Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12038

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
AWB 17/16532
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verzoek terugkomen van besluit tot intrekking vbv, uitvaardigen inreisverbod en verzoek om opheffing inreisverbod

Verzoek om terug te komen op in rechte vaststaand besluit waarbij verblijfsvergunning is ingetrokken en inreisverbod voor de duur van 10 jaar is uitgevaardigd afgewezen. Verzoek op opheffing uitgevaardigde inreisverbod afgewezen. Procesbelang en toetsingskader.

Eiser heeft (o.a.) een beroep gedaan op Richtlijn 2003/109/EG (langdurig ingezetenen), arrest Chavez-Vilchez (C-133/15), en beschermenswaardig familie-, gezins-, en privéleven (artikel 8 EVRM), arrest Omojudi tegen VK (1820/08) en arrest Sarközi and Mahran (27945/10).

Beroep ongegrond voor zover gericht tegen afwijzing verzoek om terug te komen van uitgevaardigde inreisverbod en tegen afwijzing verzoek om opheffing uitgevaardigde inreisverbod. Beroep voor zover gericht tegen verzoek om terug te komen van intrekking van de verblijfsvergunning regulier is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/16532

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1961, van onbekende nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover van belang:

 eisers verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaand besluit van 19 mei 2014, waarbij:

1) de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht met ingang van 10 oktober 2012 is ingetrokken; en

2) tegen eiser een inreisverbod voor de duur van 10 jaar (inreisverbod) is uitgevaardigd,

afgewezen;

en

 eisers verzoek om opheffing van het bij besluit van 19 mei 2014 tegen hem uitgevaardigde inreisverbod afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de zijde van eiser is tevens verschenen mevrouw [A] ( [A] ), de partner van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, voor dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser heeft zich op 20 november 1978 in Nederland gevestigd. Eiser wordt geacht sindsdien een op nationaalrechtelijke gronden verleend verblijfsrecht in Nederland te hebben. Met ingang van 6 oktober 1987 is aan eiser een vergunning tot vestiging op grond van artikel 13, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) verleend. Met ingang van 15 mei 1995 is eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (vbv) verleend.

1.2.

In 2002 is eiser gescheiden van [A] . Samen hebben zij acht, inmiddels meerderjarige kinderen en meerdere kleinkinderen. [A] heeft in 2009, dus vóór de toetreding van Kroatië op 1 juli 2013 tot de Europese Unie, achtereenvolgens afstand gedaan van de Kroatische nationaliteit en de Nederlandse nationaliteit verkregen.

1.3.

Bij besluit van 19 mei 2014 heeft verweerder de vbv van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken, namelijk met ingang van 10 oktober 2012. Daarbij heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaren uitgevaardigd. Het door eiser gemaakte bezwaar tegen dit besluit is niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 18 augustus 2015 (AWB 14/28900) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Bij brief van 29 januari 2015 heeft eiser een verzoek ingediend bij verweerder om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 19 mei 2014. Bij brief van 10 januari 2015 heeft verweerder de ontvangst van dit verzoek bevestigd en eiser medegedeeld dat hij dit verzoek tevens aanmerkt als een verzoek om het uitgevaardigde inreisverbod op te heffen.

Bij besluit van 21 juli 2015 heeft verweerder het verzoek afgewezen.


Bij uitspraak van 30 mei 2016 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep gericht tegen de weigering het inreisverbod op te heffen (AWB 15/15065) ongegrond verklaard en het beroep gericht tegen de weigering om terug te komen van het besluit tot intrekking van eisers vbv (AWB 15/17314) niet-ontvankelijk verklaard.


Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 7 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1525) is het door eiser ingestelde hoger beroep kennelijk gegrond verklaard. De ABRvS heeft voormelde uitspraak van 30 mei 2016 vernietigd, het besluit van 21 juli 2015 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het verzoek om opheffing van het uitgevaardigde inreisverbod te beslissen. De ABRvS heeft daarbij overwogen dat indien de beoordeling van het verzoek zou leiden tot opheffing van het uitgevaardigde inreisverbod, verweerder dan alsnog het verzoek van eiser om terug te komen van de intrekking van de verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dient te beoordelen.

1.5.

Bij brief van 8 september 2017 heeft verweerder eiser verzocht de in deze brief gestelde vragen te beantwoorden en de gevraagde stukken te overleggen. Tevens heeft verweerder eiser hierbij in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden, waarmee naar de mening van eiser rekening moet worden gehouden, aan te voeren en die feiten en omstandigheden met documenten te onderbouwen. Eiser heeft bij brief van 5 oktober 2017 op dit verzoek gereageerd. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser zich richt tegen:

  1. de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de intrekking van de vbv;

  2. de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod; en

  3. de afwijzing van het verzoek om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod.

