Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11841

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
AWB 18/5498
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aan verzoekster is een machtiging tot voorlopig verblijf verleend (mvv) voor verblijf bij haar echtgenoot in het kader van nareis. Zij heeft de Iraanse nationaliteit en verblijft in Noord-Irak.

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd hangende haar bezwaar tegen de weigering van verweerder om aan haar medewerking te verlenen bij het verkrijgen van de aan haar verleende mvv en een laissez-passer om daarmee naar Nederland te kunnen reizen.

Uit artikel 13, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, ook bezien in het licht van de uitleg die in de Richtsnoeren aan die bepaling wordt gegeven, leidt de voorzieningenrechter af dat van verweerder alle medewerking mag worden verwacht om verzoekster in staat te stellen haar mvv en een laissez-passer af te halen bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging, zodat zij daadwerkelijk in staat wordt gesteld om haar recht op gezinshereniging uit te oefenen.

Op grond van de standpunten van partijen gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat op dit moment voor verzoekster geen veilige mogelijkheid bestaat om de Nederlandse ambassade in Jordanië te bereiken om daar haar mvv en een laissez-passer voor haar reis naar Nederland af te halen, tenzij de Jordaanse autoriteiten aan haar een laissez-passer verlenen.

Gelet op de inspanningen die verzoekster zelf heeft verricht om een reis naar Turkije of Jordanië mogelijk te maken, voert zij terecht aan dat van verweerder nu in alle redelijkheid meer inspanningen mogen worden verwacht die tot de daadwerkelijke afgifte van de mvv en een laissez-passer kunnen leiden.

De voorzieningenrechter stelt verweerder eerst in de gelegenheid om, zo nodig in overleg met de minister van Buitenlandse Zaken, de Nederlandse ambassade in Jordanië de opdracht te geven om in contact te treden met de Jordaanse autoriteiten ter bemiddeling voor de afgifte aan verzoekster van een laissez-passer waarmee zij toegang tot Jordanië kan verkrijgen.

De voorzieningenrechter draagt verweerder voorwaardelijk op, voor zover hij afziet van het benaderen van de Jordaanse autoriteiten ter bemiddeling voor de afgifte van een laissez-passer of indien de Jordaanse autoriteiten niet tot afgifte van een laissez-passer overgaan, op te dragen om aan verzoekster de mvv en een laissez-passer voor vertrek naar Nederland af te geven op of in de nabijheid van het Nederlandse consulaat-generaal in Erbil (Irak).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/65 met annotatie van Ullersma, C.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/5498

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 september 2018 in de zaak tussen

[verzoekster] ,

verzoekster,

(gemachtigde: mr. J.A. Nijland),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om aan haar de gevraagde medewerking te verlenen bij het verkrijgen van de aan haar verleende machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en een laissez-passer om daarmee naar Nederland te kunnen reizen.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Eikelboom, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verder is namens verzoekster verschenen [naam 1] , de echtgenoot van verzoekster (hierna: referent). Als tolk is verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Bij brief van 14 augustus 2018 heeft verweerder zijn standpunt nader uiteengezet en aanvullende informatie verstrekt. Bij brieven van 22 augustus 2018 en 18 september 2018 heeft verzoekster daarop gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft vandaag het onderzoek gesloten, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.1 In dit geval is het bezwaar van verzoekster niet gericht tegen een besluit, zoals bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1 Awb. De door verzoekster gestelde weigering van verweerder om medewerking te verlenen bij het verkrijgen van de aan haar verleende mvv en een laissez-passer, is aan te merken als een rechtens relevante feitelijke handeling jegens haar in haar hoedanigheid als vreemdeling. Daartegen staat op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ook bezwaar open, omdat in dit geval niet in een andere adequate bestuursrechtelijk rechtsgang is voorzien (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:423). De voorzieningenrechter acht zich daarom bevoegd om van het verzoek om een voorlopige voorziening kennis te nemen.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1 Verzoekster is geboren op [geboortedatum] . Zij heeft de Iraanse nationaliteit. Verzoekster verblijft in [plaatsnaam] in Noord-Irak. Zij is gehuwd met referent. Referent heeft ook de Iraanse nationaliteit en verblijft in Nederland op basis van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.2 Bij besluit van 22 februari 2018 heeft verweerder de aanvraag van referent tot het verlenen van een mvv ten behoeve van verzoekster ingewilligd. Die mvv is bedoeld voor verblijf van verzoekster bij haar echtgenoot in Nederland, in het kader van nareis.
Verweerder heeft in het besluit bericht dat hij de Nederlandse ambassade in Istanbul (Turkije) heeft gemachtigd om aan verzoekster een mvv en een laissez-passer voor een dag te verstrekken en dat zij de mvv moet afhalen binnen drie maanden.

