Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11986

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4415
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:3249, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

X is in 2004 gestart met dienstverleningsactiviteiten in de hypotheekbranche. Vanaf het jaar 2007 heeft X geen positief resultaat behaald met deze activiteiten.

Daarnaast heeft X in het onderhavige jaar als zorgverlener inkomsten uit aan zijn moeder verstrekt PGB-budget genoten in het kader van aan haar verleende zorg.

De inspecteur stelt dat er met betrekking tot de dienstverleningswerkzaamheden geen sprake is van een bron van inkomen en dat met betrekking tot de zorgverleningswerkzaamheden geen sprake is van een onderneming.

Gelet hierop heeft X ook geen recht op toepassing van de zelfstandigenaftrek en de MKB-vrijstelling.

De dienstverleningsactiviteiten en de zorgverleningsactiviteiten dienen apart te worden beoordeeld. X heeft niet doen blijken dat hij met zijn financiële dienstverleningswerkzaamheden in het onderhavige jaar een positief resultaat heeft behaald. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/4415

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

1 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. O.G. van Laar),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 17 mei 2017 op het bezwaar van eiser tegen de beslissing van verweerder op het verzoek van eiser om een ambtshalve vermindering van de aan hem voor het jaar 2012 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de tegelijkertijd bij beschikkingen opgelegde verzuimboete ad. € 226 en in rekening gebrachte belastingrente ad. € 620.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Thielen en H.J. Vos.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is op 1 november 2004 gestart met dienstverleningsactiviteiten in de hypotheekbranche. Vanaf het jaar 2007 heeft eiser geen positief resultaat behaald met deze activiteiten. Bij uitspraak van 16 oktober 2009 heeft de rechtbank Den Haag de activiteiten in verband met hypotheken van eiser in staat van surséance verklaard. Na afwikkeling daarvan heeft eiser zijn activiteiten met een opgebouwde portefeuille voortgezet. Voorts hebben cliënten van eiser bij hem een abonnement afgesloten, op grond waarvan eiser hun financiële huishouding up to date hield. De door eiser in dat kader verleende diensten zagen op verzekeringen en polissen.

Daarnaast heeft eiser in het jaar 2012 als zorgverlener inkomsten uit aan zijn moeder verstrekt persoonsgebonden budget (PGB-budget) genoten in het kader van aan haar verleende zorg. In de jaren 2013 en 2014 ontving eiser eveneens inkomsten uit een aan zijn moeder verstrekt PGB-budget in verband met aan haar verleende zorg. Deze zorg is in 2014 beëindigd, omdat eisers moeder in dat jaar is overleden. In de jaren 2015 en 2016 heeft eiser inkomsten genoten uit een aan [persoon X] verstrekt PGB-budget in verband met aan haar verleende zorg.

2. Omdat verweerder geen aangifte IB/PVV van eiser had ontvangen, heeft verweerder met dagtekening 12 augustus 2015 een ambtshalve aanslag IB/PVV 2012 aan eiser opgelegd (de aanslag). Verweerder heeft het belastbare inkomen uit werk en woning daarbij vastgesteld op € 26.754. Dit bedrag betreft het door eiser met betrekking tot de zorg voor zijn moeder ontvangen inkomsten. Tegelijkertijd met de aanslag is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 226 aan eiser opgelegd.

3. Eiser heeft hiertegen per email van 15 oktober 2015 een bezwaarschrift ingediend. Vervolgens heeft eiser op 18 november 2015 en 11 februari 2016 aangiften IB/PVV voor het jaar 2012 ingediend. In de aangifte van 11 februari 2016 is door eiser het volgende aangegeven:

Opbrengsten uit portefeuille: € 5.669

Inkomsten uit zorgverlening: € 26.153

Netto omzet: € 31.821 (volgens aangifte)

Kosten: € 9.609 -/-

Winst: € 22.212

Saldo fiscale winstberekening: € 22.212

Af: zelfstandigenaftrek: € 7.280

Af: MKB-winstvrijstelling: € 1.792

Winst uit onderneming: € 13.140

Inkomsten uit eigen woning: € 20.576 -/-

Belastbaar inkomen uit werk

en woning: € 7.436

4. Bij uitspraak op bezwaar van 20 juni 2016 heeft verweerder eiser niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en het bezwaarschrift behandeld als een verzoek om een ambtshalve vermindering op de voet van artikel 9.6, van de Wet IB 2001. Dit verzoek is afgewezen. Bij uitspraak op het bezwaar daartegen heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat met betrekking tot het beheren van de hypotheekportefeuille geen sprake is van een bron van inkomen en met betrekking tot de inkomsten uit zorgverlening geen sprake is van winst uit onderneming. Verweerder heeft het bezwaar afgewezen.

5. In geschil is of verweerder de aanslag en - met toepassing van artikel 24a Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) - de opgelegde verzuimboete en de in rekening gebrachte belastingrente terecht niet heeft verminderd.

6. Verweerder stelt dat er met betrekking tot de – in 1 vermelde – financiële dienstverleningswerkzaamheden geen sprake is van een bron van inkomen en dat met betrekking tot de zorgverleningswerkzaamheden geen sprake is van een onderneming. Gelet hierop heeft eiser ook geen recht op toepassing van de zelfstandigenaftrek en de MKB-vrijstelling. Volgens verweerder moet eiser overtuigend aantonen dat de aanslag onjuist is. De verzuimboete is terecht aan eiser opgelegd, nu de aanmaning naar eiser is verzonden en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze niet heeft ontvangen.

