Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1176

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
C/09/544559 / KG ZA 17-1571
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Auteursrechtinbreuk betreffende stof met bloemmotief dat is geïnspireerd op (maar niet ontleend aan) schilderijen van oud-Hollandse meesters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/544559 / KG ZA 17-1571

Vonnis in kort geding van 6 februari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B&B FABRICS B.V.,

gevestigd te Berlicum (gemeente Sint Michielsgestel),

eiseres,

advocaat mr. J.A.F. Considine te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de vennootschap onder firma

[de V.O.F.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.W. de Rijk te Helmond.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als B&B en [gedaagde sub 1 c.s.] (vrouwelijk enkelvoud) en gedaagden afzonderlijk ook als [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [de V.O.F.]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 december 2017, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de brief namens [gedaagde sub 1 c.s.] van 18 januari 2018, met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de brief namens B&B van 19 januari 2018, met producties 8 tot en met 10;

  • -

    het (aanvullend) proceskostenoverzicht van B&B (productie 11);

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 januari 2018 en de pleitnota’s van B&B en [gedaagde sub 1 c.s.]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

B&B houdt zich bezig met het ontwerpen, bedrukken dan wel fabriceren van stoffen (woon- en meubeltextiel) voor verkoop in Nederland en daarbuiten.

2.2.

[gedaagde sub 1 c.s.] houdt zich ook bezig met de handel in stoffen. Zij verkoopt onder meer op markten in Nederland en aan tussenhandelaren. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn vennoten van [de V.O.F.]

2.3.

In het voorjaar van 2016 heeft B&B ontwerpen voor stoffen gekocht van de Britse ontwerper [de Ontwerper] (hierna: [de Ontwerper] ). Deze stoffen zijn geïnspireerd op bloemen die voorkomen in schilderijen van bepaalde oude (Hollandse) meesters. Twee van deze stoffen worden verkocht onder de namen Black Peony Big (nummer 93701-01, door [de Ontwerper] genummerd 1375) en Black Tulip Big (nummer 93702-01, door [de Ontwerper] genummerd 1585). Deze stoffen worden hierna aangeduid als Stof 1 en Stof 2 en gezamenlijk als de Stoffen. B&B heeft de Stoffen met ingang van december 2016 op de markt gebracht.

2.4.

In een ongedateerde brief schrijft [de Ontwerper] het volgende:

2.5.

Afbeeldingen van de twee stoffen zijn hierna weergeven:

Stof 93701-01/Stof 1

Stof 93702-01/Stof 2

2.6.

Medio 2017 heeft B&B geconstateerd dat [gedaagde sub 1 c.s.] de hierna afgebeelde stoffen verkocht. In augustus en september 2017 heeft [gedaagde sub 1 c.s.] hoeveelheden van deze stoffen verkocht aan [X] te [plaats 1] en aan [Y] v.o.f. te [plaats 2] .

Stof 1 gedaagde sub 1 c.s.

Stof 2 gedaagde sub 1 c.s.

2.7.

Bij brief van 28 september 2017 heeft B&B [gedaagde sub 1 c.s.] erop gewezen dat de door haar verkochte stoffen nagenoeg identiek zijn aan de stoffen van B&B en dat zij inbreuk maakt op de rechten van B&B. In deze brief heeft B&B [gedaagde sub 1 c.s.] gesommeerd het gebruik van die stoffen te staken en gestaakt te houden. Hierbij heeft B&B haar tevens gesommeerd een opgave te doen van de herkomst van de door haar verkochte stoffen en tot betaling van € 1.250,- ter zake van buitengerechtelijke kosten.

2.8.

In reactie op deze brief heeft [gedaagde sub 1 c.s.] bij e-mail van 5 oktober 2017 aan B&B onder meer laten weten dat de stoffen zijn uitverkocht en dat zij geen nieuwe zal inkopen.

3 Het geschil

3.1.

