Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11869

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
NL18.12734
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cubaanse nationaliteit, LHBTI, problemen geloofwaardig, zwaarwegendheid, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.12734


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 juni 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen C.M.E. Begthel. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is van Cubaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] . Zij is geboren als man, maar voelt zich en kleedt zich als vrouw. De rechtbank zal daarom vrouwelijke aanduidingen gebruiken. Op 29 september 2017 heeft zij een asielaanvraag ingediend.

2. Aan die aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij vanwege haar genderidentiteit problemen heeft ondervonden met de Cubaanse politie. Eiseres is meermalen door de politie opgepakt en heeft boetes gekregen, omdat haar uiterlijk niet overeenkwam met haar identiteitspapieren. Ook is zij op het politiebureau lastiggevallen door de politie. Tegen eiseres is tweemaal een dossier opgemaakt. Drie tot vier jaar geleden is door de gewone politie een dossier opgemaakt en op 14 augustus 2017 is door een agent in burger (DTI) een dossier tegen eiseres opgemaakt. In dit dossier is eiseres als ‘gevaarlijk’ persoon bestempeld. Twee maanden voor haar vertrek heeft de politie de haren van eiseres afgeknipt en twee dagen voor haar vertrek heeft de politie haar aangevallen en geduwd waarbij eiseres gewond is geraakt. Bij terugkeer naar Cuba vreest eiseres dat zij gevangen wordt genomen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiseres transseksueel is en dat zij vanwege haar seksuele oriëntatie (LHBT1) problemen heeft ondervonden met de Cubaanse politie. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat deze problemen onvoldoende zwaarwegend zijn om te concluderen dat eiseres gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens verweerder is niet gebleken dat de situatie in Cuba voor eiseres onhoudbaar is geworden.

4. Eiseres meent dat verweerder in zijn besluitvorming onvoldoende heeft meegewogen dat eiseres op 14 augustus 2017 in het vizier is gekomen van DTI2, dat zij nu als staatsgevaarlijk persoon wordt gezien en daarom ‘singled out’ is.

5. Op 4 juli 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) drie uitspraken3 gedaan over de positie van LHBTI4 in Cuba. Uit de in deze zaken overgelegde stukken blijkt dat in Cuba LHBTI niet systematisch worden vervolgd en ook niet als groep het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM5. Cuba heeft in de afgelopen jaren vooruitgang geboekt waar het gaat om het beschermen van de rechten van LHBTI en het aannemen van wetgeving die de LHBTI moet beschermen tegen discriminatie. CENESEX6, een organisatie die opkomt voor de rechten van de LHBTI in Cuba, probeert het proces van emancipatie van LHBTI verder te brengen. Uit de stukken blijkt ook dat de LHBTI niet altijd door de maatschappij worden geaccepteerd en als minderheid in het land een makkelijk doelwit zijn om slachtoffer te worden van intolerantie,

discriminatie, misbruik en geweld. Uit de landeninformatie volgt verder dat er ook excessen zijn, maar niet dat die structureel voorkomen. De Cubaanse autoriteiten kennen LHBTI rechten toe, voor zover deze ook aan andere Cubanen worden toegekend. Uit de stukken leidt de AbRS niet af dat in Cuba de autoriteiten de wet ‘potentieel gevaar’ of andere strafwetgeving inzetten om LHBTI aan te pakken en hen te bestraffen om de enkele reden

dat zij een andere seksuele gerichtheid, dan wel genderidentiteit hebben. Deze wetgeving is op elke Cubaan van toepassing en uit de stukken blijkt niet dat de autoriteiten deze op een discriminerende manier op LHBTI toepassen. Uit de stukken blijkt verder dat de politie aandacht heeft voor personen die aanwezig zijn op homo-ontmoetingsplekken. Aan het aanhouden van personen op deze plaatsen liggen vaak redenen van openbare orde ten grondslag, omdat deze bekend staan om criminaliteit, zoals prostitutie. Voor LHBTI is in het algemeen bescherming mogelijk bij problemen met de politie, al dan niet daarbij gesteund door CENESEX.

6. Gelet op deze recente uitspraken van de AbRS heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat eiseres alleen vanwege haar genderidentiteit in het bezit dient te worden gesteld van een asielvergunning. Het is daarom aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij op grond van haar persoonlijke feiten en omstandigheden die verband houden met haar genderidentiteit is vervolgd of behandeld in strijd met artikel 3 van het EVRM, dan wel dat daarvan sprake zal zijn bij terugkeer. Hierin is eiseres niet geslaagd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dusdanig ernstig is gediscrimineerd dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. Hierbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat zij nooit is uitgesloten van scholing, huisvesting of medische zorg en dat eiseres evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege de seksuele geaardheid geen toegang heeft tot de arbeidsmarkt. Weliswaar heeft zij vanwege haar genderidentiteit problemen ondervonden met de politie, maar hiervan heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat deze problemen van onvoldoende gewicht zijn om te concluderen dat haar leven in Cuba onhoudbaar is. Hoewel zij meermalen door de politie is opgepakt, boetes heeft gekregen en is lastiggevallen door de politie, kan niet uit de verklaringen worden afgeleid dat in haar geval sprake is van stelselmatige discriminatie en dat juist zij (bij terugkeer naar Cuba) in de negatieve belangstelling staat of zal staan van de Cubaanse autoriteiten. De stelling van eiseres ter zitting dat de politie haar kent en het specifiek op haar heeft gemunt, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Het feit dat zij meerdere malen is opgepakt en slecht is behandeld, is hiervoor onvoldoende.7

7. Voor zover eiseres stelt dat zij in het vizier is gekomen van DTI en daardoor als staatsgevaarlijk wordt gezien, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres tijdens het nader gehoor en aanvullend gehoor vooral de (vele) incidenten met de politie heeft genoemd als directe reden voor haar vertrek en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat die incidenten aanleiding zijn geweest voor het openen van een dossier door DTI. Daarnaast is gewezen op de legale uitreis van eiseres. Verweerder heeft tenslotte terecht gesteld dat niet gebleken is dat de Cubaanse autoriteiten eiseres geen bescherming kunnen of willen bieden.

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres omschreven problemen vanwege haar genderidentiteit onvoldoende zwaarwegend zijn voor vluchtelingschap of het bestaan van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Cuba. De aanvraag is daarom terecht afgewezen als ongegrond.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Lesbiennes, Homoseksuelen, Biseksuelen en Transgenders.

2 Departamento Técnico Investigaciones

3 ECLI:NL:RVS:2018:2168, ECLI:NL:RVS:2018:2169 en ECLI:NL:RVS:2018:2170

4 Lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en personen met een intersekse condititie

5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

6 Centro Nacional de Educación Sexual

7 Zie ter illustratie AbRS 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2168