Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11751

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 13583
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis Eritrea. Beroep ongegrond. Eisers heeft geen officiele identificerende documenten overgelegd. Indicatieve bewijsstukken niet aangemerkt als substantieel bewijs. Geen bewijsnood. Verweerder was niet gehouden aanvullend onderzoek naar ID te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/13583

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Dijcks).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ten behoeve van eiseres, ingediend door M. Berhe Tesfazgi (referent), afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens zijn verschenen referent en de tolk B. Habte. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1993 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eiseres verblijft thans in Soedan en stelt religieus gehuwd te zijn met referent.

2. Aan referent is op 2 november 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft namens eiseres op 31 december 2015 een aanvraag voor een mvv in het kader van nareis ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hiertegen is door eiseres een bezwaarschrift ingediend.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres haar identiteit en feitelijke gezinsband met referent niet heeft aangetoond met documenten. Eiseres heeft geen goede reden waarom zij geen identificerende documenten niet kan overleggen. Eiseres verkeert daarom niet in bewijsnood. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar familierechtelijke relatie met referent een kerkelijke huwelijksakte overgelegd. Bureau Documenten heeft de akte onderzocht en geconcludeerd dat de akte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Aan de huwelijksakte wordt dan ook niet de waarde gehecht die eiseres eraan hecht. Ook aan de overgelegde kopie van een door de Soedanese autoriteiten afgegeven identiteitsdocument wordt geen waarde gehecht, omdat deze kaart niet is afgegeven door de autoriteiten van het land waarvan eiseres stelt de nationaliteit te hebben.

4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiseres heeft met betrekking tot de familierechtelijke relatie een huwelijksakte overgelegd, waaruit tevens haar identiteit blijkt. Ook heeft zij een identiteitskaart die zij in Soedan heeft gekregen overlegd. Eiseres stelt dat huwelijksakte niet vals is. Uit verschillende dossiers komt naar voren dat er een grote verscheidenheid is aan huwelijksakten. Dat verklaart wellicht waarom het Bureau documenten de akte niet kan duiden en tot de conclusie komt dat de akte verschilt van andere akten. De bevindingen van Bureau Documenten kunnen de conclusie niet rechtvaardigen dat sprake is van een valse huwelijksakte. Eiseres en referent zijn van oordeel dat zij in bewijsnood verkeren. Zij kunnen niet terugkeren naar Eritrea of documenten opvragen. Ook van hun familie kan niet verwacht worden dat zij documenten met betrekking tot de nationaliteit, identiteit en familierechtelijke relatie opvragen. Eiser verwijst naar artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2013 inzake het recht op gezinshereniging (de Gezinsherenigingsrichtlijn) en de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Voorts verwijst eiseres nog naar een artikel van de NRC van 9 juni 2016; het Tweede Kamer debat van 30 juni 2016 en de vragen van de Tweede Kamerleden Azmani en Sjoerdsma; een expert opinion van de Migration Law Clinic van de Vrije Universiteit Amsterdam, ‘The 'bewijsnood' policy of the Dutch immigration service: A correct interpretation of the Family Reunification Directive or an unlawful procedural hurdle?’, onder begeleiding van Prof. Pieter Boeles en Dr. Evelien Brouwer en het antwoord van verweerder op vraag 9 van het Tweede Kamerlid Van Dijk, Vergaderjaar 2016-2017, nummer 2249. Tot slot is eiseres van mening dat de hoorplicht is geschonden.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

(a.) de echtgenoot van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling.

5.2.

In zijn brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354) heeft verweerder zijn nieuwe vaste gedragslijn neergelegd. Dit aangepaste beoordelingskader is van toepassing op zowel nieuwe als lopende aanvragen. In de uitspraken van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508, ECLI:NL:RVS:2018:1509, ECLI:NL:RVS:2018:1637, ECLI:NL:RVS:2018:1638, ECLI:NL:RVS:2018:1639 en ECLI:NL:RVS:2018:1640) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) deze gedragslijn in overeenstemming geacht met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De Afdeling begrijpt de nieuwe vaste gedragslijn van verweerder als volgt. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

5.3.