B&B vordert – verkort weergegeven – [gedaagde sub 1 c.s.] , hoofdelijk, te veroordelen:

  1. het gebruik van de (inbreukmakende) stoffen te staken;

  2. een (gecertificeerde) opgave te doen van de in de dagvaarding vermelde gegevens met betrekking tot de herkomst, de afnemers en de prijzen van die stoffen;

  3. tot het doen van een recall van de inbreukmakende stoffen;

  4. tot afgifte van de voorraad en de na de recall geretourneerde inbreukmakende stoffen;

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv1.

3.2.

Aan deze vordering legt B&B het volgende ten grondslag.

De dessins van de door [gedaagde sub 1 c.s.] verhandelde stoffen zijn een (nagenoeg exacte) kopie van de Stoffen, waarvan B&B de auteursrechten en de ongeregistreerde modelrechten houdt. Met deze verhandeling (en daarmee openbaarmaking) maakt [gedaagde sub 1 c.s.] inbreuk op de auteursrechten en (niet ingeschreven) Gemeenschapsmodelrechten van B&B. Subsidiair geldt dat de stoffen van [gedaagde sub 1 c.s.] een slaafse nabootsing vormen van de Stoffen van B&B, zodat ook daarom de verhandeling van die stoffen jegens B&B onrechtmatig is. Door de verhandeling van die stoffen lijdt B&B economische schade, aangezien de Stoffen nauwelijks meer worden verkocht nu er een bron van goedkopere – maar kwalitatief mindere – namaakproducten op de markt is. Tot op heden heeft [gedaagde sub 1 c.s.] geen onthoudingsverklaring ondertekend. Voorts heeft zij geweigerd om een opgave te doen over de herkomst, afzet en prijzen van de inbreukmakende/onrechtmatige stoffen. Teneinde verdere inbreuk te voorkomen heeft B&B recht op en een spoedeisend belang bij oplegging van het gevorderde verbod en de nevenvorderingen.

3.3.

[gedaagde sub 1 c.s.] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Gelet op de vestigingsplaats van [gedaagde sub 1 c.s.] in Nederland is, voor zover aan de

vorderingen van B&B het gemeenschapsmodelrecht ten grondslag wordt gelegd, de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikelen 80 lid 1, 81 aanhef en sub a, 82 lid 1 en 90 lid 1 van Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (hierna: GModVo) en artikel 3 Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen.

Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op auteursrecht en slaafse nabootsing is de bevoegdheid niet bestreden, zodat de voorzieningenrechter reeds om die reden bevoegd is.

Gelet op de formulering van de vorderingen en de inhoud van de dagvaarding gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de vorderingen gericht zijn op Nederland.

Spoedeisend belang

4.2.

Nu de door B&B gestelde inbreukmakende dan wel onrechtmatige handelingen van [gedaagde sub 1 c.s.] dateren van augustus/september 2017, is in beginsel voldaan aan het voor deze procedure vereiste spoedeisend belang. Het verweer van [gedaagde sub 1 c.s.] dat zij de gewraakte stoffen al voor de eerste sommatie had uitverkocht en dat zij heeft toegezegd om geen nieuwe stoffen in te kopen, maakt dat niet anders. Nu [gedaagde sub 1 c.s.] geen met een boetebeding versterkte onthoudingsverklaring heeft ondertekend en zij geen verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de stoffen, heeft B&B in ieder geval bij een deel van haar vorderingen een evident spoedeisend belang. Het verweer dat B&B door de verkoop door [gedaagde sub 1 c.s.] geen schade heeft geleden is bij beoordeling van het spoedeisend belang niet relevant.

Auteursrecht

4.3.

Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde sub 1 c.s.] aangevoerd dat B&B geen auteursrechthebbende is met betrekking tot de Stoffen, aangezien dit niet uit de in 2.4 weergegeven brief van [de Ontwerper] kan worden afgeleid. De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij. Nu B&B onweersproken heeft gesteld dat zij de Stoffen in Nederland als eerste openbaar heeft gemaakt zonder daarbij een natuurlijk persoon als maker daarvan te vermelden, wordt zij op grond van artikel 8 Auteurswet (Aw) behoudens tegenbewijs als rechthebbende aangemerkt. Gelet voorts op de in 2.4 vermelde brief in combinatie met de verklaring ter zitting van de heer [A] , statutair bestuurder van B&B en geadresseerde van de in 2.4 vermelde brief, dat hij bij het sluiten van de betreffende overeenkomst handelde in zijn hoedanigheid van bestuurder, is voldoende aannemelijk te achten dat – voor zover de Stoffen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen – B&B daarvan rechthebbende is. Hiertegenover volstaat de enkele betwisting (van het bewijs) niet.

4.4.

Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, is vereist dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Dit betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.2 Het Hof van Justitie van de EU heeft de maatstaf aldus geformuleerd dat het moet gaan om ‘een eigen intellectuele schepping van de auteur van het werk’.3 Voorts geldt dat ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen, een (oorspronkelijk) werk kan zijn in de zin van de Auteurswet, mits die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt. Deze maatstaf geldt ook indien het, zoals hier, een gebruiksvoorwerp betreft.4 Daarnaast geldt dat de enkele omstandigheid dat het werk of bepaalde elementen daarvan, passen binnen een bepaalde mode, stijl of trend niet betekent dat het werk of deze elementen zonder meer onbeschermd zijn. Onderzocht moet worden of de vormgeving van de (combinatie van de) verschillende elementen zodanig is dat aangenomen kan worden dat met het ontwerp door de maker op een voldoende eigen wijze uiting is gegeven aan de vigerende stijl, trend of mode.5

4.5.

Tegenover het standpunt van B&B dat de Stoffen voldoen aan de auteursrechtelijke werktoets heeft [gedaagde sub 1 c.s.] aangevoerd dat de dessins op de Stoffen ontleend zijn aan bloemmotieven die zijn afgebeeld op schilderijen van oud-Hollandse Meesters en dat deze bloemmotieven voorts behoren tot een (mode)stijl die door diverse partijen wordt gebruikt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [gedaagde sub 1 c.s.] verwezen naar afbeeldingen van dergelijke schilderijen en thans verkrijgbare producten met bloemmotieven.

4.6.

De verweren van [gedaagde sub 1 c.s.] moeten worden verworpen. Dat de bloemmotieven op de Stoffen zijn geïnspireerd op bloem(motiev)en van oud-Hollandse Meesters is tussen partijen niet in geschil. De gebruikmaking van dit idee of deze stijl is op zichzelf ook niet (auteursrechtelijk) beschermd, zoals ook is bevestigd in de door [gedaagde sub 1 c.s.] ter zitting aangehaalde jurisprudentie. B&B heeft echter onweersproken gesteld dat voor het maken van het (repeterende) patroon, waaronder de selectie, kleurstelling, de precieze vormgeving en positionering van de bloemen, creatieve arbeid is vereist. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft niet gesteld of anderszins aannemelijk gemaakt dat de gebruikte patronen, of zelfs maar de precieze vormgeving van de individuele bloemen, zijn terug te vinden in werken die reeds voor de openbaarmaking van de Stoffen bestonden. De (dessins op de) Stoffen van B&B voldoen daarmee naar voorlopig oordeel aan de in 4.4 vermelde werktoets.

4.7.

