten. Referente heeft vervolgens binnen drie maanden de aanvraag ingediend. Namens eiser wordt gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, waaruit volgt dat een termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht als iemand dood gewaand is.1
    Tot slot is in beroep betoogd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat er sprake is van een ruime overschrijding van de termijn. Ter beoordeling staat of verweerder deze overschrijding verschoonbaar had moeten achten.

5. Allereerst heeft verweerder er terecht op gewezen dat het de eigen verantwoordelijkheid van referente is om tijdig een aanvraag in te dienen. Dat de gemeente referente verkeerd zou hebben voorgelicht, ontslaat haar nog niet van deze verantwoordelijkheid. Bovendien heeft verweerder terecht opgemerkt dat uit de e-mail die referente in bezwaar heeft overgelegd, blijkt dat referente meermalen bij de gemeente heeft gevraagd om gezinshereniging met haar twee dochters, maar niet met eiser. Voorts heeft verweerder aan referente mogen tegenwerpen dat zij eind april 2016 heeft vernomen dat eiser in Kassala verblijft, maar dat zij pas op 11 juli 2016 een aanvraag heeft ingediend.
De rechtbank concludeert daarom dat van referente op verschillende momenten had mogen worden verwacht dat zij actie ondernam. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het interview met referente op 12 december 2013 niet blijkt dat zij dacht dat eiser dood was. Zij heeft verklaard dat haar man in 1992 naar Eritrea is gegaan en nooit meer is teruggekomen, dat hij gevangen schijnt te zijn en dat ze sindsdien niets meer van hem heeft gehoord. Bij de aanvraag op 8 juli 2016 stelt referente dat zij de kans dat haar man nog in leven is zeer klein acht. Dit betekent dat gesproken moet worden van een vermissing. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat een gezinslid vermist is, er niet aan in de weg staat dat er binnen drie maanden aan mvv-aanvraag wordt ingediend om de termijn veilig te stellen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder de termijnoverschrijding niet verschoonbaar hoefde te achten.

6. Voor zover eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit disproportioneel of in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn2 is, overweegt de rechtbank dat eiser de mogelijkheid heeft om een reguliere gezinsherenigingsaanvraag in te dienen. In die procedure kan de door de Gezinsherenigingsrichtlijn vereiste belangenafweging gemaakt worden. Dit betoog faalt daarom.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was, zodat er geen sprake is van schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s Hertogenbosch, 6 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13553.

2 Richtlijn 2003/86/EG