Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11872

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
AWB 18 3961
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ei, Guineese nationaliteit, referent Nederlandse nationaliteite, TEV-procedure, 8 EVRM, onvoldoende invulling gezinsrelatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/3961

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 mei 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig L. Barry (referent). De gemachtigde van verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is op [geboortedatum] in Guinee geboren en bezit de Guineese nationaliteit. Referent, de vader van eiser, verblijft sinds 2000 in Nederland en is in het bezit gesteld van een asielvergunning. Referent is nu in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Op 25 augustus 2017 heeft hij ten behoeve van eiser een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van een procedure Toegang en Verblijf. Bij besluit van 18 december 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Verweerder neemt aan dat eiser niet is geboren uit een relatie tussen referent en de moeder van eiser. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat referent onvoldoende invulling geeft en heeft gegeven aan het gezinsleven met eiser, zodat geen sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM1. Niet voldaan is daarom aan de voorwaarden van artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

3. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.

5. Niet is in geschil dat eiser de biologische zoon is van referent. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij is geboren uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie tussen referent en de moeder van eiser. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op het eerste asielgehoor van referent waarin hij heeft verklaard dat hij ongehuwd en alleenstaand was. De uitleg van referent ter zitting (achttien jaar later) dat hij moslim is en het daarom niet gepast was te verklaren dat hij een vriendin had en een kind verwachtte, is niet onderbouwd en wordt door de rechtbank reeds daarom niet gevolgd.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder terecht geconcludeerd dat er tussen eiser en referent geen beschermenswaardig gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat referent onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn relatie met eiser. Referent woonde al in Nederland toen eiser is geboren, en eiser en referent hebben nooit met elkaar samengeleefd. De stelling dat referent zo snel als mogelijk contact met eiser heeft gezocht en dat hij altijd voor hem heeft gezorgd, heeft eiser niet met stukken onderbouwd. De twee overgelegde foto’s van een ontmoeting tussen referent en eiser in (zo wordt gesteld) 2013 heeft verweerder hiervoor onvoldoende kunnen vinden. Uit deze foto’s blijkt immers niet van het bestaan van gezinsleven. Dit blijkt evenmin uit de in beroep overgelegde foto’s, nu daarop eiser en referent niet samen zijn te zien. Ook met de overige overgelegde stukken (chatberichten, een overzicht van telefoongesprekken met buitenlandse telefoonnummers en bewijzen van geldtransacties) heeft referent zijn gestelde gezinsleven niet aangetoond. Verweerder heeft daarbij terecht van belang geacht dat die stukken enkel zien op het jaar 2017, zodat dit geenszins bewijst dat referent sinds langere tijd contact onderhoudt met eiser. Referent heeft in beroep nog een verklaring van de Guineese autoriteiten overgelegd. Hieruit blijkt dat de moeder van eiser afstand doet van haar ouderlijke verantwoordelijkheden en eiser toestemming geeft om zich bij referent te voegen. Nog los van de vraag of van de authenticiteit van dit document kan worden uitgegaan, heeft verweerder hierover in het verweerschrift terecht opgemerkt dat ook hiermee niet is aangetoond dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en referent. Dat de omstandigheden in Guinee het voor referent moeilijk maken contact met eiser te onderhouden, heeft eiser niet nader onderbouwd.

7. Het beroep op schending van de hoorplicht kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Van het horen in bezwaar kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Gezien de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiser hiertegen in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd, is aan voormelde maatstaf voldaan.

8. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen, omdat niet is voldaan aan artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb. Het beroep is ongegrond.

9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

Artikel 3.14

De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan:

[…]

c. het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.

Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

Paragraaf B7/3.2.1

De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (zie B7/3.8.1).

Paragraaf B7/3.8.1

De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen:

[…]

ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen.

De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen en minderjarig kind en zijn:

[…]

biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren),

[…]

mits aan de relatie voldoende invulling wordt gegeven.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden