Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11743

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
C/09/14/369 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 349a Fw.

Artikel 3 lid 2 Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering.

Hoor en Wederhoor.

Korting salaris.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 349a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/14[000] RR

Vonnis van 2 oktober 2018

in de zaak van:

[schuldenaar],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] (Irak),

wonende te [adres], [postcode en woonplaats],

hierna: ‘schuldenaar’.

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 29 juli 2014 is ten aanzien van schuldenaar de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. G.H.M. Smelt tot rechter-commissaris en van, laatstelijk, mr. G.J. van Rossen (Modus Vivendi B.V.) kantoorhoudende te Zwijndrecht, tot bewindvoerder

Bij vonnis van 22 juli 2016 heeft de rechtbank de looptijd van de regeling verlengd met 12 maanden, derhalve tot 29 juli 2018.

1.2

De bewindvoerder heeft op de voet van artikel 351a van de Faillissementswet (Fw) schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.3

Bij brief van 11 september 2018 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.4

Op 18 september 2018 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw plaatsgevonden. De bewindvoerder en de schuldenaar, vergezeld van zijn zoon, zijn ter zitting verschenen en gehoord. De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De termijn als bedoeld in artikel 349a Fw is op 29 juli 2018 verstreken. De rechtbank

staat daarmee thans voor de vraag of schuldenaar gedurende de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing was, tekort is geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenaar kan worden toegerekend.

2.2

De informatieverplichting is één van de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling. Gelet op de strekking van de schuldsaneringsregeling rust op schuldenaar een algemene verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan schuldenaar weet of behoren te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

2.3

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is het volgende gebleken. Schuldenaar heeft met zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een schuldenoverzicht overgelegd. Blijkens dit overzicht bedroeg de schuldenlast in totaal € 52.310,01. Niet eerder dan met het verslag van 8 maart 2018 heeft de bewindvoerder gemeld dat de schuldenlast € 87.737,70 bedraagt. Ter zitting heeft de bewindvoerder hieromtrent te kennen gegeven dat de verhoging het gevolg is van schulden aan de Belastingdienst die in 2015 bekend zijn geworden. Uit de specificatie van de Belastingdienst van 22 juni 2017 (bijlage bij de brief van 11 september 2018 van de bewindvoerder) blijkt dat het overgrote deel van de verhoogde schuldenlast betrekking heeft op een vordering ten bedrage van € 31.861,- inzake terugbetaling van Kinderopvangtoeslag over 2012. Ter zitting heeft schuldenaar verklaard ten tijde van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet op de hoogte te zijn geweest van deze schuld en deze schuld later, tijdens de schuldsaneringsregeling, aan de bewindvoerder te hebben gemeld. Dat is door de bewindvoerder bevestigd. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de informatieverplichting van schuldenaar.

2.4

Daarnaast zijn (uiteindelijk) door schuldenaar alle overige verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren nagekomen. Geen van de schuldeisers heeft redenen aangevoerd om tot een ander oordeel te komen en van zodanige redenen zijn ook niet gebleken. De rechtbank zal beslissen zoals hierna vermeld. Kort gezegd brengt deze beslissing mee dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van schuldenaar eindigt met de zogenoemde “schone lei”.

2.5

De rechtbank dient de vergoeding van de bewindvoerder vast te stellen. De bewindvoerder heeft niet eerder dan met het verslag van 8 maart 2018 melding gemaakt van de verhoogde schuldenlast, terwijl hij er al van wist in 2015. Gelet op de aard van de vordering van de Belastingdienst had het op de weg van de bewindvoerder gelegen terstond een verzoek tot tussentijdse beëindiging te doen althans tenminste de rechter-commissaris te informeren. Dit heeft de bewindvoerder nagelaten. Daarmee heeft de bewindvoerder ook de rechter-commissaris de mogelijkheid ontnomen een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling te doen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat schuldenaar ter zitting heeft verklaard dat hij met de Kinderopvangtoeslag 2012 de opleiding van zijn echtgenote heeft gefinancierd en andere schulden heeft afbetaald. Gelet op de deze gang van zaken is de rechtbank, conform het bepaalde in artikel 3 lid 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, voornemens de bewindvoerder op zijn vergoeding te korten en de vergoeding te halveren. De rechtbank zal de bewindvoerder in de gelegenheid stellen hierover zijn standpunt kenbaar te maken als hierna vermeld. In afwachting van het bericht van de bewindvoerder houdt de rechtbank iedere beslissing omtrent de vergoeding van de bewindvoerder aan.

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat schuldenaar niet toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaar zijn geëindigd op 29 juli 2018;

- stel het vastrecht van op € 617,-, voor zover de boedel toereikend is;

- stelt de bewindvoerder in de gelegenheid zich schriftelijk binnen 2 weken na heden uit te laten als hiervoor overwogen onder 2.5;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Gewezen door mr. H.W. Vogels, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2018 in tegenwoordigheid van F.J. Knaap LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.