Bij besluit van 13 juni 2018 heeft verweerder de termijn waarbinnen verzoekster de mvv moet ophalen verlengd tot zes maanden, tot 22 augustus 2018. Hierbij heeft verweerder bericht dat verzoekster de mvv moet afhalen in Amman (Jordanië), zoals zij had verzocht.

2.3

Ter zitting heeft verweerder toegezegd dat na het verstrijken van de datum van 22 augustus 2018 verzoekster opnieuw een aanvraag kan indienen tot het verlenen van een mvv, die hij vervolgens zo spoedig mogelijk zal inwilligen, zodat zij alsnog een termijn zal krijgen om de mvv en een laissez-passer af te halen.

2.4

Bij e-mailbericht van 19 april 2018 heeft referent de UNHCR in Nederland gevraagd om verzoekster te helpen om haar mvv te kunnen afhalen in Turkije. Bij e-mailbericht van 20 april 2018 heeft de UNHCR daarop geantwoord dat hij het verzoek van referent heeft doorgestuurd naar de UNHCR in [plaatsnaam] (Irak) en geadviseerd aan verzoekster om ook zelf contact op te nemen met de UNHCR in [plaatsnaam] .


Bij e-mailbericht van 13 juni 2018 heeft verweerder de UNHCR in Nederland bevestigd dat aan verzoekster een mvv is verleend en dat zij deze moet afhalen in Amman (Jordanië).

2.5

Bij e-mailbericht van 4 mei 2018 heeft referent het Rode Kruis in Nederland gevraagd om verzoekster te helpen om haar mvv te kunnen afhalen in Turkije.

Bij e-mailbericht van 9 juli 2018 heeft verweerder het Rode Kruis in [plaatsnaam] in Irak bericht dat verzoekster niet in staat is om de Nederlandse ambassade te bereiken en gevraagd of zij verzoekster kunnen helpen.
Bij e-mailbericht van 10 juli 2018 heeft het Rode Kruis in [plaatsnaam] geantwoord dat het Rode Kruis verzoekster niet kan helpen om een Nederlandse ambassade te bereiken om de mvv en een laissez-passer af te halen. Volgens het Rode Kruis kunnen zij wel helpen door een reisdocument af te geven, als de zaak eerst wordt voorgelegd aan de UNHCR of de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: IOM), die vervolgens het Rode Kruis in Bagdad kunnen instrueren om een reisdocument af te geven.

2.6

Bij e-mailbericht van 10 juli 2018 heeft verzoekster aan het Nederlandse consulaat-generaal in Erbil (Noord-Irak) gevraagd of zij aan haar een laissez-passer kunnen verstrekken waarmee zij per vliegtuig van [plaatsnaam] naar Turkije kan reizen, zodat zij daar haar mvv kan afhalen.

Bij e-mailbericht van 11 juli 2018 heeft de waarnemend consul-generaal in Erbil geantwoord dat het consulaat-generaal niet zelf besluit tot het afgeven van laissez-passers, maar op instructie vanuit Den Haag. De consul heeft geadviseerd de IND te benaderen om het consulaat-generaal zo mogelijk te instrueren. De consul heeft daarbij opgemerkt dat volgens hem laissez-passers alleen dienen voor reizen naar Nederland.

2.7

Bij e-mailbericht van 11 juli 2018 heeft verzoekster verweerder gevraagd om het consulaat-generaal in Erbil te instrueren een laissez-passer af te geven die haar in staat stelt om vanuit Noord-Irak naar Turkije of Jordanië te reizen om haar mvv af te halen.

2.8

Bij e-mailbericht van 16 juli 2018 heeft de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) op verzoek van referent aan hem geadviseerd om de Nederlandse ambassade in Amman te vragen om contact op te nemen met de Jordaanse autoriteiten om toestemming voor verzoekster te krijgen om naar Jordanië te reizen. De IOM kan verzoekster vervolgens helpen om haar reis van Amman naar Nederland te organiseren, als zij in Amman van de Nederlandse ambassade de mvv en een laissez-passer heeft verkregen.

Bij e-mailbericht van 16 juli 2018 heeft verzoekster het hiervoor genoemde e-mailbericht van de IOM doorgestuurd aan verweerder.

2.9

Bij e-mailbericht van 16 juli 2018 heeft verzoekster aan de Nederlandse ambassade in Amman bericht dat de UNHCR, de IOM en het Rode Kruis hebben aangegeven dat zij haar niet kunnen helpen om van [plaatsnaam] naar Amman te reizen. Zij heeft de Nederlandse ambassade verzocht om contact op te nemen met het Jordaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken om te overleggen over het afgeven van laissez-passer of een visum waarmee zij naar Jordanië kan reizen.