Procesbelang

3. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS heeft een vreemdeling tegen wie verweerder een zwaar inreisverbod heeft uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen belang bij de beoordeling van een beroep tegen een besluit over verblijfsaanspraken. Belang bij toetsing in rechte van zo een besluit is, bij samenloop daarvan met een besluit tot het uitvaardigen van een zwaar inreisverbod dan ook eerst aan de orde, indien het besluit tot het uitvaardigen van dat inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen of vernietigd, dan wel dat inreisverbod wordt opgeheven. Om deze toetsing op dat moment mogelijk te maken, ook indien een besluit over verblijfsaanspraken in rechte onaantastbaar is geworden, dient de desbetreffende vreemdeling verweerder te verzoeken dat besluit te heroverwegen, dan wel een nieuwe aanvraag in te dienen.

Rechterlijke toetsing van verblijfsaanspraken bij samenloop met een besluit tot het uitvaardigen van een zwaar inreisverbod vindt plaats in het kader van een beroep tegen dit inreisverbod, omdat verweerder bij uitvaardiging van een zwaar inreisverbod met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden een afweging moet maken tussen het algemeen belang dat wordt gediend met het beschermen van de openbare orde of veiligheid, de nationale veiligheid en de internationale betrekkingen en het individuele belang van een vreemdeling bij verblijfsaanspraken in Nederland, dan wel bescherming tegen uitzetting.

Indien uit de toetsing van die afweging volgt dat de vreemdeling aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning voldoet, is daarmee in beginsel gegeven dat een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod niet in stand kan blijven. Nu een verblijfsvergunning niet kan worden verleend zolang een zwaar inreisverbod voortduurt, vindt de rechterlijke toetsing of een vreemdeling aan die vereisten voldoet slechts plaats in het kader van een beroep tegen een zwaar inreisverbod.

Zie in dit kader de uitspraken van de ABRvS van 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638) respectievelijk 29 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1789).

4. Gelet op voormelde rechtspraak ziet de rechtbank aanleiding hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de intrekking van zijn vbv te bespreken in het kader van het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod.

Afwijzing van het verzoek om terug te komen van het inreisverbod

Toetsingskader

5. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder te verrichten beoordeling van een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit een ex tunc karakter heeft. Hiervoor vindt de rechtbank steun in de laatste zin van overweging 2.2. van de hiervoor onder 1.4. vermelde uitspraak van de ABRvS. Daarbij geldt dat als verweerder zo een verzoek op inhoudelijke gronden afwijst, zoals verweerder in het onderhavige geval heeft gedaan, de bestuursrechter het besluit, inhoudelijk, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst als ware dit het eerste besluit over dat verzoek. Zie in dit verband een uitspraak van de ABRvS van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131; r.o. 3.4.).

6. Eisers beroepsgrond dat verweerder in het kader van een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit een ex nunc beoordeling dient te verrichten, faalt nu deze grond geen steun vindt in het recht. Eisers verwijzingen naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 november 2011, 48132/07 (Andrejev tegen Estland) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 14 september 2017, C-184/16 (Petrea tegen Griekenland), leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Nog los van het feit dat eiser heeft nagelaten toe te lichten uit welke overwegingen van deze arresten volgt dat verweerder in het kader van een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit een ex nunc toetsing dient te verrichten, ziet de rechtbank in voormelde arresten geen aanknopingspunten voor de juistheid van eisers beroepsgrond.

7. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eisers verwijzing naar het arrest van het HvJ EU van 4 oktober 2012, C-249/11 (Byankov tegen Bulgarije) niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, nu verweerder eisers verzoek om terug te komen van het besluit van 19 mei 2014 op inhoudelijke gronden heeft afgewezen en het bestuursorgaan in het voormelde arrest daartoe juist niet was overgegaan.

Ten aanzien van het niet terugkomen van de intrekking van de vbv

8. De rechtbank oordeelt dat eisers stelling dat verweerder zijn rechtmatig verblijf op basis van later ingevoerde regelingen heeft beperkt tot tien jaar, berust op een onjuiste lezing van het bestreden besluit. De overweging op pagina 7 van het bestreden besluit over de verblijfsduur van minder dan tien jaar heeft immers betrekking op de toepassing van de zogenoemde glijdende schaal. Verweerder heeft dus niet vastgesteld dat eiser minder dan tien jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Zoals verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, wordt eiser geacht sinds 1978 een op nationaalrechtelijke gronden verleend verblijfsrecht in Nederland te hebben.

9. De rechtbank stelt vast dat eisers beroepsgrond dat toepassing van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht in strijd is met het legaliteitsbeginsel een herhaling betreft van een stelling van eiser zoals neergelegd in zijn brief van 9 juni 2015. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze stelling gemotiveerd weerlegd in het bestreden besluit. De rechtbank stelt daarnaast vast dat eiser in beroep niet heeft aangevoerd waarom verweerders standpunt en overwegingen in reactie op deze stelling niet in stand kunnen blijven, zodat reeds hierom de herhaalde stelling niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. De beroepsgrond faalt derhalve.

10. Eiser heeft aangevoerd dat de op nationaalrechtelijke gronden verleende vbv naar zijn aard en doel beschouwd moet worden als een verblijfsvergunning als bedoeld in richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (Richtlijn 2003/109/EG). Op grond van artikel 12 van de Richtlijn 2003/109/EG kan enkel tot intrekking van zo’n vergunning worden overgegaan wanneer de langdurig ingezetene een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid vormt. Voorts heeft eiser gesteld dat op deze verblijfsvergunning in ieder geval het unierechtelijke openbare ordecriterium analoog van toepassing is. Nu eiser geen actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid vormt, had verweerder niet tot intrekking van deze verblijfsvergunning van eiser mogen overgaan. Ter zitting heeft eiser voorts aangevoerd dat verweerder ook Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (Richtlijn 2011/98/EU) bij de beoordeling van het verzoek had moeten betrekken.

11. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond faalt en overweegt hiertoe het volgende. Voorop wordt gesteld dat vaststaat dat de aan eiser verleende vbv een op nationaalrechtelijke gronden verleende verblijfsvergunning is. Voorts overweegt de rechtbank dat de status van langdurig ingezetene niet van rechtswege maar slechts op aanvraag kan worden verkregen. Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn 2003/109/EG bepaalt immers dat voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene een verzoek moet worden ingediend, vergezeld van bewijsstukken waaruit blijkt dat aan de in de artikelen 4 en 5 van de Richtlijn 2003/109/EG geformuleerde voorwaarden is voldaan. Zie in dit verband het arrest van het HvJ EU van 8 november 2011, Iida, C‑40/11 (ECLI:EU:C:2012:691; punten 47 en 48). Niet in geschil is dat eiser zo’n verzoek niet heeft ingediend en dat daarop dus ook nooit (positief) is beslist. Gezien het voorgaande bestaat geen reden om eiser als statushouder in de zin van de Richtlijn 2003/109/EG aan te merken en om de aan hem verleende vbv aan te merken als een verblijfsvergunning als bedoeld in de Richtlijn 2003/109/EG waarop artikel 12 van die Richtlijn van toepassing is. De enkele stelling van eiser dat op de op nationaalrechtelijke gronden verleende vbv in ieder geval het unierechtelijke openbare ordecriterium analoog van toepassing is, kan de rechtbank zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet tot een ander oordeel leiden. Bovendien ziet de rechtbank voor de juistheid van voormelde stelling geen aanknopingspunten in het recht of de jurisprudentie.

De eerst ter zitting ingenomen stelling van eiser dat verweerder bij de intrekking van de aan hem verleende vbv ook rekening had moeten houden met de Richtlijn 2011/98/EU verwerpt de rechtbank als niet gemotiveerd.

12. Eiser heeft aangevoerd dat hij samen met zijn partner de zorg draagt voor zijn kleinkinderen. De kleinkinderen zijn zodanig afhankelijk van zijn zorg, dat zij het grondgebied van de Unie moeten verlaten indien eiser het grondgebied van de Unie moet verlaten. Dat is in strijd met het arrest van het HvJ EU van 10 mei 2017, C‑133/15 (Chavez‑Vilchez).

13. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond faalt reeds vanwege het feit dat eiser niet met objectieve verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het besluit van 19 mei 2014 zijn vertrek uit de Europese Unie met zich bracht dat ook zijn kleinkinderen het grondgebied van de Europese Unie zouden moeten verlaten. De enkele stelling dat eisers kleinkinderen afhankelijk zijn van eisers zorg, is daarvoor onvoldoende.

14. Eiser heeft aangevoerd dat de intrekking van de vbv in strijd is met artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). De belangenafweging deugt niet en er is geen rekening gehouden met de ‘guiding principles’ zoals ontwikkeld in de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001, 54273/00 (Boultif tegen Zwitserland) en van 18 oktober 2006, 46410/99 (Üner tegen Nederland). Ter motivering hiervan heeft eiser het volgende aangevoerd.

14.1.