Voor de vraag of sprake is van inbreuk op de auteursrechten van B&B dient beoordeeld te worden in welke mate de totaalindrukken van de stoffen van [gedaagde sub 1 c.s.] overeenstemmen met die van de Stoffen van B&B. Hoewel [gedaagde sub 1 c.s.] heeft betwist dat (de dessins van) de door haar in de handel gebrachte stoffen 100% identiek zijn aan de Stoffen van B&B, heeft zij desgevraagd op de zitting geen concrete verschillen aangewezen. De voorzieningenrechter heeft aan de hand van de ter zitting getoonde stoffen (zie ook 2.5 en 2.6) geconstateerd dat de individuele bloemen en de patronen op de stoffen van [gedaagde sub 1 c.s.] overeenkomen met die van B&B en dat de minimale verschillen (bijvoorbeeld in de aftekening van bepaalde bloemen) niet van invloed zijn op de totaalindruk. Hetzelfde geldt voor eventuele (marginale) kleurverschillen tussen de Stoffen en de stoffen van [gedaagde sub 1 c.s.] , zoals die aanwezig lijken op de door B&B als productie 6 en 9 overgelegde foto’s.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in 2.6 afgebeelde stoffen van [gedaagde sub 1 c.s.] (hierna ook wel: inbreukmakende stoffen) naar voorlopig oordeel inbreuk maken op de auteursrechten met betrekking tot de Stoffen van B&B.

Overige grondslagen

4.9.

Nu aannemelijk is dat de stoffen van [gedaagde sub 1 c.s.] inbreuk maken op de auteursrechten met betrekking tot de Stoffen van B&B en reeds op deze grondslag het verbod op de verhandeling van de stoffen van [gedaagde sub 1 c.s.] toewijsbaar is, heeft B&B in zoverre geen zelfstandig belang meer bij beoordeling van de modelrechtelijke grondslag van haar vorderingen. Ook aan de subsidiaire grondslag – slaafse nabootsing – wordt niet meer toegekomen.

Vorderingen

4.10.

Nu het ervoor gehouden moet worden dat [gedaagde sub 1 c.s.] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten met betrekking tot de Stoffen, is oplegging van een inbreukverbod, dan wel een gebod om de inbreuken te staken, als hierna vermeld toewijsbaar. De stelling van [gedaagde sub 1 c.s.] dat zij haar stoffen ten tijde van de sommatie of in ieder geval eind 2017 had uitverkocht en haar toezegging om geen nieuwe stoffen in te kopen, maken dat niet anders. De juistheid van deze stelling is immers niet controleerbaar en [gedaagde sub 1 c.s.] heeft tot op heden de inbreuk niet erkend en ook heeft zij geen met boetebeding versterkte onthoudingsverklaring ondertekend.

4.11.

Daarnaast bestaat belang bij oplegging van nevenvoorzieningen die tot doel hebben (dreigende) inbreuken te voorkomen of te beëindigen. De gevorderde recall, opgave en afgifte zullen daarom met inachtneming van het navolgende worden toegewezen.

4.12.

De gevorderde opgave is toewijsbaar voor zover deze ertoe strekt de producent(en), afnemers (niet zijnde consumenten, dat wil zeggen natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf) en kwantitatieve gegevens met betrekking tot de productstroom te achterhalen. Voor een opgave van de derden aan wie offertes zijn gedaan met geoffreerde aantallen, acht de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende grond. Indien er geen transactie tot stand is gekomen en het slechts bij een offerte is gebleven valt niet goed in te zien waarom de identiteit van de derde of het geoffreerde aantal producten voor B&B nodig is om (dreigende) inbreuken te voorkomen.

4.13.

De op te geven persoonsgegevens zullen worden beperkt tot de NAW-gegevens van de betreffende derden. B&B heeft niet gesteld waarom zij recht en belang heeft bij de gevorderde opgave van andere gegevens waaruit zij de bronnen van de inbreukmakende stoffen kan achterhalen. Dat deel zal daarom worden afgewezen. Voorts valt niet in te zien op welke wijze de opgave met betrekking tot prijsinformatie strekt tot de beëindiging of de voorkoming van inbreuken. In de dagvaarding heeft B&B gesteld dat zij belang heeft bij deze informatie om de omvang van de inbreuk vast te stellen. De omvang van de inbreuk zal evenwel moeten volgen uit de opgave van de hoeveelheden ingekochte en verkochte stoffen. Opgave van prijsinformatie zal daarom worden afgewezen. Een en ander laat uiteraard onverlet dat [gedaagde sub 1 c.s.] onverplicht, bijvoorbeeld in het kader van schikkingsonderhandelingen omtrent geleden schade of behaalde winst, bepaalde informatie kan geven, zij kan daar echter niet op straffe van een dwangsom in kort geding toe worden gehouden. De termijn voor het doen van de opgave zal worden bepaald op vier weken na betekening van dit vonnis.

