Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12074

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
NL18.13472
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag; identiteit, nationaliteit en afkomst niet geloofwaardig; geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.13472


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Singh).


Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.13473, plaatsgevonden op 7 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chaker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1997 en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 11 november 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 8 juni 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder heeft, kort samengevat, aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn en dat eiser verweerder heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken.

1.1

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 juli 2017 (AWB 17/12018), is het beroep gericht tegen het besluit van 8 juni 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 augustus 2017 (nr. 201705983) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep tegen voornoemde uitspraak kennelijk ongegrond verklaard. Het besluit van 8 juni 2017 staat daarmee in rechte vast.

2. Op 16 juli 2018 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft bij zijn herhaalde aanvraag de volgende documenten overgelegd:

 Uittreksel uit het bevolkingsregister van eiser, met als datum 30 augustus 2014;

 Uittreksel uit het bevolkingsregister van de vader van eiser met als datum 24 april 2008;

 Uittreksel uit het bevolkingsregister van de moeder van eiser met als datum 1 maart 2010;

 Uittreksel uit het bevolkingsregister van familieregistratie met als datum 3 september 2008.

2.1

Verweerder heeft de aanvraag van eiser van 16 juli 2018 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de door eiser overgelegde uittreksels en hetgeen hij in de onderhavige procedure heeft aangevoerd geen nieuwe feiten of omstandigheden betreffen zoals bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, welke een ander licht op de beoordeling in de voorgaande procedure zouden kunnen werpen.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert eiser aan dat uit de overgelegde stukken, die ook aan elkaar zijn te koppelen middels de nummers op de betreffende uittreksels, blijkt dat hij Syriër is. Ook stelt eiser dat hij de stukken niet eerder in de procedure heeft kunnen inbrengen. Verder wijst eiser erop dat hij bij zijn aanvraag als nieuw feit en omstandigheid naar voren heeft gebracht dat hij door verweerder is aangemerkt als [naam] met de Libanese nationaliteit. De Libanese autoriteiten hebben deze aan eiser toegekende identiteit en nationaliteit afgewezen. Hieruit blijkt dat verweerder op het verkeerde spoor heeft gezeten wat betreft de identiteit en nationaliteit van eiser. Eiser doet verder een beroep op artikel 83.0a van de Vw 2000. In dat kader brengt eiser nogmaals naar voren dat op basis van de ingebrachte stukken geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat eiser de door hem gestelde identiteit en nationaliteit bezit. Daarnaast wijst eiser erop dat hetgeen naar voren is gebracht in de zienswijze en in de gronden van beroep tevens is gericht tegen de vertrektermijn en het op te leggen inreisverbod van twee jaren. Gelet op het voorgaande, meent eiser dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht bij zijn herhaalde aanvraag niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of omstandigheden welke aanleiding geven tot een ander oordeel dan verwoord in het reeds eerder genomen besluit betreffende het asielverzoek van eiser. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.2

Ten aanzien van de documenten die eiser bij zijn herhaalde aanvraag heeft overgelegd, overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat van eiser verwacht had mogen worden dat hij deze documenten tijdens zijn eerste procedure zou overleggen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de documenten dateren van voorafgaand aan de vorige procedure. Het betoog dat eiser deze documenten niet eerder kon overleggen omdat de papieren na het overlijden van zijn moeder verspreid waren over verschillende familieleden en de vader van eiser in Australië heeft verbleven, waardoor zijn vader pas later de documenten kon verzamelen en naar eiser kon sturen, volgt de rechtbank niet. Immers, verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser tijdens de eerste procedure documenten heeft verkregen en overgelegd, waaronder een origineel individueel uittreksel uit het bevolkingsregister. Ook van belang is dat eiser heeft verklaard dat zijn zussen nog daar nog wonen en zij ook documenten naar hem hebben opgestuurd. De rechtbank ziet dan ook niet in dat het voor eiser niet mogelijk was om de desbetreffende documenten eerder te overleggen. Daarbij was eiser in de vorige procedure, in ieder geval vanaf het uitbrengen van het voornemen, er al van op de hoogte dat verweerder de door eiser ingebrachte documenten onvoldoende vond om de door eiser gestelde identiteit op te baseren.

4.3

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ook overigens de overgelegde documenten geen ander licht op de beoordeling in de voorgaande procedure kunnen werpen. Daartoe verwijst de rechtbank naar hetgeen in de vorige procedure reeds in rechte is komen vast te staan. Zo staat in de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 19 juli 2017 dat verweerder niet ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht dat het paspoort en het individueel uittreksel dat eiser in de vorige procedure heeft overgelegd op rechtmatige wijze verkregen zijn. Ook is aan de afwijzing van de vorige asielaanvraag van eiser het rapport taalanalyse van 28 september 2016 ten grondslag gelegd, waarin is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de Syrische spraakgemeenschap. Bovendien staat in rechte vast dat eiser weinig informatie heeft gegeven over zijn directe woon- en leefomgeving in Syrië. Verweerder heeft in het licht van het voorgaande niet ten onrechte overwogen dat de omstandigheid dat eiser in de onderhavige procedure nogmaals uittreksels uit het bevolkingsregister heeft overgelegd, geen reden kan zijn om terug te komen op de eerdere besluitvorming. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte niet de door eiser gewenste waarde aan deze documenten gehecht.

4.4

Ten aanzien van de presentatie van eiser aan de Libanese ambassade, overweegt de rechtbank dat verweerder dit niet ten onrechte niet heeft aangemerkt als nieuw element of bevinding in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Weliswaar hebben de Libanese autoriteiten geoordeeld dat eiser niet de Libanese nationaliteit heeft, maar dit maakt nog niet dat eiser hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Syrische nationaliteit bezit. De presentatie aan de ambassade kan dan ook evenmin een ander licht werpen op de beoordeling in de voorgaande procedure.

4.5

Gelet op het bovenstaande, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat hetgeen eiser heeft aangevoerd bij zijn herhaalde aanvraag niet kan afdoen aan het eerdere bestreden besluit, waarin is komen vast te staan dat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig is. Het beroep op artikel 83.0a treft derhalve eveneens geen doel.

4.6

De rechtbank stelt vast dat eiser geen aparte gronden heeft aangevoerd ten aanzien van de vertrektermijn of het inreisverbod. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten of dat verweerder ten onrechte aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft opgelegd.

6. De rechtbank concludeert dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als niet-ontvankelijk.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.