Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12010

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
NL18.15596
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, Dublin Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15596


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.15597, plaatsgevonden op 11 september 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 5 april 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 29 november 2016 in Italië en op 11 maart 2018 in Zwitserlang een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Eiser heeft in Italië een verblijfsvergunning voor het indienen van een asielaanvraag verkregen, welke op 8 februari 2018 is verlopen. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 5 juni 2018 op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) verzocht om eiser terug te nemen. Op 19 juni 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

2. Eiser betwist dat hij in Italië een asielverzoek heeft ingediend en daar een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gehad. Voorts stelt eiser dat hij ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland minderjarig was, maar dat het moeilijk is om documenten ter onderbouwing daarvan te verkrijgen. Eiser betoogt dat verweerder, gelet op de slechte omstandigheden in Italië, zijn jonge leeftijd en de bedreigingen, zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Verder is hij ten onrechte niet door verweerder gehoord, waardoor verweerder zijn leeftijd niet heeft kunnen inschatten, aldus eiser.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat als de vreemdeling, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden, niet verschijnt voor het gehoor in de zin van artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening dan wel voor zijn aanvullend gehoor in zin van artikel 30, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt aangenomen dat hij geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Mocht de vreemdeling desondanks bezwaren hebben tegen de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat, kan hij deze bezwaren in de zienswijze naar voren brengen.

Niet in geschil is dat eiser niet is verschenen voor het aanvullend Dublingehoor op 3 juli 2018. Pas op 5 juli 2018 heeft eiser te kennen gegeven dat hij zich die dag moest melden bij de arts van de opvang in verband met een valpartij. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien waarom eiser dit niet op de dag zelf kenbaar heeft kunnen maken. Bovendien heeft eiser geen dokterverklaring overgelegd ter onderbouwing van zijn afwezigheid bij het gehoor. Verweerder heeft het niet verschijnen daarom in redelijkheid niet verschoonbaar kunnen achten. Voorts heeft eiser de mogelijkheid gekregen zijn bezwaren tegen overdracht kenbaar te maken in de zienswijze, waarvan eiser gebruik heeft gemaakt. Er bestond voor verweerder geen aanleiding eiser opnieuw uit te nodigen voor een aanvullend gehoor.

3.2

Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat eiser bij zijn asielverzoek in Zwitserland heeft verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum] 2000. De Zwitserse autoriteiten hebben daarbij aangegeven dat eiser heeft verklaard minderjarig te zijn, maar dat zijn verklaringen over zijn leeftijd vaag en tegenstrijdig waren. Voorts hebben de Zwitserse autoriteiten gewezen op de Italiaanse identiteitskaart van eiser waarop [geboortedatum] 1999 als geboortedatum staat vermeld. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat eiser in Italië staat geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum] 1999.

De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat eiser in Zwitserland en Italië als meerderjarige is geregistreerd. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling; zie onder meer de uitspraak van 15 augustus 2017; ECLI:NL:RVS:2017:2219) dat gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel er vanuit wordt gegaan dat deze registratie zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft daartoe geen identificerende documenten overgelegd en een enkele stelling daartoe is onvoldoende. Verweerder mocht dan ook uitgaan van de meerderjarigheid van eiser.

3.3

Voor zover eiser heeft gesteld dat hij in Italië niet eerder een verblijfsvergunning heeft gekregen, wordt overwogen dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd. Voorts volgt uit het Eurodac-resultaat dat eiser op 29 november 2016 een asielaanvraag heeft ingediend in Italië. Een Eurodac-treffer geldt op grond van bijlage II, lijst A, onder II.2, van Verordening 1560/2003 (PB 2003 L 222; hierna de Uitvoeringsverordening) als bewijs van indiening van een asielverzoek. Een claimakkoord geldt als indirect bewijs van indiening van een asielverzoek volgens bijlage II, lijst B, onder II.2, van de Uitvoeringsverordening. Op grond van de Eurodac-treffer en de acceptatie door de Italiaanse autoriteiten van het terugnameverzoek heeft verweerder daarom als vaststaand mogen aannemen dat eiser een asielverzoek in Italië heeft gedaan. Voorts hebben de Italiaanse autoriteiten in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 34 van de Dublinverordening verklaard dat eiser een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gehad. Op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat deze informatie correct is.

3.4

Uit recente jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om in geval van eiser anders dan de Afdeling te oordelen. Verweerder heeft zich – met de in het besluit gegeven motivering – dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

3.5

Voor zover eiser heeft gesteld dat hij in Italië slecht is opgevangen, wordt overwogen dat eiser dit niet met documenten heeft onderbouwd. Bovendien dient eiser daarover bij de Italiaanse autoriteiten te klagen. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat een overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft in redelijkheid geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.