Volgens eiser heeft verweerder bij het opnieuw beslissen op het verzoek van 29 januari 2015 dit niet conform de uitspraak van de ABRvS van 7 juni 2017 gedaan. Met name wat betreft het omslagpunt in het jaar 2000 en de ‘antecedentloze’ periode sedert 2012 heeft verweerder feitelijk volstaan met het herhalen van hetgeen in het vernietigde besluit van 21 juli 2015 is vermeld, waarbij het enige verschil is dat verweerder nu meer bijvoeglijke naamwoorden gebruikt om de gestelde ernst van de misdrijven te beschrijven. Er is sprake van een duidelijke cesuur in het strafrechtelijk handelen van eiser; na 2000 zijn de delicten die eiser heeft gepleegd minder ernstig. Verder is er geen sprake van een recidiverisico omdat eiser na 2012 niet meer is veroordeeld. Bij vaststelling van de ernst van de door eiser gepleegde strafbare feiten had verweerder niet mogen volstaan met een verwijzing naar het stafmaximum, maar had verweerder de opgelegde straf moeten relateren aan het strafmaximum zoals bedoeld in het arrest van het EHRM van 24 november 2009, 1820/08 (Omojudi tegen het Verenigd Koninkrijk).

14.2.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder in zijn beoordeling had moeten betrekken dat eiser al zeer lang, namelijk meer dan 32 jaar, rechtmatig in Nederland verblijft en in Nederland privéleven heeft. De intrekking van de vbv vormt een inmenging in eisers door artikel 8 van het EVRM beschermde respect voor zijn privéleven. Gelet hierop moet een proportionaliteitstoets plaatsvinden. Ter motivering hiervan heeft eiser verwezen naar een arrest van het EHRM van 20 september 2011, 8000/08 (A.A. tegen het Verenigd Koninkrijk). Verweerder heeft weliswaar vastgesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunning een inmenging is in eisers recht op respect voor zijn privéleven, maar vervolgens gaat verweerder in het kader van de belangenafweging niet op dit aspect in.

14.3.

Voorts vormt de intrekking van de vbv volgens eiser ook een ongerechtvaardigde inmenging in zijn door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor zijn gezinsleven met [A] , zijn kinderen en zijn kleinkinderen voor wie hij samen met [A] zorg draagt. Verweerders standpunt dat eiser geen gezinsleven heeft met zijn kleinkinderen kan dan ook niet worden gevolgd. Eiser beschouwt [A] als zijn levenspartner voor wie hij zorg draagt aangezien zij al langere tijd ziek is. In zijn voordeel had zwaar moeten meewegen dat alle familieleden van eiser, onder wie zijn partner, kinderen en kleinkinderen, in Nederland wonen, in Nederland geworteld zijn en de Nederlandse nationaliteit bezitten. Tevens is van belang dat alle familieleden bij elkaar in hetzelfde kamp wonen en in die zin met elkaar gezinsleven uitoefenen, waarbij eiser een belangrijke rol speelt als ‘pater familias’. Tot slot is van belang dat eiser stateloos is en er geen band is met het land van herkomst.

Nu verweerder in het bestreden besluit niet ingaat op eisers gezinsleven met [A] , is het bestreden besluit wat betreft dit punt ondeugdelijk gemotiveerd.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht en voldoende dragend gemotiveerd heeft gesteld dat ten tijde van het besluit van 19 mei 2014 tussen eiser en zijn meerderjarige (klein)kinderen geen beschermenswaardig familie- en/of gezinsleven bestond, reeds vanwege het feit dat eiser niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van zodanig bijzondere banden met zijn meerderjarige (klein)kinderen dat sprake is van een de normale emotionele banden overstijgende, bijzondere afhankelijkheid.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder terecht en voldoende dragend gemotiveerd heeft gesteld dat ten tijde van het besluit van 19 mei 2014 tussen eiser en zijn minderjarige kleinkinderen geen beschermenswaardig familie- en/of gezinsleven bestond, reeds vanwege het feit dat eiser niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat tussen hem en zijn minderjarige kleinkinderen daadwerkelijk hechte persoonlijke banden bestonden.

De enkele omstandigheid dat eiser en zijn kinderen en kleinkinderen bij elkaar in hetzelfde kamp woonden (en wonen) en dat eiser de rol had (en heeft) van ‘pater familias’, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het besluit van 19 mei 2014 voor een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM met betrekking tot de relatie tussen eiser en zijn kinderen en kleinkinderen geen plaats was, omdat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen en kleinkinderen niet onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM viel.

De beroepsgrond dat de intrekking van de vbv een ongerechtvaardigde inmenging vormt in eisers door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor zijn familie- en/of gezinsleven met zijn kinderen en zijn kleinkinderen, faalt derhalve.

16. Gezien de gedingstukken stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van het besluit van 19 mei 2014 tussen eiser en [A] sprake was van familie en/of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

17. Gezien de gedingstukken stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser ten tijde van het besluit van 19 mei 2014 langdurig rechtmatig verblijf had en sprake was van een privéleven in Nederland zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

18. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de desbetreffende vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing.