De Nederlandse ambassade in Amman heeft op 19 juli 2018 telefonisch aan referent bericht dat zij geen contact zullen opnemen met de Jordaanse autoriteiten.

2.10

Bij e-mailbericht van 19 juli 2018 heeft verweerder aan verzoekster onder meer bericht dat de Nederlandse ambassade in Bagdad en het Nederlandse consulaat in Erbil geen mvv en geen laissez-passer kunnen afgeven, omdat zij met name vanwege de veiligheidssituatie niet over een consulaire frontoffice beschikken. Ook is dit volgens verweerder technisch niet mogelijk, omdat de posten in Irak niet zijn uitgerust om dergelijke diensten te verlenen.
Verder heeft verweerder bericht dat het niet mogelijk is om door een Nederlandse post in Irak een laissez-passer te laten afgeven om naar Turkije of Jordanië te reizen, omdat de Nederlandse overheid alleen een laissez-passer mag afgeven voor een reis naar Nederland.
3. Verzoekster vraagt in haar verzoek om een voorlopige voorziening om verweerder op te dragen om:

- aan haar een mvv en een laissez-passer of een visum voor kort verblijf te verstrekken op het consulaat in Erbil waarmee zij naar Nederland kan reizen, dan wel

- indien verweerder niet zelf de mvv en een laissez-passer in Irak kan verstrekken dan wel niet zelf een visum voor kort verblijf kan verlenen, te bepalen dat verweerder opdracht geeft aan de minister van Buitenlandse Zaken om op het consulaat-generaal in Erbil een laissez-passer en/of de mvv aan verzoekster te verstrekken, dan wel
- de mvv en laissez-passer vanuit Amman naar het consulaat in Erbil te versturen zodat deze daar aan verzoekster bekend kunnen worden gemaakt en uitgereikt, dan wel

- in overleg te treden met de Jordaanse autoriteiten om door hen aan verzoekster een laissez-passer en een visum voor Jordanië te laten verstrekken, dan wel

- al dan niet in overleg met andere landen de mvv en een laissez-passer of een visum voor kort verblijf op een andere ambassade in Irak af te geven,
uiterlijk 30 dagen na de uitspraak.

4. Verzoekster voert onder verwijzing naar haar bezwaarschrift aan dat verweerder op grond van artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2003/86/EG (PbEU 2003, L 251; hierna: de Gezinsherengingsrichtlijn) aan haar alle medewerking moet verlenen bij het verkrijgen van het benodigde visum waarmee zij toegang tot Nederland kan krijgen, nu hij haar verzoek om gezinshereniging met referent heeft aanvaard.
Volgens verzoekster kan zij niet naar Jordanië of Turkije reizen om daar bij een Nederlandse ambassade haar mvv en een laissez-passer af te halen. Zij betoogt dat zij vanuit Iran is gevlucht naar Noord-Irak, dat zij geen paspoort heeft en dat zij die niet kan aanvragen bij de Iraanse ambassade vanwege de politieke activiteiten die zij heeft verricht in Iran. Vanwege het conflict tussen de PKK en het Turkse leger in Noord-Irak kan zij daar niet illegaal de grens oversteken om naar Turkije te reizen om daar bij de Nederlandse ambassade haar mvv af te halen. Illegaal reizen naar Jordanië om daar bij de Nederlandse ambassade haar mvv af te halen is volgens verzoekster voor haar nog gevaarlijker, omdat zij dan door gebieden moet reizen die in handen zijn van sjiitische groeperingen die nauwe banden hebben met het Iraanse regime. Zij loopt dan een groot risico te worden teruggestuurd naar Iran, waar zij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij verwijst naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 23 juli 2018 met bijlagen over het reizen zonder identiteitsdocumenten in Irak en de veiligheidsrisico’s van reizen voor vrouwen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) in Noord-Irak en in Irak. Verder verwijst zij naar verschillende bronnen op internet over de veiligheidsrisico’s in Irak voor opposanten van het Iraanse regime.


Onder verwijzing naar de Richtsnoeren van de Europese Commissie van 3 april 2014 voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG (COM (2014) 2010; hierna: de Richtsnoeren) betoogt verzoekster dat verweerder met inachtneming van deze specifieke omstandigheden van haar situatie en de omstandigheden in het land van haar verblijf passende maatregelen moet nemen, nu de toegang tot reisdocumenten en visa buitengewoon moeilijk of gevaarlijk is en dus een onevenredig risico of een praktische belemmering vormt voor de daadwerkelijke gezinshereniging.