4.14.

De vordering om de opgave te doen waarmerken door een registeraccountant zal worden afgewezen. Hetgeen met betrekking tot de accountant wordt gevorderd komt neer op een verklaring dat de opgave, voor zover verifieerbaar, een getrouwe weergave van de werkelijkheid vormt. Dit vormt in wezen een opdracht voor het geven van een vorm van assurance. De voorzieningenrechter is ermee bekend dat een (register)accountant, zeker als die accountant niet de huisaccountant is, die assurance niet kan geven.6 Toewijzing van het gevorderde leidt derhalve gemakkelijk tot executieproblemen. Een minder verstrekkende opdracht tot het maken van een “rapport van feitelijke bevindingen”, zoals door gerechtshof ’s-Hertogenbosch7 voorgestaan, biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen extra zekerheid ten aanzien van de juistheid van de opgave, omdat de accountant daarin kennelijk volgens zijn gedragsregels geen conclusies mag trekken. De accountant kan niet verklaren dat de opgave een getrouwe weergave van de werkelijkheid vormt en/of dat er geen aanwijzingen zijn dat de opgave onjuist of onvolledig is. Gelet op de beperkte zekerheid die een rapport van feitelijke bevindingen daardoor aan B&B zal bieden en gelet op het feit dat aan de veroordeling tot het doen van opgave een dwangsom wordt verbonden, rechtvaardigt dat niet de aanzienlijke kosten die daarmee gemoeid zijn, althans heeft B&B dit niet inzichtelijk gemaakt.8

4.15.

De gevorderde recall door middel van een (aangetekende) brief is eveneens toewijsbaar, aangezien hiermee verdere inbreuken met thans nog niet aan de eindgebruiker verkochte en/of geleverde inbreukmakende stoffen kunnen worden voorkomen. Deze recall zal zoals hiervoor is overwogen worden beperkt tot afnemers, niet zijnde consumenten. Hierbij zal worden bepaald dat een kopie van die brieven, met bewijs van verzending, moet worden verzonden aan de advocaat van B&B.

4.16.

De afgifte van de (eventuele) restvoorraad en van inbreukmakende stoffen die na de recall worden teruggenomen is eveneens toewijsbaar. De met betrekking tot de afgifte gevorderde accountantsverklaring zal, gelet op hetgeen is overwogen in 4.14, worden afgewezen.

4.17.

Oplegging van een dwangsom als prikkel tot nakoming van de op te leggen bevelen is passend en geboden. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. Voor een verregaande matiging zoals door [gedaagde sub 1 c.s.] bepleit ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. De dwangsom is bedoeld als stimulans tot nakoming en dient een afschrikwekkend karakter te hebben. Het ligt voorts in de macht van [gedaagde sub 1 c.s.] om te voorkomen dat zij dwangsommen verbeurt.

Hoofdelijkheid

4.18.

B&B heeft hoofdelijke veroordeling gevorderd. Aangezien gedaagden een vennootschap onder firma en haar vennoten betreffen, zijn zij van rechtswege hoofdelijk aansprakelijk voor wat betreft de handelingen en aangegane schulden namens de vennootschap onder firma (artikel 18 Wetboek van Koophandel). De verplichting tot het staken van de inbreuk (een verbintenis om niet te doen) leent zich evenwel niet voor een hoofdelijke veroordeling. Dit ligt anders voor een eventueel te verbeuren dwangsom.

Proceskosten en termijn in de zin van artikel 1019i Rv

4.19.