19. De beroepsgrond dat verweerder in het bestreden besluit, bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM eisers langdurig rechtmatig verblijf en zijn privéleven in Nederland niet heeft betrokken, faalt naar het oordeel van de rechtbank nu deze grond berust op een onjuiste lezing van het bestreden besluit. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het langdurig rechtmatig verblijf van eiser in Nederland wel bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken. Voorts blijkt bijvoorbeeld uit de derde alinea van boven op pagina 28 van het bestreden besluit dat verweerder eisers privéleven bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken.

20. De beroepsgrond dat verweerder in het bestreden besluit, bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM eisers gezinsleven met [A] niet heeft betrokken en dat daarom sprake is van een motiveringsgebrek, faalt naar het oordeel van de rechtbank nu deze grond berust op een onjuiste lezing van het bestreden besluit. Zo blijkt bijvoorbeeld uit pagina’s 24, 27 en 28 van het bestreden besluit dat verweerder eisers relatie met [A] bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken.

21. De ABRvS heeft in haar uitspraak van 7 juni 2017 het volgende overwogen:

“De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de staatssecretaris niet heeft aangegeven welk gewicht er toekomt aan deze lange periode van rechtmatig verblijf. Hoewel de rechtbank de vreemdeling is gevolgd in zijn betoog dat zijn strafrechtelijke veroordelingen de laatste jaren een min of meer lichter karakter hebben, heeft zij overwogen dat dat niet wegneemt dat het patroon van het plegen van misdrijven gedurende een periode van 24 jaar niet wezenlijk is doorbroken en dat de staatssecretaris aan de strafrechtelijke veroordelingen niet ten onrechte een zwaar gewicht heeft toegekend gelet op totale duur van de opgelegde straffen. De rechtbank is er daarbij echter aan voorbijgegaan dat de staatssecretaris het gewicht dat toekomt aan de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten in belangrijke mate heeft gebaseerd op straffen die al geruime tijd geleden zijn opgelegd. Zo bedroeg de duur van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraffen plus vervangende hechtenis bij een opgelegde taakstraf medio 2000 al 66,5 maanden. Hoewel de vreemdeling daarna nog voor andere strafbare feiten is veroordeeld, is er anders dan in het arrest Sarközi en Marhan geen duidelijke toename maar afname in de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten.

De staatssecretaris heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom ten tijde van de intrekking van de verleende verblijfsvergunning en de uitvaardiging van het inreisverbod alsnog zwaar gewicht toekwam aan die eerdere strafrechtelijke veroordelingen, mede bezien in het licht van de zeer lange periode van rechtmatig verblijf ten tijde van de intrekking van de verleende verblijfsvergunning en uitvaardiging van het inreisverbod in 2014.”

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat inmenging in eisers familie- en/of gezinsleven en zijn privéleven in Nederland in dit geval noodzakelijk en gerechtvaardigd is ter handhaving van de openbare orde in een democratische samenleving. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Bij de belangenafweging die verweerder in dat kader heeft gemaakt zijn naar het oordeel van de rechtbank alle relevante feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd en zijn de onder 14. bedoelde ‘guiding principles’ betrokken. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat die belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.