Verzoekster stelt dat zij en referent alles hebben gedaan om verweerder en andere organisaties te bewegen om hen te helpen bij het afgeven van een mvv in Irak of het begeleiden van verzoekster naar een Nederlandse ambassade buiten Irak. Geen enkele organisatie kan of wil verantwoordelijkheid nemen voor een veilige overkomst van verzoekster naar Nederland, Jordanië of Turkije.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 13, eerste lid, van de Gezinsherengingsrichtlijn niet zover strekt dat hij na een besluit tot inwilliging van een aanvraag tot het verlenen van een mvv op voorhand is gehouden om de vreemdeling tegemoet te komen in het effectueren van dat inwilligende besluit.

Verweerder volgt verzoekster niet in haar stelling dat zij niet naar Jordanië of Turkije kan reizen om daar bij een Nederlandse ambassade haar mvv op te halen. Volgens verweerder is niet gebleken dat verzoekster zich heeft gewend tot de Iraakse en Jordaanse of Turkse autoriteiten om een legale reis naar Jordanië of Turkije mogelijk te maken. Van verzoekster mag worden verwacht dat zij eerst in contact treedt met de Iraakse autoriteiten met een verzoek om Irak legaal en gecontroleerd te kunnen verlaten. Pas wanneer die pogingen vruchteloos zijn gebleven, komt de vraag aan de orde in hoeverre verweerder vervolgens is gehouden om zich ook in te spannen om een legale en veilige reis naar Jordanië, Turkije of een ander derde land mogelijk te maken. De Nederlandse autoriteiten in Jordanië zouden dan kunnen bemiddelen om voor verzoekster een laissez-passer te verkrijgen om naar Jordanië te kunnen reizen.

Het verzoek om verweerder op te dragen om in overleg te treden met de Jordaanse autoriteiten miskent volgens verweerder de verantwoordelijkheid van verzoekster zelf en acht hij daarom prematuur.

Verder wijst verweerder erop dat in het verzoek van verzoekster om haar in Irak een mvv en een laissez-passer af te geven, ligt besloten dat zij legaal en gecontroleerd Irak wenst uit te reizen. Zij zal dus ook in geval van toewijzing van het verzoek in contact komen met de Iraakse (grens)autoriteiten op de grond of de luchthaven. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat in de vrees van verzoekster voor de Iraakse autoriteiten geen grond kan zijn gelegen voor toewijzing van het verzoek.

Daarnaast stelt verweerder dat het niet mogelijk is om op het Nederlandse consulaat in Erbil de mvv en een laissez-passer aan verzoekster te verstrekken. Dit geldt volgens verweerder zowel uit technisch oogpunt als uit oogpunt van veiligheid. Daaruit volgt volgens verweerder ook dat het niet mogelijk is om de benodigde controles voor de afgifte van de mvv en een laissez-passer te verrichten op het consulaat in Erbil als verzoekster daar in persoon verschijnt, om vervolgens de mvv en een laissez-passer te laten opmaken bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Jordanië en per diplomatieke post naar het consulaat in Erbil te laten opsturen.

4.2

In artikel 13, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is het volgende bepaald:

‘Zodra het verzoek om gezinsherenging is aanvaard, staat de betrokken lidstaat het gezinslid of de gezinsleden de toegang toe. Daartoe biedt de betrokken lidstaat die personen alle medewerking bij het verkrijgen van de benodigde visa.’

De voorzieningenrechter stelt vast dat bij besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in verband met de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Stb. 2004, 496), in werking getreden op 1 november 2004, het Vb is gewijzigd onder meer in verband met de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Uit de transponeringstabel die in de bijlage bij dat besluit is opgenomen volgt dat artikel 13, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 3 Vw. Artikel 3 Vw heeft alleen betrekking op de toegang tot Nederland, niet op het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van een visum op basis waarvan die toegang kan worden verkregen. De tweede volzin van artikel 13, eerste lid, van de Gezinsherengingsrichtlijn is daarmee niet geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Verzoekster kan zich daarom rechtstreeks op die bepaling beroepen.

4.3

In de Richtsnoeren is het volgende opgenomen (p. 19):

‘Zodra een verzoek om gezinshereniging is aanvaard, moet de lidstaat de gezinsleden alle

medewerking bieden bij het verkrijgen van de benodigde visa, overeenkomstig artikel 13, lid

1. Dit houdt in dat wanneer een aanvraag wordt aanvaard, de lidstaten voor een snelle

visumprocedure moeten zorgen, extra administratieve lasten tot een minimum moeten

beperken en dubbele controle van de voorwaarden voor gezinshereniging moeten

vermijden. Aangezien het doel van de gezinshereniging een langdurig verblijf is, moet

geen visum voor kort verblijf worden afgegeven.

