Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12145

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
NL18.15474
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, bekeerling, 15c Kwalificatierichtlijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15474


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: C.W.M. van Breda).


Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een asielvergunning in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft verweerder een inreisverbod opgelegd voor een duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.15475, plaatsgevonden op 20 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Ali. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en stelt afkomstig te zijn uit de provincie Ghazni. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 1 september 2016 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Verweerders afwijzing van deze aanvraag bij besluit van 15 november 2016, is na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in rechte komen vast te staan op 27 februari 2017.1 Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag van 22 juni 2018 ten grondslag gelegd dat hij niet terug kan naar Afghanistan omdat hij zich heeft bekeerd tot het christendom. Ook vreest eiser om terug te keren naar Ghazni, omdat de veiligheidssituatie daar is verslechterd.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bekering van eiser niet geloofwaardig is. Eiser heeft overtuigend kunnen verklaren over zijn kerkgang, ook heeft hij enige kennis van het christelijk geloof getoond. Eiser heeft echter bevreemdend, tegenstrijdig, vaag en summier verklaard over zijn motieven voor en proces van bekering. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Ghazni sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn.2 Subsidiair heeft verweerder overwogen dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken een drietal steden heeft aangewezen als binnenlands beschermingsalternatief; Kabul, Herat en Mazar-e Sharif. Zelfs indien sprake zou zijn van een uitzonderlijke slechte situatie in Ghazni, zijn er dus voor eiser binnen Afghanistan beschermingsmogelijkheden. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f en g van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde bekering ongeloofwaardig is. Daaraan heeft verweerder ten eerste ten grondslag gelegd dat eiser over zijn gestelde proces en motieven voor zijn bekering tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft hij in de vorige asielprocedure in zijn eerste gehoor verklaard dat hij praktiserend moslim is. Daarnaast heeft hij zijn geloof naar voren gebracht bij verschillende vertrekgesprekken (12 april 2017, 2 oktober 2017, 28 februari 2018 en 25 april 2018). Eiser heeft echter in het opvolgend gehoor van 24 juni 2018 verklaard dat hij vroeger in niks en niemand geloofde. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat deze tegenstrijdigheid afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers bekering. Eisers stelling dat verweerder bij de beoordeling van zijn asielrelaas geen gebruik mag maken van zijn vertrekgesprekken, volgt de rechtbank niet, nu deze onderdeel zijn van eisers gehele asieldossier. Daarnaast zijn de vertrekgesprekken niet de enige bron waarop verweerder de tegenstrijdigheid van eisers verklaringen heeft gebaseerd.

Verweerder heeft het verder terecht bevreemdend geacht dat eiser naar zijn zeggen tot een dag voor de belijdenis tot het christelijk geloof zich niet heeft onthouden van islamitische gebeden en gebruiken. De verklaring van eiser dat dit voor hem nou eenmaal de gewoonte was, heeft verweerder terecht niet overtuigend gevonden. Ook heeft verweerder niet ten onterechte overwogen dat eiser vaag, summier en niet inzichtelijk heeft verklaard over zijn eerste kerkbezoek. Eiser had immers een negatief beeld van het christendom gehad en heeft eerder aangegeven dat hij het als moslim een grote zonde vond om een kerk te bezoeken. De stelling van eiser dat hij uit nieuwsgierigheid de kerk heeft bezocht, heeft verweerder terecht ongerijmd geacht. Voorts heeft verweerder, anders dan eiser heeft betoogd, wel degelijk in het bestreden besluit gemotiveerd waarom het kennen van het geloof van zijn mentor relevant is in de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn gestelde bekering. Met zijn mentor is hij immers voor het eerst naar de kerk geweest. Tot slot kan de eerst in het beroep overgelegde doopakte van 29 juli 2018 wel dienen ter staving van zijn bekering, maar eiser dient vooreerst overtuigend te verklaren over zijn proces van bekering, hetgeen hij niet heeft gedaan.

5. Eiser heeft gesteld dat de veiligheidssituatie in Ghazni is verslechterd sinds de Afdelingsuitspraak van 21 maart 20183 en dat er sprake is van een situatie zoals beschreven in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. Ter staving hiervan heeft eiser een brief van het landelijk bureau van Vluchtelingenwerk Nederland van 27 juni 2018 overgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat er geen sprake is van een situatie die wezenlijk anders is dan de situatie die de Afdeling heeft beschreven in zijn uitspraak van 21 maart 2018. Uit de brief van Vluchtelingenwerk blijkt dat het conflict in Ghazni vooral plaatsvindt tussen de overheidstroepen en de Taliban. Ook al is er sprake van een zorgelijke situatie, niet blijkt dat het aantal burgerslachtoffers ten gevolge van willekeurig geweld is gestegen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een situatie zoals beschreven in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zaaknummer 201609605/1/V2

2 Richtlijn 2011/95/EU

3 Uitspraak van de Afdeling, van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:915