22. De beroepsgrond van eiser dat verweerder voorbij is gegaan aan datgene wat de ABRvS in haar uitspraak van 7 juni 2017 heeft overwogen, onderschrijft de rechtbank niet. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder blijkens het bestreden besluit bij de belangenafweging in aanmerking heeft genomen dat eiser onherroepelijk is veroordeeld tot gevangenisstraffen van in totaal 71,5 maanden wegens verschillende vermogens- en geweldsdelicten die hij gedurende een relatief lange periode heeft gepleegd. Deze herhaalde ernstige inbreuken op de openbare orde wegen volgens verweerder zwaar in het nadeel van eiser. Verweerder heeft voorts bij de belangenafweging betrokken dat eiser in 2004, 2005, in 2006 (driemaal) in 2008 (tweemaal) en in 2012 (driemaal) is veroordeeld. Bezien vanaf 2006 tot de intrekking van de vbv en de uitvaardiging van het inreisverbod op 19 mei 2014 is eiser acht keer onherroepelijk veroordeeld, waarbij hij onvoorwaardelijke gevangenisstraffen heeft gekregen voor de duur van, opgeteld, elf maanden. Daarnaast is eiser in 2008 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van, opgeteld, drieënhalve maand. Eiser is in 2006 veroordeeld voor mishandeling (geweldsmisdrijf), in 2008 voor valsheid in geschrifte en in 2012 voor witwassen. Verweerder heeft in het kader van het door de ABRvS aangehaalde arrest van het EHRM van 2 april 2015, 27945/10 (Sarközi and Mahran) overwogen, dat de duur van de opgelegde gevangenisstraffen sinds 2000 is afgenomen en dat een aantal van de na 2000 gepleegde strafbare feiten een lagere maximale strafbedreiging hebben dan de vóór 2000 gepleegde feiten, maar dit kan volgens verweerder bezwaarlijk tot de conclusie leiden dat eiser zijn gedrag na 2000 in positieve zin heeft verbeterd en de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Immers, eiser is ook na 2000 veroordeeld voor ernstige misdrijven. Voorts heeft verweerder overwogen dat alle door eiser gepleegde strafbare feiten in het kader van de belangenafweging van belang zijn, ook die uit het verleden, omdat deze strafbare feiten het repeterend patroon van eisers gedrag laten zien. Gezien de aard en ernst van de (tot in 2012) gepleegde misdrijven, het repeterende patroon van de gepleegde inbreuken en de omstandigheid dat eiser (sinds 2000 tot en met 19 mei 2014) geen positieve gedragsverandering heeft laten zien, wordt eiser door verweerder gezien als een ernstige bedreiging voor de openbare orde en de openbare veiligheid. Dit maakt volgens verweerder dat ondanks de lange verblijfsduur van eiser in Nederland, gezien de aard en de ernst van de strafbare feiten, die een ontwrichtend effect hebben op de Nederlandse samenleving, sprake is van een zeer serieuze reden om eiser toch uit te zetten. De beroepsgrond slaagt niet.

24. Naar het oordeel van de rechtbank faalt de beroepsgrond dat verweerder elk van de opgelegde straffen had moeten relateren aan het strafmaximum. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan eiser lijkt te betogen, kan uit het arrest van het EHRM van 24 november 2009, 1820/08 (Omojudi tegen het Verenigd Koninkrijk) niet worden afgeleid dat in het kader van het ‘guiding principle the nature and seriousness of the offence commited’ met betrekking tot elk delict zou moeten worden vastgesteld of het begane delict al dan niet is te plaatsen “at the most serious end of the spectrum of (…) offences”. Er was in die casus slechts sprake van één delict dat bij de belangenafweging moest worden betrokken. De ernst daarvan werd geduid aan de hand van het “spectrum of sexual offences”. Het EHRM is in het arrest uitdrukkelijk onder de gegeven omstandigheden van dat geval tot zijn oordeel gekomen. Het had op de weg van eiser gelegen om toe te lichten en te onderbouwen dat en waarom dit arrest ook moet worden toegepast in de zaak van eiser, ondanks dat de casus op een essentieel punt verschilt, namelijk dat in het geval van eiser sprake is van een veelvoud aan gepleegde delicten die in het kader van de belangenafwegingen dienen te worden betrokken. Nu deze toelichting en onderbouwing in het geheel ontbreekt, valt niet in te zien dat het arrest Omojudi ook hier van toepassing is. Bovendien is het nog maar de vraag of het, gezien de ernst van (veel van) de gepleegde delicten, tot een ander resultaat had geleid als verweerder elk van de opgelegde straffen had gerelateerd aan het strafmaximum. Deze grond faalt dan ook.

25. Eiser heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit in strijd is met de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid, omdat eiser als staatloze niet aan zijn terugkeerverplichting kan voldoen aangezien er geen enkel ander land buiten Nederland is aan te wijzen waar hij duurzaam verblijf kan krijgen.

26. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op dit punt in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat niet is komen vast te staan dat eiser niet uit eigen beweging naar een derde land kan vertrekken. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat de omstandigheid dat eiser niet de Macedonische nationaliteit heeft, niet betekent dat vaststaat dat het voor hem duurzaam onmogelijk is om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van het niet terugkomen van het uitgevaardigde inreisverbod

27. Eiser heeft aangevoerd dat het inreisverbod ten onrechte is uitgevaardigd omdat onvoldoende is gemotiveerd dat sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat de bedreiging actueel is. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit punt verwezen naar in 2012 opgelegde straffen voor relatief geringe feiten. Deze feiten waren echter ook bij de ABRvS bekend en hebben niet tot het oordeel geleid dat sprake was van een actuele bedreiging. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder eraan voorbij is gegaan dat de ABRvS in haar uitspraak van 7 juni 2017 op basis van de door verweerder genoemde feiten nu juist van oordeel was dat er geen sprake was van een duidelijke toename, maar juist van een afname in de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten. Om die reden heeft de ABRvS geoordeeld dat verweerder ondeugdelijk had gemotiveerd waarom ten tijde van de intrekking van de vbv en de uitvaardiging van het inreisverbod alsnog zwaar gewicht toekwam aan de eerdere strafrechtelijke veroordelingen, mede bezien in het licht van de zeer lange periode van rechtmatig verblijf.

28. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het besluit van 19 mei 2014 het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie in de periode van 2012 tot en met 2014 is veroordeeld voor belediging van een ambtenaar (pleegdatum 30 september 2011), medeplegen van witwassen (pleegdatum 29 mei 2010) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (pleegdatum 10 oktober 2012). anders dan eiser heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat dit ernstige delicten zijn. Hieraan doet niet af dat (een deel van) de delicten die eiser vóór 2000 heeft gepleegd meer ernstig van aard zijn dan voormelde ná 2000 gepleegde delicten. Gelet op de aard alsook de ernst en de voortduring van de door de eiser gepleegde delicten, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormde. Eiser heeft dit ook niet betwist maar in beroep aangevoerd dat de bedreiging niet langer actueel was. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:721) zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op het betrekkelijk geringe tijdsverloop sedert het meest recente, op 10 oktober 2012, door eiser gepleegde delict de bedreiging ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod op 19 mei 2014 nog actueel was.

De stelling van eiser dat verweerder eraan voorbij is gegaan dat de ABRvS in haar uitspraak van 7 juni 2017 op basis van de door verweerder genoemde delicten nu juist van oordeel was dat er geen sprake was van een duidelijke toename maar juist van een afname in de aard en de ernst van de gepleegde strafbare feiten doet aan het voorgaande niet af. De ABRvS heeft dit immers overwogen in het kader van het beroep op artikel 8 van het EVRM en niet ter beantwoording van de vraag of ten tijde van het besluit van 19 mei 2014 het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. De beroepsgrond slaagt niet.

29. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep, voor zover dat gericht is tegen de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod ongegrond moet worden verklaard.

Afwijzing van het verzoek om opheffing van het uitgevaardigde inreisverbod

30. Eiser heeft aangevoerd dat er gelet op het tijdsverloop sinds het laatst gepleegde misdrijf geen actueel gevaar bestaat en voorts dat sprake is van een positieve gedragsverandering. Eiser heeft al vijf jaar geen strafbare feiten gepleegd. Eiser heeft aangevoerd dat het strafblad bepalend is voor de vraag of er sprake is van een actuele bedreiging. Uit het strafblad blijkt dat er geen sprake is van recente veroordelingen en van eiser kan niet worden verlangd dat hij nog meer bewijzen overlegt waaruit blijkt dat hij zijn leven heeft gebeterd. In dit verband heeft verweerder ook ten onrechte overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij sinds 2000 feitelijk in Nederland heeft verbleven en dat eiser geen reclasseringsrapport heeft overgelegd. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Uit het enkele feit dat eiser geen stukken heeft overgelegd dat hij zijn inkomen op legale wijze vergaart kan ook niet worden afgeleid dat eiser een actuele bedreiging vormt.
Voorts heeft verweerder ten onrechte de strafbare feiten gepleegd door zijn kinderen en kleinkinderen bij de beoordeling betrokken. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat het moet gaan om persoonlijke gedragingen die eiser zelf betreffen.
Voorts heeft eiser een beroep op het arrest Chavez‑Vilchez gedaan en in dat verband feiten en omstandigheden gesteld. Eiser heeft verder een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser moet zwaar in zijn voordeel meewegen dat alle familieleden van eiser, onder wie zijn partner en (klein)kinderen, in Nederland wonen, in Nederland zijn geworteld en de Nederlandse nationaliteit bezitten. Tevens is van belang dat alle familieleden bij elkaar in hetzelfde kamp wonen en in die zin met elkaar gezinsleven uitoefenen, waarbij eiser een belangrijke rol speelt als ‘pater familias’. Alleen bij het (her)krijgen van rechtmatig verblijf kan eiser invulling geven aan zijn rol als (groot)vader. Verder heeft eiser in dit verband gewezen op de broze gezondheidstoestand van zijn partner. Zij is op 29 maart 2018 geopereerd.

31. De rechtbank overweegt met verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 2 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2446; r.o. 3.1.) dat artikel 66b, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 11, derde lid, laatste en voorlaatste alinea, van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd, met zich brengt dat het inreisverbod kan worden opgeheven indien een wijziging heeft plaatsgevonden in de omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de door verweerder te verrichten beoordeling van een verzoek om opheffing van een uitgevaardigd inreisverbod een ex nunc karakter heeft. De bestuursrechter toetst in beroep een besluit op een verzoek om opheffing van een uitgevaardigd inreisverbod ex tunc.