7. Eiser stelt dat hij recht heeft op de ondernemingsfaciliteiten omdat hij in het jaar 2012 ondernemer was en onder meer als zorgondernemer heeft gewerkt. Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij naast de zorg voor zijn moeder in het jaar 2012 ook aan twee andere personen zorg heeft geleverd en dat hij vaak heeft gebeld met mensen om tot een zorgcontract te komen. Daarnaast verrichtte hij activiteiten als hypotheekadviseur en heeft hij ook de in 1 vermelde andere financiële dienstverleningswerkzaamheden verricht. Het totale resultaat van eisers activiteiten was in het jaar 2012 positief en ook de provisieopbrengsten waren positief. Eiser stelt voorts dat hij aan het zogenoemde urencriterium heeft voldaan.

8. Niet in geschil is dat eiser is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2012. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts aannemelijk gemaakt dat eiser door hem in de gelegenheid is gesteld om aangifte te doen binnen de door hem bij aanmaning gestelde termijn, te weten vóór 7 mei 2014. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het adres in de aanmaningsbrief eisers woonadres sinds 2002 betreft en dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat hij met dagtekening 23 april 2014 een aanmaning naar dat adres heeft gestuurd. Verweerder heeft dit ook met het door hem overgelegde rapport van verzending aannemelijk gemaakt. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat de aanmaning op het adres van eiser is ontvangen dan wel is aangeboden. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij er vooralsnog vanuit gaat dat hij de aanmaning niet heeft ontvangen maar ter zitting daarnaar gevraagd heeft hij verklaard zich dat niet meer precies te kunnen herinneren. Met deze enkele stelling heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet het vermoeden ontzenuwd dat de aanmaning op het adres van eiser is aangeboden of dat eiser deze heeft ontvangen (vgl. Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). Gelet hierop en hetgeen hiervoor in 3 is overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser niet binnen de door verweerder gestelde termijn aangifte IB/PVV 2012 heeft gedaan. Dat betekent dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat artikel 27e, eerste lid, van de AWR dwingend voorschrijft dat het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de desbetreffende uitspraak op bezwaar onjuist is (vgl. Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675).

9. Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet doen blijken dat de uitspraak op bezwaar van 17 mei 2017 onjuist is. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser niet heeft doen blijken dat er tussen de door hem verrichtte financiële dienstverleningswerkzaamheden en zorgverleningswerkzaamheden voldoende samenhang c.q. een nauw verband bestaat om deze activiteiten als één onderneming te beschouwen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, gezien de aard van de activiteiten, de afwezigheid van economische/commerciële verbondenheid en het verschil in (beoogde) klantenkring, onvoldoende samenhang tussen enerzijds de financiële dienstverleningswerkzaamheden en anderzijds de zorgwerkzaamheden om deze activiteiten als mogelijk behorende tot één onderneming aan te merken (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2016:2137).

Voorts heeft eiser niet doen blijken dat hij met zijn financiële dienstverleningswerkzaamheden in het jaar 2012 een positief resultaat heeft behaald. Dat zeker de helft van de totale kosten aan die activiteiten moeten worden toegerekend en aldus mogelijk wel een positief resultaat ontstaat is weliswaar gesteld, maar verder niet onderbouwd. De dienstverleningswerkzaamheden laten bovendien al zeer veel jaren een negatief resultaat zien. Aangezien er overigens geen onderbouwing is gegeven van een in de toekomst mogelijk te behalen positief resultaat volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat die werkzaamheden - bij afwezigheid van een objectieve voordeelsverwachting - geen bron van inkomen vormen. Eiser heeft het tegendeel niet doen blijken. Eiser heeft voorts met hetgeen hij heeft gesteld over zijn activiteiten ter zake van zorgverlening (zie 7 hiervoor) evenmin doen blijken dat sprake was van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid en dat het standpunt van verweerder met betrekking tot die activiteiten (geen onderneming) onjuist is. De enkele stelling dat eiser contact zoekt met potentiele klanten om tot een zorgcontract te komen en ook wel eens twee zorgvragers tegelijk heeft bijgestaan is daartoe onvoldoende.

Belastingrente

10. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de beschikking in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is gegeven dan wel dat de rentebedragen in strijd met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen zijn vastgesteld.

Verzuimboete

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de verzuimboete gehandhaafd. Weliswaar dient voor het opleggen van een boete te komen vast te staan dat eiser de aanmaning heeft ontvangen en dient bij ontkenning daarvan - en anders dan ten aanzien van de aanslag - verweerder de onjuistheid van die stelling te bewijzen (vgl. Hoge Raad, 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0550), maar naar het oordeel van de rechtbank dient een dergelijke ontkenning wel tenminste geloofwaardig te zijn. Gelet op de verklaring ter zitting van eiser dat hij niet meer weet of hij de aanmaning heeft ontvangen gaat de rechtbank ervanuit dat hij deze wel heeft ontvangen. Dat betekent dat nu eiser niet vóór de in de aanmaning door verweerder gestelde termijn aangifte IB/PVV 2012 heeft gedaan de boete terecht is opgelegd en deze is ook passend en geboden.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.