Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
NL18.13418 en NL18.13433
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië; gezin met jonge kinderen; interstatelijk vertrouwensbeginsel; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.13418 en NL18.13433


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

[eiseres], eiseres,

Mede namens hun minderjarige kinderen,

[kind 1]

[kind 2] ,

allen van Syrische nationaliteit,

gezamenlijk te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Singh).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 juli 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiser en eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL18.13419 en NL18.13434, plaatsgevonden op 7 augustus 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. I.M. Hidding, als waarnemer van hun gemachtigde. Als tolk is verschenen meneer Alothman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser en eiseres hebben de Syrische nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1992 en [geboortedatum] 1997. Zij hebben twee minderjarige kinderen. Op 28 december 2017 hebben eisers onderhavige aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Verweerder heeft bij aparte besluiten van 30 mei 2018 de aanvragen van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 24 januari 2018 Italië verzocht om eisers over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Italië heeft niet tijdig gereageerd op dit verzoek. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek.

2.1

Verweerder heeft aan de besluiten van 30 mei 2018, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder merkt op dat de vader, moeder en zuster van eiser, die in Nederland verblijven, niet worden beschouwd als gezinsleden zoals bedoeld in artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Ook zijn er volgens verweerder geen feiten of omstandigheden aanwezig op grond waarvan Nederland met inachtneming van artikel 16 van de Dublinverordening de asielverzoeken van eisers in behandeling zou moeten nemen. Evenmin is verweerder gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van de vreemdelingen van een onevenredige hardheid getuigt of dat sprake is van een bijzonder samenstel van factoren die maakt dat de behandeling van het verzoek om internationale bescherming in Nederland in de rede ligt zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.

3. Bij uitspraak van 13 juli 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, is het beroep tegen de besluiten van 30 mei 2018 gegrond verklaard. De rechtbank heeft in voornoemde uitspraak als volgt overwogen:

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep op artikel 17 van Dublin III niet kan slagen. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder in de bestreden besluiten overweegt dat de gestelde afhankelijkheid van de moeder geen bijzondere, individuele omstandigheid is, maar verweerder wijdt verder geen inhoudelijke overwegingen aan de door eisers aangevoerde overige omstandigheden, zoals de slechte situatie in Italië en de scheiding tussen eisers en hun familieleden die in Nederland verblijven.

Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet kenbaar bij zijn overwegingen betrokken dat eisers een kwetsbaar gezin met minderjarige kinderen vormen, als bedoeld in het arrest Tarakhel. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) dient verweerder zich er van te vergewissen dat er passende opvang wordt geboden. Nu uit de bestreden besluiten niet blijkt dat verweerder aan deze vergewisplicht heeft voldaan, zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.”

4. Bij aparte besluiten van 18 juli 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers opnieuw niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder heeft daarbij, onder aanvulling van de motivering, de standpunten uit de besluiten van 30 mei 2018 gehandhaafd.

5. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voeren daartoe het volgende aan. Eisers wijzen erop dat sinds 1 juni jongsleden er een nieuwe regering in Italië is die een harde lijn heeft ingezet wat betreft het vreemdelingenbeleid door bijvoorbeeld het weigeren van schepen met vluchtelingen uit Libië. Verweerder kan dan ook niet volstaan met het verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 augustus 2016 en 16 januari 2017 ter onderbouwing van de stelling dat met betrekking tot Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder in de bestreden besluiten nog steeds onvoldoende motiveert waarom het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening niet kan slagen. Eisers menen dat niet in te zien valt dat verweerder de slechte gezondheid van hun (schoon)moeder niet zou moeten meewegen nu dat feit op zichzelf niet door verweerder wordt betwist. Ter onderbouwing overleggen eisers de medische informatie van de huisarts van hun (schoon)moeder. Ook wijzen eisers erop dat verweerder in het bestreden besluit opnieuw niet ingaat op de medische klachten, los van de zwangerschap, van eiseres, namelijk de vergrote schildklier en het trauma als gevolg van het overlijden van haar broer en de reis naar Europa. Bovendien achten eisers de overweging dat het samenspel van factoren voor veel vreemdelingen op zou gaan onbegrijpelijk. Verder overleggen eisers een verklaring die door de ouders van eisers ondertekend is en waaruit blijkt hoe hecht de familieband is. Ook hebben eisers een zwangerschapsverklaring overgelegd. Daarnaast doen eisers een beroep op de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch van 20 april 2018 (NL18.5178).