Wanneer toegang tot reisdocumenten en visa buitengewoon moeilijk of gevaarlijk is en

dus een onevenredig risico of een praktische belemmering kan vormen voor het

daadwerkelijk uitoefenen van het recht op gezinshereniging, worden de lidstaten

aangespoord om de specifieke omstandigheden van het geval en de omstandigheden in het

land van herkomst in beschouwing te nemen. In bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld

wanneer er sprake is van een falende staat of een land met grote interne veiligheidsrisico’s,

worden lidstaten aangemoedigd om door het Internationaal Comité van het Rode Kruis

(ICRC) afgegeven noodreisdocumenten te aanvaarden, een nationaal laissez-passer in één

richting af te geven, of gezinsleden de mogelijkheid te bieden dat hun bij aankomst in de

lidstaat een visum wordt verleend.’

4.4

Uit artikel 13, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, ook bezien in het licht

van de uitleg die in de Richtsnoeren aan die bepaling wordt gegeven, leidt de

voorzieningenrechter af dat van verweerder alle medewerking mag worden verwacht om

verzoekster in staat te stellen haar mvv en een laissez-passer af te halen bij een Nederlandse

diplomatieke vertegenwoordiging, zodat zij daadwerkelijk in staat wordt gesteld om haar

recht op gezinshereniging uit te oefenen. Bij de medewerking die van verweerder mag

worden verwacht, is uitdrukkelijk ook de veiligheidssituatie in het land van herkomst of

verblijf van de vreemdeling of de regio waarin de mvv moet worden afgehaald van belang.

Anders dan verweerder heeft betoogd, volgt daaruit niet dat verweerder die medewerking

pas hoeft te verlenen nadat een vreemdeling eerst zelf alles heeft gedaan om een

Nederlandse diplomatieke post in, in dit geval, een derde land te kunnen bereiken en die

pogingen niet zijn geslaagd. Dat betoog van verweerder verhoudt zich ook niet met het doel

van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, dat na

aanvaarding van de gezinshereniging de lidstaten moeten voorzien in een snelle

procedure om die herenging ook daadwerkelijk mogelijk te maken. Daarnaast geldt voor

vluchtelingen, zoals referent, in het bijzonder dat zij belang hebben bij een spoedige

hereniging met hun gezinsleden.

Aan de andere kant volgt uit het begrip ‘medewerking’ in artikel 13, eerste lid, van de

Gezinsherenigingsrichtlijn dat sprake is van een samenwerkingsverplichting, en dat dus ook

van de vreemdeling de nodige inspanningen mogen worden verwacht om toegang te

kunnen krijgen tot een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging om daar de mvv en

een laissez-passer af te halen.

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat van verzoekster niet kan worden verlangd dat

zij bij de Iraanse diplomatieke vertegenwoordiging om een paspoort verzoekt waarmee zij

legaal zou kunnen reizen. Verder heeft verweerder het onderbouwde betoog van verzoekster

dat het voor haar gevaarlijk is om zonder een identiteits- of reisdocument vanuit Noord-Irak

over land naar Jordanië of Turkije te reizen om daar bij een Nederlandse ambassade haar

mvv en een laissez-passer af te halen, niet gemotiveerd weersproken.

Verweerder heeft daarnaast zijn standpunt dat verzoekster toestemming kan

vragen aan de Iraakse autoriteiten om zonder paspoort Irak op legale wijze te kunnen

uitreizen niet onderbouwd, bijvoorbeeld met informatie uit algemene bronnen waaruit blijkt

dat die toestemming voor derdelanders kan worden verkregen, dat zij daarmee via een

luchthaven Irak zou kunnen uitreizen of dat die toestemming geen problemen zal opleveren

bij de verschillende controleposten die verzoekster bij een reisroute over het Iraakse

grondgebied zal moeten passeren. Uit de verzoeken om hulp die verzoekster zelf heeft

gericht aan de UNHCR, het Rode Kruis en de IOM en het contact van verweerder met het

Rode Kruis, en de omstandigheid dat deze organisaties verzoekster niet hebben kunnen helpen, blijkt evenmin dat zij met toestemming van de Iraakse autoriteiten Irak veilig zou kunnen verlaten. Uit de reactie van de IOM blijkt dat zij de mogelijkheid voor verzoekster tot vertrek uit Irak alleen zien in de afgifte van een laissez-passer door de Jordaanse autoriteiten en de bemiddeling door de Nederlandse ambassade in Jordanië om de Jordaanse autoriteiten tot afgifte van die laissez-passer te bewegen.