32. De rechtbank is van oordeel dat uit het onder 31. geschetste toetsingskader volgt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden. De beroepsgrond van eiser, dat de bewijslast op verweerder rust en dat hem daarom ten onrechte is tegengeworpen dat hij geen objectieve verifieerbare gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen in het kader van zijn verzoek om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, slaagt om die reden niet.

33. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet langer sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij bij brief van 8 september 2017 in de gelegenheid is gesteld om omstandigheden naar voren te brengen, voorzien van een onderbouwing, die zouden kunnen duiden op een positieve gedragsverandering en dat eiser er niet in is geslaagd om de gestelde positieve gedragsverandering aannemelijk te maken. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat de ‘antecedentloze’ periode van 2012 tot en met 2017 in het licht van de aard, de ernst en ook de voortduring van de strafbare feiten die eiser gedurende 30 jaar heeft gepleegd, onvoldoende is om te kunnen spreken van een positieve gedragsverandering. Verweerder heeft in dit verband van belang mogen achten dat eiser eerder een ‘antecendentloze periode’ heeft gehad, maar nadien weer is vervallen in crimineel gedrag. De stelling van eiser dat de ‘antecedentloze periode’ van eiser langer is dan de periode voorgeschreven in de handleiding voor de Rijkswet op het Nederlanderschap, leidt niet tot een ander oordeel. Het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit is een heel andere situatie dan hier aan de orde. De vereisten die daarvoor gelden zijn om die reden niet één op één toepasbaar op onderhavig geval.

34. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte uittreksels uit de Justitiële Documentatie van de (klein)kinderen van eiser heeft betrokken bij zijn beoordeling of sprake is van de gestelde positieve gedragsverandering. Eiser heeft er terecht op gewezen dat het bij de beoordeling of nog steeds sprake is van een en werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, moet gaan om persoonlijke gedragingen van eiser. Daarom laat de rechtbank vorenbedoelde uittreksels buiten beschouwing. Het buiten beschouwing laten van deze uittreksels maakt het onder 33. vermelde echter niet anders. Het is immers aan eiser om aannemelijk te maken dat niet langer sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Zoals hiervoor is overwogen en geoordeeld is eiser daarin niet geslaagd.

35. Gezien het voormelde kan de beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat verweerder eiser niet vóórafgaand aan het nemen van het bestreden besluit in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op uittreksels uit de Justitiële Documentatie ten aanzien van zijn (klein)kinderen, niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

36. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond, dat hij gezien het arrest Chavez‑Vilchez en de in dat verband gestelde feiten en omstandigheden een verblijfsrecht heeft, faalt. Eiser heeft immers niet met objectieve verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het bestreden besluit zijn vertrek uit de Europese Unie met zich zou brengen dat ook zijn kleinkinderen het grondgebied van de Europese Unie zouden moeten verlaten. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat eisers kleinkinderen afhankelijk zijn van eisers zorg en dat zijn partner te kampen heeft (gehad) met medische klachten waarvoor zij is behandeld dan wel onder behandeling staat, is daarvoor onvoldoende.

37. Over het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een wijziging heeft plaatsgevonden in de omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod. Verweerder heeft in dat verband van belang mogen achten dat niet gebleken is dat het familie- en/of gezinsleven tussen eiser en zijn partner en het familie- en/of gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen en kleinkinderen, voor zover het bestaan van het laatste zou moeten worden aangenomen, enkel in Nederland kan worden uitgeoefend. In dat verband heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat de omstandigheid dat de partner van eiser ziek is, niet betekent dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezins- en familieleven buiten Nederland uit te oefenen. Niet aannemelijk is dat de partner van eiser is aangewezen op behandeling in Nederland. Verder heeft verweerder bij zijn beoordeling betrokken dat de kinderen van eiser meerderjarig zijn, overwegend zelf een nieuw gezin hebben gesticht en dat het aan hen is of zij eiser volgen bij zijn vertrek uit de Europese Unie. De stelling van eiser dat hij enkel zijn rol als (groot)vader kan vervullen als hij (weer) rechtmatig verblijf heeft in Nederland heeft verweerder daarom niet hoeven volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

38. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep, voor zover dat gericht is tegen de afwijzing van het verzoek om opheffing van het uitgevaardigde inreisverbod ongegrond is.

Afwijzing van het verzoek om terug te komen van de intrekking van de vbv

39. Het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de intrekking van de vbv, wordt niet‑ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een belang bij de beoordeling van dat beroep, omdat eiser ingevolge artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw, zolang het inreisverbod voortduurt, geen rechtmatig verblijf kan hebben.

40. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep:

- voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod en de afwijzing van het verzoek om opheffing van het bij besluit van 19 mei 2014 tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, ongegrond;

en

- voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en mr. E.E.M. van Abbe, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.