De rechtbank overweegt dat eiseres geen officiële identificerende documenten heeft overgelegd waaruit haar identiteit of nationaliteit blijkt. Verweerder heeft vervolgens conform de nieuwe gedragsrichtlijn de door eiseres overgelegde onofficiële documenten in de beoordeling betrokken. Eiseres heeft om haar identiteit aan te tonen een kopie van een Soedanese vluchtelingenpas overgelegd. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat dit indicatieve bewijsstuk niet kan worden aangemerkt als substantieel bewijs. Hierbij is van belang dat de vluchtelingenpas een kopie is, waardoor het document niet op echtheid kan worden onderzocht. Bovendien is niet gebleken dat het bewijsstuk is afgegeven op grond van een brondocument uit het land van herkomst. Het lijkt er derhalve op dat deze documenten alleen op basis van eiseres eigen verklaringen zijn opgemaakt. Aan dit documenten kan dan ook niet de waarde worden gehecht die eiseres hieraan wenst te zien. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen andere onofficiële documenten omtrent haar identiteit heeft kunnen overleggen. Van strijd met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is, gelet op de voorgaande Afdelingsuitspraak, geen sprake, aangezien de beslissing tot afwijzing van het verzoek om gezinshereniging niet alleen is gebaseerd op het ontbreken van officiële bewijsstukken.

5.4.

Ter zitting heeft eiseres gezegd dat haar documenten bij zich had toen zij vluchtte naar Soedan. Die documenten zijn haar ontnomen door (reis)smokkelaars. Andere documenten zijn er niet volgens eiseres. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij niet in het bezit kan worden gesteld van documenten met betrekking tot haar identiteit en nationaliteit en dat derhalve sprake is van bewijsnood. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres niet heeft onderbouwd dat het voor haar persoonlijk onmogelijk is om over een identiteitsdocument te beschikken. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het erg moeilijk is om aan identiteitsdocumenten te komen bij de Eritrese autoriteiten en dat, hoewel identiteitsdocumenten in het algemeen beschikbaar zijn, veel Eritreeërs feitelijk niet over deze documenten beschikken. Van Eritrese vluchtelingen en hun gezinsleden kan volgens eiseres niet worden verlangd dat zij contact opnemen met hun eigen autoriteiten om officiële documenten aan te vragen. In dit verband heeft eiseres verwezen naar de onder rechtsoverweging 4 genoemde bronnen. Hoewel verweerder van eiseres noch van referent verwacht dat zij zich tot de Eritrese autoriteiten wenden, kan verweerder wel van eiseres verwachten dat zij aannemelijk weet te maken waarom zij niet over identificerende documenten beschikt en hiertoe een op de persoon toegespitste verklaring geeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van bewijsnood, nu dit slechts algemene informatie over Eritrea betreft. In dit licht was verweerder niet gehouden aanvullend onderzoek naar de identiteit van eiseres te doen.

5.5.

Nu verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat eiseres haar gestelde identiteit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, behoeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de feitelijke gezinsband met referent geen bespreking meer. Immers, niet is vast te stellen of eiseres degene is die in de overgelegde huwelijksakte, of deze vals is of niet, wordt genoemd.

6. De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eiseres en referent in bezwaar te horen, faalt. Van horen kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake wanneer reeds aanstonds blijkt dat het bezwaar ongegrond is en er geen twijfel over die conclusie mogelijk is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht, rekening houdend met de nieuwe gedragslijn, dat de indicatieve bewijsstukken die in bezwaar zijn overgelegd niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, van oordeel dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren en van het horen van eiser in bezwaar heeft kunnen afzien.

7. Het beroep is ongegrond

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.