Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12022

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
NL18.15864
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, Ankerzentren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15864


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer ],

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer ]

mede namens haar minderjarige kinderen,

[persoon 1] , geboren op [geboortedatum] 2009,

[persoon 2] , geboren op [geboortedatum] 2011,

[persoon 3] , geboren op [geboortedatum] 2012 en

[persoon 4] , geboren op [geboortedatum] 2016.

Hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).

Procesverloop

Bij besluiten van 28 augustus 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.15865, plaatsgevonden op 11 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Epstein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben op 5 mei 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 20 november 2015 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 20 juni 2018 de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). Op 26 juni 2018 hebben de Duitse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

2. Eisers betogen dat verweerder de behandeling van de asielverzoeken aan zich had dienen te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zij voeren daartoe aan dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvang. Zo is in Duitsland aan eiseres ten onrechte geen medische hulp verleend tijdens de bevalling, waardoor de baby is overleden. Eisers lopen het risico om na overdracht in een gesloten ‘Ankerzentren’ te worden geplaatst, hetgeen in strijd is met artikel 7 van Richtlijn 2013/33/EU (hierna: Opvangrichtlijn) en met het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK). Voorts hebben zij niet de financiële middelen om nogmaals een advocaat in te huren, waardoor zij in Duitsland bij voorbaat kansloos zijn. Verder vrezen zij indirect refoulement, nu zij door Duitsland zullen worden uitgezet naar Wit-Rusland, hun land van herkomst, aldus eisers.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

Onder de werking van de Dublinverordening mag verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Duitse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Duitsland een risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3.2

Verweerder heeft zicht terecht op het standpunt gesteld dat het uitblijven van medische hulp bij de bevalling, hoe spijtig de gebeurtenissen ook zijn, niet maakt dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvang. De rechtbank overweegt verder dat uit de door eisers overgelegde artikelen blijkt dat de zogenoemde ‘Ankerzentren’ grote opvangcentra worden waar asielzoekers verblijven totdat zij – in geval van een inwilliging – worden opgenomen in de gemeenschap, dan wel – in geval van een afwijzing – worden uitgezet. Het gaat om een pilot van een half jaar. Uit de overgelegde artikelen herleidt de rechtbank niet dat het gaat om gesloten opvangcentra. Er bestaat reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van een beperking van de bewegingsvrijheid op het grondgebied van de ontvangende lidstaat, zoals bedoeld in artikel 7 van de Opvangrichtlijn. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet op voorhand kan worden geoordeeld dat deze centra niet voldoen aan de overige voorwaarden van de Opvangrichtlijn en het IVRK. Het enkele feit dat in de media zorgen worden geuit, is hiervoor onvoldoende. Nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Duitsland geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen kunnen krijgen, heeft verweerder hierover geen individuele garanties hoeven vragen aan de Duitse autoriteiten, zoals bedoeld in het arrest Tarakhel (arrest van 4 november 2014 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 29217/12, JV 2014/384).

Voor zover eisers hebben gesteld geen advocaat te kunnen bekostigen, wordt overwogen dat ook in Duitsland de rechtsbijstand wordt gefinancierd. Dat niet in alle gevallen wordt voorzien in gefinancierde rechtsbijstand, maakt niet dat er sprake is van systematische tekortkomingen. Zowel artikel 27, zesde lid, van de Dublinverordening, als artikel 20, derde lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (hierna: de Procedurerichtlijn) staat immers toe dat de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan worden gesteld van de reële kans van slagen van de procedure. De kans van slagen dient te worden beoordeeld door de onafhankelijke rechter of een andere bevoegde instantie. Als een andere instantie de beoordeling verricht, dient die beoordeling vatbaar te zijn voor beroep bij de rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan die bepalingen in Duitsland niet wordt voldaan. De stelling van eiser dat dit een lastige constructie is, is onvoldoende voor een ander oordeel.

3.3

Ten aanzien van de vrees van eisers voor indirect refoulement heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Duitse autoriteiten door het claimakkoord hebben gegarandeerd de verzoeken van eisers om internationale bescherming in behandeling te nemen, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Eisers kunnen hun asielmotieven dan ook in Duitsland naar voren brengen. Niet gebleken is dat de Duitse autoriteiten de aanvragen van eisers niet zorgvuldig zullen behandelen.

3.4

Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat een overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eisers hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.