Daarbij komt dat een eventuele toestemming van de Iraakse autoriteiten aan verzoekster om Irak uit te reizen, niet de mogelijkheid omvat voor verzoekster om vervolgens ook Jordanië legaal in te reizen. Daarvoor is zij afhankelijk van de toestemming van de Jordaanse autoriteiten. Verweerder heeft zijn veronderstelling dat de afgifte van een laissez-passer door de Jordaanse autoriteiten zal worden vergemakkelijkt indien zij toestemming heeft van de Iraakse autoriteiten om uit te reizen, niet onderbouwd. Het omgekeerde ligt meer voor de hand. Als verzoekster in het bezit is van laissez-passer van de Jordaanse autoriteiten, zal zij daarmee Irak in beginsel - ook via een luchthaven - legaal kunnen verlaten.

Het standpunt van verweerder dat zij ook in dat geval bij uitreis in contact zal komen met de Iraakse autoriteiten voor wie zij stelt te vrezen, en daarom in die vrees geen grond kan zijn gelegen voor toewijzing van haar verzoek, kan niet worden gevolgd. Uit het betoog van verzoekster volgt immers dat zij vrees heeft voor de Iraakse autoriteiten in het geval zij zonder reisdocumenten Irak over land zou moeten verlaten. Die situatie doet zich niet voor indien zij met een laissez-passer voor Jordanië, of een laissez-passer voor Nederland als verzoekster haar mvv in Irak zou kunnen afhalen, Irak legaal via de luchthaven zou kunnen verlaten.

4.6

Op grond van het voorgaande gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat op dit moment voor verzoekster geen veilige mogelijkheid bestaat om de Nederlandse ambassade in Jordanië te bereiken om daar haar mvv en een laissez-passer voor haar reis naar Nederland af te halen, tenzij de Jordaanse autoriteiten aan haar een laissez-passer verlenen.

4.7

In de periode vanaf het besluit van 22 februari 2018 waarbij verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een mvv heeft ingewilligd tot het indienen van het bezwaarschrift op 20 juli 2018 hebben verzoekster en referent verschillende inspanningen verricht om een reis naar Jordanië of Turkije mogelijk te maken. Zo hebben zij verzoeken om hulp gericht aan de UNHCR, het Rode Kruis, de IOM, de Nederlandse ambassade in Jordanië en het Nederlandse consulaat-generaal in Erbil (Irak). Zij hebben het consulaat-generaal in Erbil ook verzocht om daar haar mvv en een laissez-passer te kunnen afhalen. Die inspanningen hebben, ook met de tussenkomst van verweerder, tot op heden niet ertoe geleid dat verzoekster in staat is om haar mvv af te halen. Gelet daarop voert verzoekster terecht aan dat van verweerder nu in alle redelijkheid meer inspanningen mogen worden verwacht die tot de daadwerkelijke afgifte van de mvv en een laissez-passer kunnen leiden. Daarom is aannemelijk dat verweerder het bezwaar van verzoekster gegrond zal moeten verklaren en medewerking zal moeten verlenen aan de afgifte van de mvv en een laissez-passer aan verzoekster. Verweerder kan die medewerking niet afhankelijk stellen van verdere inspanningen die verzoekster nog zou kunnen verrichten.

5. Uit het voorgaande volgt, mede gelet op de tijd die inmiddels is verstreken sinds de inwilliging van het verzoek tot gezinsherenging en het belang van verzoekster bij een spoedige hereniging met haar echtgenoot, dat er grond bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Inmiddels is de uiterste termijn verstreken waarbinnen verzoekster haar mvv bij de Nederlandse ambassade in Jordanië had moeten afhalen. Verweerder heeft ter zitting echter toegezegd dat verzoekster een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een mvv kan indienen, die hij vervolgens zo spoedig mogelijk zal inwilligen. Daarmee zal verzoekster een nieuwe termijn krijgen waarbinnen zij haar mvv moet afhalen. Het verstrijken van de termijn waarbinnen verzoekster de eerder aan haar verleende mvv had moeten afhalen, staat daarom niet aan toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening in de weg.

Hierna zal de voorzieningenrechter beoordelen welke voorziening in dit geval passend is.

5.1

Het verzoek van verzoekster komt er in hoofdlijnen op neer dat zij primair verzoekt verweerder op te dragen het mogelijk te maken dat zij haar mvv en een laissez-passer voor de reis naar Nederland kan afhalen op het consulaat-generaal in Erbil (Irak), en subsidiair verweerder op te dragen in overleg te treden met de Jordaanse autoriteiten om door hen aan haar een laissez-passer voor Jordanië te laten verstrekken, zodat zij bij de Nederlandse ambassade in Jordanië de mvv en een laissez-passer voor de reis naar Nederland kan afhalen.

