Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11744

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 16487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag uitstel van vertrek, art. 64 Vw. Geen noodsituatie op korte termijn. Geen aanleiding prejudiciele vragen betreffende de reikwijdte van het begrip 'medische noodsituatie'. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/16487

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.L.E.M. Krauth),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Dijcks).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om aan haar uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Bij besluit van 30 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is verschenen de tolk B. Amarants. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Ethiopische nationaliteit te hebben en dat zij is geboren op [geboortedatum] 1974. Eiseres verblijft als vreemdeling in Nederland.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat uit het advies van Bureau Medische advisering (het BMA) van 13 juli 2017 blijkt dat eiseres in staat is om te reizen. Gelet op de depressieve klachten, kennelijke onzelfstandigheid en beschreven systeemproblematiek/gezinsproblematiek dient eiseres tijdens de reis te worden begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige, die tijdens de reis de medicatie van eiseres in beheer houdt. Na de reis wordt eiseres in staat geacht er voor te zorgen dat zij vervolgmedicatie krijgt voorgeschreven/geleverd. Aanbevolen wordt dat eiseres een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt. Voorts is bij terugkeer naar het land van herkomst geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat wanneer zij terugkeert naar het land van herkomst en geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht, verweerder verplicht is te toetsen of ander bijzondere omstandigheden noodzaak bieden tot uitstel van vertrek. Dit heeft verweerder nagelaten, terwijl dat wel volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016 inzake Paposhvili tegen België (het arrest Paposhvili). Verder heeft ten onrechte de hem ambtshalve gezinssituatie van eiseres niet meegewogen in de besluitvorming.

Ter zitting heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de term ‘medische noodsituatie’ verkeerd geïnterpreteerd is door verweerder. Eiseres geeft de rechtbank daarom ter overweging mee om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de reikwijdte van het begrip ‘medische noodsituatie’. Verder heeft eiseres gesteld dat het BMA-advies waarop de beschikking is gebaseerd, niet concludent, inzichtelijk en zorgvuldig is, omdat eiseres niet persoonlijk is onderzocht door de BMA arts.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraken van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, RV 1997, 70 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, JV 2001/103) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Bij uitspraak van 13 december 2016 heeft het EHRM (Paposhvili, nr. 41738/10) nadere invulling gegeven aan de uitzonderlijke omstandigheden die onder artikel 3 EVRM in de weg kunnen staan aan uitzetting van ernstig zieke vreemdelingen. Uit het arrest Paposhvili volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan voorheen, ook in gevallen waarin iemand niet binnen korte tijd komt te overlijden onder omstandigheden sprake kan zijn van schending van artikel 3 van het EVRM. Het gaat dan om een ernstig ziek persoon die wordt uitgezet naar een land waar de benodigde medische behandeling niet aanwezig is, dan wel feitelijk niet toegankelijk is voor de betreffende persoon, en die persoon door het uitblijven van de benodigde medische behandeling wordt blootgesteld aan een serieuze, snelle en niet omkeerbare verslechtering van diens gezondheid resulterend in intens lijden dan wel een significante verkorting van diens levensverwachting. Het EHRM heeft in dit arrest geen afstand gedaan van de eerder opgeworpen hoge drempel (“high threshold”) om op grond van medische omstandigheden aan te nemen dat artikel 3 EVRM geschonden wordt.

4.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet verweerder, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat het advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de uitspraak van 15 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1268). Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

4.3

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen contra-expertise of stukken van haar behandelaars heeft overgelegd waaruit kan blijken dat het BMA-advies niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. Conform de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2101) leidt het feit dat een vreemdeling niet door een BMA-arts is onderzocht, niet tot het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De BMA-arts kan in beginsel volstaan met het schriftelijk of telefonisch opvragen van informatie bij de behandelaar van de desbetreffende vreemdeling. Eiseres heeft in onderhavige zaak voorts niet onderbouwd waarom zij in persoon onderzocht had moeten worden. De beroepsgrond slaagt niet.

4.4

De rechtbank overweegt dat uit het advies van het BMA van 13 juli 2017 blijkt dat de klachten van eiseres bestaan uit: slecht slapen, nachtmerries, moe zijn, geen eetlust hebben, somber zijn, systeemproblematiek en een depressieve stoornis. Voorts blijkt uit het BMA-advies dat geen medische noodsituatie op korte termijn bij eiseres wordt verwacht bij het uitblijven van medische behandeling. Bovendien is eiseres volgens het BMA-advies in staat om -onder bepaalde reisvoorwaarden- te reizen. Conform de jurisprudentie van de Afdeling (zie uitspraak van 28 september 2017, r.o. 6.3 en 6.4, ECLI:NL:RVS:2017:2627), heeft verweerder aan de hand van het BMA-advies eerst beoordeeld of een medische noodsituatie zal ontstaan. Nu dit niet het geval is gebleken komt verweerder ook niet toe aan de beoordeling van andere zeer uitzonderlijke omstandigheden. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op het arrest Paposhvili.

4.5

Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de reikwijdte van het begrip ‘medische noodsituatie’.

4.6

Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat verweerder de hem ambtshalve bekende gezinssituatie in de beoordeling niet heeft meegewogen overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet nader onderbouwd is door eiseres op welke feiten zij doelt en waarom deze feiten betrokken dienen te worden in onderhavige zaak. De beroepsgrond kan derhalve niet slagen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.