Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1193

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
17_5127
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres maakte gedurende 2010 onderdeel uit van een fiscale eenheid omzetbelasting. Een aan de fiscale eenheid opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2010 is onbetaald gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres terecht op grond van artikel 43 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor deze belastingschuld. De rechtbank ziet geen aanleiding er aan te twijfelen dat een aanslagbiljet is opgemaakt en dat de belastingschuld is vastgesteld. De omstandigheid dat de samenstelling van de fiscale eenheid gedurende 2010 is gewijzigd staat evenmin in de weg aan de aansprakelijkstelling van eiseres, die gedurende het gehele jaar onderdeel uitmaakte van de fiscale eenheid. Ten aanzien van de verrekening van teruggaven van belastingen binnen de fiscale eenheid beroept verweerder zich terecht op zijn geheimhoudingsplicht. Van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of de goede procesorde is de rechtbank niet gebleken. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/900
V-N 2018/31.2.8
Viditax (FutD), 23-04-2018
FutD 2018-1191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/5127

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2018 in de zaak tussen

[B.V. X], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Wiggers),

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 17 juni 2016 aansprakelijk gesteld op grond van artikel 43 van de Invorderingswet 1990.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 juni 2017 de aansprakelijkstelling verminderd met € 1.489.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018.

Namens Eiseres is verschenen [persoon 1], bijgestaan de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4].

Overwegingen

Feiten

1. Vanaf 1 januari 2009 heeft eiseres onderdeel uitgemaakt van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (de fiscale eenheid). De fiscale eenheid bestond buiten eiseres uit [B.V. 1], [B.V. 2], [B.V. 3], [B.V. 4], [B.V. 5] en [B.V. 6]. Het omzetbelastingnummer van de fiscale eenheid luidde: [cijferreeks].

2. Naar aanleiding van het faillissement van [B.V. 3] is bij voor bezwaar vatbare beschikking van 6 december 2010 vastgesteld dat de fiscale eenheid vanaf 23 november 2010 bestond uit eiseres, [B.V. 1], [B.V. 2], [B.V. 4], [B.V. 5] en [B.V. 6]. De naam van de fiscale eenheid luidde [B.V. 1], [B.V. 4], c.s. Het omzetbelastingnummer van de fiscale eenheid is gelijk gebleven.

3. Met ingang van 14 december 2010 maakten [B.V. 2], [B.V. 5] en [B.V. 6] niet langer deel uit van de fiscale eenheid.

4. Met dagtekening 13 november 2015 heeft de inspecteur aan de fiscale eenheid medegedeeld dat over het jaar 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting zal worden opgelegd. In de mededeling is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

‘Op de balans van uw onderneming over het jaar 2010 staat een btw-schuld. Ik heb deze gegevens vergeleken met de aangiften omzetbelasting van de afgelopen jaren. Er is een verschil tussen wat u moest melden en wat in uw aangiften is aangegeven. Ook de controle op de tot mijn beschikking staande betalingsgegevens heeft het verschil niet kunnen verklaren. Aangezien het genoemde bedrag betrekking heeft op het jaar 2010 en dit jaar binnenkort verjaart, wordt mede ter behoud van rechten een aanslag omzetbelasting opgelegd van € 79.254.

Motivering naheffingsaanslag

Op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt bovenstaand verschil nageheven. Omdat u het bedrag niet op tijd hebt gemeld moet u ook heffingsrente/belastingrente en een verzuimboete betalen. Op grond van artikel 67C AWR en paragraaf 24 van het Besluit bestuurlijke boeten bedraagt de boete 10% van de na te heffen belasting, met een maximum van € 5.278 per boek- of kalenderjaar.’

5. De naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2010 heeft dagtekening 30 november 2015 en is opgelegd naar een te betalen bedrag van € 96.138. Dit bedrag bestaat uit te betalen omzetbelasting (€ 79.254), in rekening gebrachte heffingsrente (€ 12.347) en een op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegde verzuimboete (€ 4.537).

6. Met dagtekening 19 mei 2016 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over zijn voornemen om eiseres aansprakelijk te stellen voor belastingschuld van de fiscale eenheid.

7. Bij beschikking van 17 juni 2016 is eiseres tot een bedrag van € 99.596 aansprakelijk gesteld. Blijkens de toelichting bij de beschikking ziet de aansprakelijkstelling op de niet betaalde naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2010 (€ 96.138), waarbij tevens een bedrag van € 15 aan kosten en een bedrag van € 1.954 aan invorderingsrente in rekening is gebracht. Daarnaast ziet de aansprakelijkstelling op een niet betaalde naheffingsaanslag omzetbelasting voor het eerste kwartaal van 2016 (€ 1.489).

8. Op 18 november 2016 is een duplicaat van de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2010 aan eiseres verstrekt.

9. Bij uitspraak op bezwaar is de aansprakelijkstelling verminderd voor zover deze ziet op de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het eerste kwartaal van 2016.

Geschil

10. In geschil is of eiseres terecht aansprakelijk is gesteld voor belastingschuld van de fiscale eenheid.

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij ten onrechte aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld van de fiscale eenheid. Volgens eiseres moet worden aangenomen dat de naheffingsaanslag waar de aansprakelijkstelling op ziet niet bestaat aangezien noch zij, noch een andere vennootschap uit de fiscale eenheid de naheffingsaanslag voor het jaar 2010 heeft ontvangen. Indien de naheffingsaanslag bestaat stelt eiseres dat de fiscale eenheid op 23 november 2010 is ontbonden en ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag niet meer bestond. Voorts dient verweerder eiseres te informeren over de verrekening van belastingteruggaven en is de aansprakelijkstelling volgens eiseres in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de goed procesorde opgelegd.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld van de fiscale eenheid.

Beoordeling van het geschil

13. Artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt, voor zover hier van belang:

‘Deze wet verstaat onder:

(…)

b. lichamen: verenigingen en andere rechtspersonen, maat- en vennootschappen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.’

14. Artikel 43, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 luidt als volgt:

‘Natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn aangemerkt als één ondernemer, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting welke verschuldigd is door deze ondernemer, dan wel – indien de inspecteur niet schriftelijk ervan in kennis is gesteld dat op grond van gewijzigde omstandigheden niet langer een eenheid bestaat als is bedoeld in die bepaling – door deze personen en lichamen.’

15. De rechtbank stelt voorop dat een belastingschuld wordt vastgesteld bij belastingaanslag en dat op grond van artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zodanige vaststelling geschiedt door opmaak van een aanslagbiljet. Gelet op de brief van 13 november 2015 waarin de naheffingsaanslag is aangekondigd en het op 18 november 2016 verstrekte duplicaat van de naheffingsaanslag ziet de rechtbank geen aanleiding eraan te twijfelen dat in onderhavige zaak een aanslagbiljet is opgemaakt en een belastingschuld is vastgesteld. De omstandigheid dat de naheffingsaanslag omzetbelasting, zoals eiseres stelt, niet door haar of een andere vennootschap uit de fiscale eenheid is ontvangen, doet daar niet aan af. Dat een verzuimboete van 10% met een maximum van € 5.278 was aangekondigd terwijl op het duplicaat een boete van € 4.537 staat vermeld kan niet tot een ander oordeel leiden.

16. De stelling van eiseres dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan een niet meer bestaande fiscale eenheid kan evenmin leiden tot een geslaagd beroep. Dat de samenstelling van de fiscale eenheid per 23 november 2010 en 14 december 2010 is gewijzigd maakt niet dat de fiscale eenheid per één van die data is opgehouden te bestaan. Voorts doen wijzigingen binnen de fiscale eenheid niet af aan de bevoegdheid van de inspecteur om een omzetbelastingschuld die ziet op 2010 op het niveau van de fiscale eenheid vast te stellen. Evenmin staat wijziging van de fiscale eenheid in de weg aan aansprakelijkstelling van eiseres, die gedurende het gehele jaar 2010 onderdeel uitmaakte van de fiscale eenheid. Voor aansprakelijkheid voor door een fiscale eenheid verschuldigde omzetbelasting is slechts van belang of de fiscale eenheid bestond op het tijdstip waarop de omzetbelasting verschuldigd is geworden (vgl. Hoge Raad, 17 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:438).

17. Eiseres heeft nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte weigert mede te delen hoe teruggaven van belastingen binnen de fiscale eenheid zijn verrekend. Eiseres noemt resituties loonheffingen die kennelijk [B.V. 1] toekwamen. Naar het oordeel van de rechtbank beroept verweerder zich dienaangaande terecht op zijn geheimhoudingsplicht. Dit laat onverlet dat eiseres in het kader van de invordering zich nader op het standpunt kan stellen dat van haar zijde aannemelijk te maken valt dat vanuit de boedel betalingen hebben plaatsgevonden en dat sprake is van relevante verrekeningen.

18. Het beroep dat eiseres doet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de goed procesorde kan niet slagen. Met de gegeven toelichting bij de beschikking van 17 juni 2016, is de aansprakelijkstelling voldoende gemotiveerd. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod op détournement de pouvoir, het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of de goede procesorde is de rechtbank niet gebleken.

19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld van de fiscale eenheid. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.