Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11741

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2009
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis Eritrea ongegrond. Geen officiele identificerende documenten overgelegd en indicatieve bewijsstukken niet aangemerkt als substantieel. Door eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij originele documenten naar verweerder heeft verzonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2009

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Dijcks).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ten behoeve van eiseres, ingediend door [referent] (referent), afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is verschenen de tolk B. Habte. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. Zij verblijft feitelijk in Ethiopië. Eiseres stelt dat zij gehuwd is met referent. Aan referent is op 11 augustus 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft namens eiseres een aanvraag voor een mvv in het kader van nareis ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond met officiële identificerende documenten, noch aannemelijk heeft gemaakt met indicatieve documenten.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij heeft om haar identiteit aan te tonen een originele huwelijksakte en een originele doopakte via Vluchtelingenwerk per aangetekende post naar verweerder gestuurd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de originele documenten wel degelijk zijn verzonden naar verweerder, maar dat deze post niet op de juiste wijze bij verweerder is verwerkt. Eiseres acht een nader onderzoek door verweerder geïndiceerd en stelt dat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Gelet op vorenstaande had verweerder niet kunnen afzien van horen in de bezwaarfase.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

(a.) de echtgenoot van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling.

4.2.

In zijn brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354) heeft verweerder zijn nieuwe vaste gedragslijn neergelegd. Dit aangepaste beoordelingskader is van toepassing op zowel nieuwe als lopende aanvragen. In de uitspraken van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508, ECLI:NL:RVS:2018:1509, ECLI:NL:RVS:2018:1637, ECLI:NL:RVS:2018:1638, ECLI:NL:RVS:2018:1639 en ECLI:NL:RVS:2018:1640) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) deze gedragslijn in overeenstemming geacht met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De Afdeling begrijpt de nieuwe vaste gedragslijn van verweerder als volgt. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

4.3

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen officiële identificerende documenten heeft overgelegd waaruit haar identiteit of nationaliteit blijkt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres summier en globaal heeft verklaard over het ontbreken van een officieel identiteitsdocument. De verklaring van eiseres dat zij haar identiteitskaart tijdens de vlucht naar Ethiopië is kwijtgeraakt, nadat ze was beschoten door de Eritrese autoriteiten, is niet gedetailleerd en verifieerbaar. Evenmin heeft verweerder op grond van de verklaringen van de vader van referent en van de hoofopzichter van de gemeente Adi Agua dat het verzoek van vader van referent een nieuwe identiteitskaart voor eiseres te verstrekken, is geweigerd, hoeven te concluderen dat eiseres geen officiële documenten kan verkrijgen. Nu referent slechts kopieën van deze documenten heeft overgelegd kunnen deze verklaringen niet op echtheid worden onderzocht.

4.4

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat de overgelegde indicatieve bewijsstukken niet kunnen worden aangemerkt als substantieel bewijs. Eiseres heeft een kopie van een Ethiopische vluchtelingenpas overgelegd. Een kopie kan niet op echtheid worden onderzocht en bovendien is niet gebleken dat het bewijsstuk is afgegeven op grond van een brondocument uit het land van herkomst. Uit de verklaringen van referent blijkt immers dat eiseres in Ethiopië is geregistreerd op grond van haar eigen verklaring. Aan dit document kan dan ook niet de waarde worden gehecht die eiseres eraan wenst te hechten.

Verder heeft eiseres een kopie van een huwelijksakte en een kopie van een doopakte overgelegd. Verweerder heeft terecht overwogen dat religieuze aktes door de autoriteiten van Eritrea niet erkend worden als geldig identiteitsbewijs. Eiseres heeft met deze documenten haar gestelde identiteit niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen andere onofficiële documenten omtrent haar identiteit heeft kunnen overleggen.

4.4

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ter onderbouwing van haar identiteit en feitelijke gezinsband met referent een originele huwelijksakte en een originele doopakte, via VluchtelingenWerk en per aangetekende post, naar verweerder heeft gestuurd. Deze post zou door verweerder niet op de juiste wijze zijn verwerkt, waardoor eiseres nader onderzoek door verweerder geïndiceerd acht. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Nu eiseres geen verzendbewijs van de aangetekend verzonden post kan overleggen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij originele documenten heeft verzonden. Verweerder was dan ook niet gebonden een nader onderzoek in te stellen. Van een onzorgvuldig besluit is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

4.5

Nu verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat eiseres haar gestelde identiteit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, behoeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de feitelijke gezinsband met referent geen bespreking meer.

5. De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eiseres en referent in bezwaar te horen, faalt. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen referent heeft aangevoerd, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiseres en referent kon worden afgezien.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.