[gedaagde sub 1 c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. B&B heeft een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv gevorderd en zij heeft haar kosten – voorzien van een onderbouwing – begroot op ruim € 14.000,- (exclusief BTW). Het verweer van [gedaagde sub 1 c.s.] dat de onderhavige zaak hoofdzakelijk betrekking heeft op slaafse nabootsing en dat derhalve het liquidatietarief van toepassing is, moet worden verworpen, aangezien slaafse nabootsing juist een verwaarloosbaar onderdeel van procedure betrof. Nu dit kort geding betrekking heeft op een evidente inbreuk en gelet op de overige omstandigheden van het geval, is de onderhavige procedure te beschouwen als een eenvoudig kort geding in de zin van de toepasselijke indicatietarievenregeling9, waarvoor de maximale advocaatkosten op € 6.000,- zijn vastgesteld. De voorzieningenrechter acht de door B&B opgegeven advocaatkosten daarom niet redelijk en evenredig voor zover deze het bedrag van € 6.000,- (inclusief kantoorkosten en exclusief BTW) te boven gaan. De voorzieningenrechter zal de kosten aan de zijde van B&B daarom begroten op € 6.000,-, te vermeerderen met € 626,- aan griffierecht en € 88,35 aan dagvaardingskosten, en daarmee op € 6.714,35 in totaal.

4.20.

De termijn voor het instellen van een hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv zal worden bepaald op zes maanden na heden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de auteursrechten op de Stoffen van B&B in Nederland te staken en gestaakt te houden;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] , hoofdelijk, om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan de advocaat van B&B opgave te doen van:

  • -

    de namen, adressen en telefoonnummers van degene van wie zij de inbreukmakende stoffen heeft gekocht of geleverd gekregen, dan wel van degene die de inbreukmakende stoffen voor [gedaagde sub 1 c.s.] heeft geproduceerd;

  • -

    de namen, adressen en telefoonnummers van de marktpartijen (niet zijnde consumenten) aan wie zij inbreukmakende stoffen heeft verkocht en/of geleverd;

  • -

    de aantallen ingekochte en aan derden geleverde producten;

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] , hoofdelijk, om eventuele voorraad van inbreukmakende stoffen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis af te geven aan de advocaat van B&B;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] , hoofdelijk, om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis alle (professionele) kopers niet zijnde consumenten van de inbreukmakende stoffen –per aangetekende brief en met kopie en bewijs van verzending aan de advocaat van B&B – te berichten dat zij de betreffende producten aan haar dienen te retourneren; en veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] , hoofdelijk, binnen zeven dagen na ontvangst van deze inbreukmakende stoffen tot afgifte daarvan aan de advocaat van B&B;

5.5.

bepaalt dat bij overtreding van het bepaalde in 5.1 tot en met 5.4 [gedaagde sub 1 c.s.] , hoofdelijk, een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per overtreding en van € 500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander met een maximum voor alle gedaagden tezamen van in totaal € 50.000,-;

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] , hoofdelijk, in de proceskosten, aan de zijde van B&B tot dusver begroot op € 6.714,35;

5.7.

bepaalt de termijn voor het instellen van een hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv op zes maanden na heden;

5.8.

bepaalt dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2018.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2 Vergelijk HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:BC2153 (Endstra).

3 HvJEU 16 juli 2009, C-5/08, ECLI:EU:C:2009:465, Infopaq I.

4 Vergelijk onder meer HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013: BY1529 (Stokke/H3).

5 HR 29 december 1995, LJN ZC1942, (Decaux/Mediamax).

6 Zie ook H. de Hek, “Een onmogelijke opdracht, Over de rol van de accountant in de IE-praktijk”, IER 2016/46

7 Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zaak Stichting Pictoright / Art & Allposters International B.V ECLI:NL:GHSHE:2014:809 onder r.o. 13.10.5.

8 Vgl. Rechtbank Den Haag, 20 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8293 (Fleurop/Topbloemen)

9 Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017.