Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11734

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
C/09/18/328 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 288 Fw. Hardheidsclausule. Financiële en persoonlijke omstandigheden onder controle. Positieve gedragsverandering.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer:C/09/18/328 R

uitspraakdatum: 21 september 2018

[verzoeker],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoeker,

heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 13 september 2018.

De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Verzoeker heeft een schuldenlast van € 64.019,31, waarbij de grootste schuld ziet op een bancaire lening van € 49.706,53 uit 2008 die verzoeker is aangegaan voor de financiering van de door hem in die periode gestarte onderneming. Op de schuldenlijst van verzoeker staat verder een vordering van CJIB vermeld van € 5.151. Op de schuldenlijst staat vermeld als omschrijving ‘CJIB 592 Boetes’ en staat 01-01-2016 als ontstaansdatum. In 2016 zijn 23 boetes aan verzoeker opgelegd en in 2017 twee boetes. De laatste boete dateert van 15 januari 2017. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat het gaat om boetes die zijn opgelegd voor verkeersovertredingen, voornamelijk voor te hard rijden. Verzoeker heeft verder verklaard dat hij in die periode een (te) drukke baan had en hij steeds onderweg was. Voorts heeft verzoeker verklaard dat hij in die periode klachten van somberheid en spanningen ervaarde. Als gevolg daarvan vertoonde hij, naar eigen zeggen, destijds onverantwoordelijk (rij)gedrag wat onder meer resulteerde in verkeersovertredingen. Verzoeker heeft verklaard dat hij in 2016 hulp heeft gezocht voor zijn problemen bij Kwadraad en GGZ en dat hij medicatie is gaan slikken. De psychologische behandeling is inmiddels succesvol afgerond. Maandelijkse telefonische controleafspraken in verband met zijn medicatie volgt hij tot heden nauwkeurig op. Vanaf begin 2017 heeft hij geen boetes meer opgelegd gekregen. Verzoeker heeft een fulltime dienstverband en heeft ter zitting verklaard dat het goed met hem gaat. De schuldsaneringsregeling is voor schuldenaar de enige mogelijkheid een einde aan zijn schuldenproblematiek te kunnen maken. Verzoeker doet, voor zover hij bij het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest, een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.

Ten aanzien van de door verzoeker volledig erkende schuld aan het CJIB van ruim € 5.000 oordeelt de rechtbank als volgt. Uit punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. De CJIB schuld staat vanwege de verwijtbaarheid en de omvang ervan in beginsel aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

De rechtbank zal vervolgens in het kader van het door verzoeker gedane beroep op de hardheidsclausule bezien of er – ondanks het ontbreken van de goede trouw – feiten of omstandigheden zijn die toelating rechtvaardigen. Gelet op hetgeen in dat kader door verzoeker naar voren is gebracht, is de rechtbank er voldoende van overtuigd geraakt dat hij zijn financiële en persoonlijke omstandigheden onder controle heeft gekregen en dat bij verzoeker een positieve gedragsverandering heeft plaatsgevonden. Verzoeker heeft psychische hulp gezocht, slikt medicatie en heeft geen nieuwe schulden meer gemaakt. Ook weegt mee dat verzoeker een fulltime dienstverband heeft. Hiermee is ook voldoende aannemelijk dat verzoeker zich zal inspannen om zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen.

De rechtbank acht gezien het voorgaande het beroep op de hardheidsclausule geslaagd, hetgeen betekent dat verzoeker kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] (Verenigde Staten),

wonende te [adres, postcode en woonplaats];

- verstaat dat deze insolventieprocedure een hoofdinsolventieprocedure is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO);

- benoemt tot rechter-commissaris mr. D. Nobel,

en tot bewindvoerder mr. F.R. van der Stroom (Sociaal.nl Schuldsanering BV),

correspondentieadres:

Postbus 845

1440 AV Purmerend;

- stelt vast dat alle reeds gelegde beslagen komen te vervallen;

- kent aan de bewindvoerder voor de duur van de schuldsaneringsregeling een voorschot toe op het salaris ter hoogte van het bedrag als bedoeld in artikel 320,

lid 6 van de Faillissementswet en vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur;

- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de verzoeker gerichte brieven en telegrammen gedurende een termijn van 13 maanden.

Gewezen door mr. D. Nobel, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2018 in tegenwoordigheid van mr. F.M. Verburg, griffier.

De behandelend juridisch medewerker is mr. I.A. de Witte-Snel