5.2

Uit artikel 2s, eerste en derde lid, Vw volgt dat een mvv moet worden afgehaald bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of van bestendig verblijf, dan wel bij gebreke daarvan en voor zover hier van belang, het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd. Op grond van het vierde lid van artikel 2s kan verweerder in overeenstemming met de minister van Buitenlandse Zaken vrijstelling dan wel ontheffing verlenen van die verplichting.

5.3

Uit de door verweerder op verzoek van de voorzieningenrechter verstrekte informatie blijkt dat het consulaat-generaal in Erbil in Irak niet is ingericht op het afgeven van een mvv, bij gebreke aan een frontoffice in verband met de veiligheidssituatie ter plaatse. Daarom moet een mvv worden afgehaald bij de Nederlandse ambassade in Jordanië of Turkije.

Gelet op het bepaalde in artikel 2s Vw is verweerder in beginsel gerechtigd om vreemdelingen die in Irak verblijven voor het afhalen van een mvv te verwijzen naar de Nederlandse ambassade in Jordanië. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op zijn belang om dit stelsel in stand te houden, omdat Nederland niet in elk land een diplomatieke vertegenwoordiging kan hebben of zodanig kan inrichten dat die ook geschikt is voor het afgeven van een mvv.
Gelet daarop kan voor verweerder slechts een verplichting worden aangenomen om hierop met gebruikmaking van zijn bevoegdheid op grond van artikel 2s, vierde lid, Vw een uitzondering te maken, indien vaststaat dat de afgifte van de mvv in het dichtstbijzijnde land voor de vreemdeling die het betreft niet mogelijk of niet verantwoord is.

In dit geval staat nog niet vast dat het voor verzoekster niet mogelijk is om haar mvv in Jordanië af te halen. Niet in geschil is immers dat zij met een door de Jordaanse autoriteiten afgegeven laissez-passer veilig naar Jordanië zal kunnen reizen. Het verzoek van referent aan de Nederlandse ambassade in Amman om te bemiddelen bij de afgifte van een laissez-passer door de Jordaanse autoriteiten is afgewezen. Ter zitting heeft verweerder echter erkend dat hij de Nederlandse vertegenwoordiging in Jordanië kan instrueren om in contact te treden met de Jordaanse autoriteiten om te bemiddelen voor de afgifte van een laissez-passer.

5.4

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter nog geen aanleiding het primaire verzoek van verzoekster toe te wijzen, door verweerder reeds nu op te dragen het mogelijk te maken dat zij in Erbil haar mvv en een laissez-passer kan afhalen. Die optie komt pas in beeld indien de afgifte van een laissez-passer aan verzoekster door de Jordaanse autoriteiten niet slaagt. De voorzieningenrechter zal daarom verweerder primair in de gelegenheid stellen om, zo nodig in overleg met de minister van Buitenlandse Zaken, de Nederlandse ambassade in Jordanië de opdracht te geven om in contact te treden met de Jordaanse autoriteiten ter bemiddeling voor de afgifte aan verzoekster van een laissez-passer waarmee zij toegang tot Jordanië kan verkrijgen.

5.5

Verweerder heeft ter zitting terecht erop gewezen dat niet vast staat dat de Jordaanse autoriteiten na bemiddeling ook toestemming aan verzoekster zullen verlenen om naar Jordanië te reizen. Zij kunnen het verzoek tot afgifte van een laissez-passer weigeren. Ook kan verweerder, dan wel de minister van Buitenlandse Zaken, om diplomatieke redenen alsnog ervoor kiezen om niet in contact te treden met de Jordaanse autoriteiten ter bemiddeling voor de afgifte van een laissez-passer. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder voorwaardelijk, voor zover hij afziet van het benaderen van de Jordaanse autoriteiten ter bemiddeling voor de afgifte van een laissez-passer of indien de Jordaanse autoriteiten niet tot afgifte van een laissez-passer overgaan, op te dragen om aan verzoekster de mvv en een laissez-passer voor vertrek naar Nederland af te geven op of in de nabijheid van het Nederlandse consulaat-generaal in Erbil.

5.6

Bij het voorgaande is van belang dat vast is komen te staan dat het consulaat-generaal in Erbil op instructie van verweerder dan wel de minister van Buitenlandse Zaken een laissez-passer kan verstrekken voor de reis naar Nederland en dat uit de door verweerder op verzoek van de voorzieningenrechter verstrekte informatie niet is gebleken dat het feitelijk en technisch niet mogelijk is om een mvv aan verzoekster in Erbil te verstrekken.