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele stelling dat Italië een nieuwe regering heeft die een harde lijn heeft ingezet wat betreft het vreemdelingenbeleid, is daartoe onvoldoende. Verweerder mag ervan uitgaan dat de Italiaanse autoriteiten vreemdelingen die worden overgedragen in het kader van de Dublinverordening in overeenstemming met hun internationale verplichtingen zullen behandelen. Het betoog dat het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd is volgt de rechtbank niet. Eisers hebben namelijk niet onderbouwd dat niet langer van de jurisprudentie van de Afdeling kan worden uitgegaan waarnaar verweerder in de bestreden besluiten verwijst en waarin de Afdeling heeft bepaald dat ten aanzien van Italië nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel (zie als voorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1910). De beroepsgrond slaagt niet.

6.2

De rechtbank overweegt verder dat verweerder in het bestreden besluit uiteen heeft gezet dat de Italiaanse autoriteiten via meerdere Circular Letters garanties hebben gegeven voor de opvang in Italië van gezinnen met minderjarige kinderen. Uit de laatste Circular Letter van 4 juli 2018 volgt dat er voor 79 personen opvangplekken zijn. Eisers hebben geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat de Italiaanse autoriteiten de garanties niet nakomen. Evenmin hebben eisers onderbouwd dat zij geen gebruik kunnen maken van één van deze opvangplekken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder met voornoemde algemene garanties van de Italiaanse autoriteiten zich er afdoende van heeft vergewist dat aan eisers de opvang zal worden geboden conform de eisen die voortvloeien uit het arrest Tarakhel. Daartoe verwijst de rechtbank naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2155, en de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:971.

6.3

De rechtbank is verder van oordeel verweerder in de bestreden besluiten voldoende heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding wordt gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft onderkend dat het voor te stellen is dat eisers het moeilijk vinden om gescheiden te worden van hun (schoon)moeder, maar mocht deze omstandigheid in redelijkheid als onvoldoende bijzonder aanmerken. Dat de (schoon)moeder kampt met medische problemen, hetgeen ook blijkt uit de overgelegde medische verklaring, en dat eiser gezien zijn culturele achtergrond een morele plicht voelt om voor haar te zorgen, heeft verweerder eveneens onvoldoende mogen achten om tot een ander oordeel te komen. Van een bijzondere afhankelijkheid tussen eisers en hun (schoon)moeder met betrekking tot de medische zorg is immers niet gebleken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder heeft mogen overwegen dat het samenspel van factoren, zoals de scheiding tussen eisers en hun familieleden, de hechte band tussen eisers en hun familieleden in Nederland, de situatie in Italië en de medische klachten van eiseres, niet maakt dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor van de overdracht aan Italië moet worden afgezien. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden voor meerdere vreemdelingen opgaan. Verweerder heeft in hetgeen eisers hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Wat betreft het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 20 april 2018, overweegt de rechtbank dat dit eveneens niet tot een ander oordeel kan leiden. Voornoemde uitspraak heeft betrekking op een vreemdeling die net meerderjarig was, die graag met zijn familie in Nederland herenigd wilde worden en die tevergeefs geprobeerd had om via de reguliere procedure toegang tot Nederland te krijgen. De omstandigheden in de onderhavige zaak komen hier niet mee overeen. Reeds daarom treft het beroep op deze uitspraak geen doel.

6.4

De rechtbank overweegt voorts dat de brief van de gynaecoloog van 6 augustus 2018, waar eisers ter zitting naar hebben verwezen, niet kan afdoen aan het voorgaande. Verweerder heeft namelijk ter zitting bevestigd dat op het moment dat verweerder er vanuit gaat dat de overdracht kan plaatsvinden, opnieuw naar alle medische informatie zal worden gekeken en naar de vraag of eiseres medisch gezien in staat is om te vliegen.

7. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht en op goede gronden de asielaanvragen van eisers niet in behandeling heeft genomen.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.