Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11879

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
AWB 18 3998
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2382, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 8 EVRM; more than normal emotional ties

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/3998

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 mei 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens was aanwezig, [naam 1] , referent. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Als tolk is verschenen L. Makaddam.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Eiseres, die in Damascus woont, beoogt verblijf bij haar meerderjarige zoon (referent). Hiertoe heeft referent op 30 september 2016 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het uitoefenen van gezinsleven in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Referent is geboren op [geboortedatum 1] , is in 2015 uit Syrië vertrokken en is sinds 27 juni 2016 in het bezit van een asielvergunning. Op 31 juli 2017 heeft verweerder de mvv- aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 31 juli 2017 kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten eerste ten grondslag gelegd dat eiseres niet met voldoende documenten haar familierechtelijke relatie met referent heeft aangetoond. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat referent niet voldoet aan het zogenaamde jongvolwassenenbeleid1 en dat niet aannemelijk is gemaakt dat tussen referent en eiseres “more than normal emotional ties” bestaan. Daarom wordt tussen hen geen gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aangenomen. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat eiseres, ondanks haar gestelde medische omstandigheden, de mogelijk beperktere behandelmogelijkheden door de oorlog in Syrië, het vertrek van referent 2,5 jaar geleden uit Syrië, het vertrek van het andere verzorgende familielid, sindsdien niet in staat is geweest zelfstandig te functioneren. Niet gebleken is dat eiseres exclusief van referent afhankelijk is. De omstandigheid dat al haar familieleden en referent in Nederland verblijven, maakt evenmin dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat tussen haar en referent wel degelijk sprake is een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Ten onrechte is referent niet in bezwaar gehoord over de hechte persoonlijke banden met eiseres. Eiseres is al sinds eind 2007 weduwe en referent heeft als enig kind sindsdien altijd voor haar gezorgd. Daarnaast heeft zij ernstige gezondheidsproblemen en heeft zij continu verzorging en ondersteuning van haar familie nodig, zodat zij niet in staat is zelfstandig te functioneren. Verweerder heeft geen rekening gehouden met het ontbreken van een sociaal netwerk door de oorlogssituatie in Syrië. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat verweerder een onjuiste, te strikte, toetsingskader hanteert door te stellen dat eiseres specifiek van haar zoon afhankelijk zou moeten zijn, wil sprake zijn van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hierbij heeft zij verwezen naar de uitspraak van 24 juli 2017 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem2, en naar de uitspraak van 15 mei 2018 van deze rechtbank en zittingsplaats3.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Blijkens het verhandelde ter zitting handhaaft eiseres niet langer haar beroep op het jongvolwassenenbeleid. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is ‘more than normal emotional ties’ tussen eiseres en referent.

5. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaronder het arrest van Kopf en Liberda tegen Oostenrijk van 17 april 20124, volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Voor de beoordeling daarvan kunnen relevant zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval onvoldoende heeft onderbouwd dat tussen referent en eiseres geen ‘more than normal emotional ties’ bestaan. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

7. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder de vraag of aan voormeld criterium is voldaan, niet deugdelijk heeft onderzocht en gemotiveerd. Verweerder heeft niet kenbaar in de besluitvorming betrokken het feit dat eiser als enig kind tot aan zijn vertrek uit Syrië onafgebroken bij zijn moeder heeft gewoond en kostwinner was. Uit het bestreden besluit blijkt verder niet dat de mate van emotionele afhankelijkheid is onderzocht en betrokken. Dat eiseres met gezondheidsproblemen kampt heeft verweerder weliswaar niet betwist, maar tevens is vermeld dat niet is aangetoond dat zij exclusief afhankelijk is van de zorg van referent. Uit de jurisprudentie van het EHRM valt echter niet af te leiden dat de afhankelijkheid exclusief moet zijn, wil sprake zijn van beschermenswaardig gezinsleven. Ook de door verweerder in het verweerschrift aangehaalde uitspraken van het EHRM5 bieden hiervoor geen grondslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eiseres geschetste omstandigheden te strikt getoetst aan het criterium van de exclusieve afhankelijkheid en niet in lijn met de onder rechtsoverweging 5 genoemde jurisprudentie.

8. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet kan worden gezegd dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Gelet hierop heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, en had dus niet van het horen van eiseres dan wel referent afgezien mogen worden. Op een hoorzitting had mogelijk uitsluitsel kunnen komen over het bestaan van daadwerkelijke hechte persoonlijke banden tussen eiseres en referent.

9. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens schending van artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb.

10. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170 (honderdzeventig) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.002 (duizendtwee) te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zoals opgenomen in B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000

2 ECLI: NL: RBDHA:2017:10630

3 ECLI:NL: RBDHA: 2018:5833

4 EHRM nr. 1598/06, www.echr.coe.int

5 EHRM18 november 2014, Senchishak tegen Finland (5049/12); EHRM 12 januari 2010, Khan tegen VK (47486/06)