Vaststaat dat het Nederlandse consulaat-generaal in Erbil geen consulair loket heeft dat afdoende is uitgerust om de handelingen uit te voeren die nodig zijn voor de afgifte van een mvv, bestaande uit de controle van de persoon van de vreemdeling, het afnemen van biometrische gegevens en het aanbrengen van een mvv-sticker op de laissez-passer. Zoals verweerder heeft toegelicht werkt het consulaat-generaal in Erbil echter samen met een externe dienstverlener, VFS Global. Bij VFS Global in Erbil staat een aanvraagstation voor visumaanvragen, dat gebruikt wordt voor aanvragen voor Schengenvisa voor kort verblijf. Deze apparatuur is technisch ook geschikt te maken voor de afgifte van een mvv.

Uit de antwoorden van verweerder van 14 augustus 2018 volgt dat zijn enige bezwaar tegen de afgifte van een mvv aan verzoekster in Erbil is, dat volgens hem VFS Global op grond van artikel 106a, derde lid, Vw niet bevoegd is om biometrische gegevens af te nemen en te verwerken. Wat daarvan zij, verzoekster heeft terecht erop gewezen dat een bevoegde medewerker van het consulaat-generaal naar VFS Global kan gaan, dat zich op slechts 1,2 kilometer afstand van het consulaat bevindt, om daar bij de afgifte van de mvv de biometrische gegevens bij haar af te nemen of dat verweerder, dan wel de minister van Buitenlandse Zaken, een eenmalige machtiging kan geven aan een medewerker van VFS Global om de biometrische gegevens van verzoekster voor hem af te nemen en te verwerken.

5.7

Nu de voorzieningenrechter verweerder (voorwaardelijk) zal opdragen de mvv en een laissez-passer aan verzoekster te laten verstrekken in Erbil, heeft zij geen belang bij toewijzing van haar verzoek om verweerder op te dragen om de mvv en een laissez-passer bij de Nederlandse ambassade in Jordanië te laten opmaken en per diplomatieke post naar het consulaat-generaal in Erbil te laten opsturen. In zoverre zal de voorzieningenrechter haar verzoek afwijzen. De voorzieningenrechter wijst er echter op dat het verweerder vrij staat om in overleg met verzoekster ook voor die mogelijkheid te kiezen, als hem dat meer praktisch voorkomt en dat ook tot de daadwerkelijke afgifte van een mvv en een laissez-passer aan verzoekster kan leiden.

5.8

Voor zover in het verzoek van verzoekster ligt besloten dat zij (subsidiair) vraagt om verweerder op te dragen aan haar in Erbil een visum voor kort verblijf te verstrekken om daarmee haar reis naar Nederland mogelijk te maken, zal de voorzieningenrechter het verzoek ook in zoverre afwijzen. Omdat verzoekster gezinshereniging beoogt en het doel daarvan langdurig verblijf in Nederland is, is het verlenen van een visum voor kort verblijf daarvoor niet geschikt (zie ook de Richtsnoeren, zoals aangehaald onder overweging 4.3).

5.9

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat diplomatieke vertegenwoordigingen van andere landen in Irak niet namens Nederland een mvv kunnen afgeven aan verzoekster, omdat een mvv een nationaal visum betreft. Voor zover verzoeker verzoekt verweerder op te dragen om de mvv in Irak op de ambassade van een ander land af te geven, zal de voorzieningenrechter het verzoek dan ook in zoverre afwijzen.

6. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen als volgt.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere schriftelijke reacties, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- stelt verweerder in de gelegenheid om, zo nodig in overleg met de minister van Buitenlandse Zaken, aan de Nederlandse ambassade in Jordanië de opdracht te geven om contact op te nemen met de Jordaanse autoriteiten ter bemiddeling voor de afgifte door die autoriteiten van een laissez-passer aan verzoekster, waarmee zij naar de Nederlandse ambassade in Amman (Jordanië) kan reizen;

- draagt verweerder op, indien hij ervoor kiest om de Nederlandse ambassade in Jordanië geen opdracht te geven om in contact te treden met de Jordaanse autoriteiten ter bemiddeling van de afgifte van een laissez-passer aan verzoekster, of indien de Jordaanse autoriteiten niet binnen twee maanden na vandaag een laissez-passer aan verzoekster hebben afgegeven, om, zo nodig in overleg met de minister van Buitenlandse Zaken, aan verzoekster alsdan binnen één maand de aan haar op haar aanvraag opnieuw te verlenen mvv en een laissez-passer waarmee zij naar Nederland kan reizen, te laten verstrekken en alle daartoe benodigde handelingen te laten uitvoeren op het Nederlandse consulaat-generaal in Erbil (Irak) of op de locatie van VFS Global in Erbil (Irak);

- wijst het overige of anders gevraagde af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.252,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.