Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1170

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
C/09/527133 / HA ZA 17-182
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming overeenkomst, stuiting verjaring wegens erkenning door een derde, hoofdelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/527133 / HA ZA 17-182

Vonnis van 7 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

voorheen handelend onder de naam [handelsnaam eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. T.R. Dicke te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.S.A.J. Kuis te Leidschendam- Voorburg .

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 november 2016, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de incidentele (provisionele) vordering tot opheffen conservatoir beslag, tevens conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 7 juni 2017, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief van 14 september 2017 van mr. Dicke, met producties 5 tot en met 9;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 december 2017 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Mr. Kuis heeft per e-mail van 30 december 2017 van die gelegenheid gebruik gemaakt. Dit e-mailbericht is aan het proces-verbaal gehecht.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] was eigenaar van de eenmanszaak [handelsnaam eiser] . [handelsnaam eiser] hield zich bezig met onderhoud van woningen, renovatie en aanleg en onderhoud van elektrotechnische installaties.

2.2.

[gedaagde] is gehuwd geweest met de heer [X] (hierna te noemen: [X] ). Dit huwelijk is in oktober 2016 door echtscheiding ontbonden.

2.3.

[X] is advocaat geweest. [eiser] was een cliënt van [X] .

2.4.

In 2001 hebben [X] en [gedaagde] een woning aan het [adres] te [plaats] (hierna te noemen: de woning) gekocht. [X] en [gedaagde] waren ieder voor de helft eigenaar van de woning.

2.5.

Op 1 oktober 2001 heeft [eiser] een offerte aan [X] en [gedaagde] toegezonden voor het uitvoeren van de daarin vermelde werkzaamheden ten behoeve van de verbouwing van de woning. Deze offerte is voor akkoord door [X] getekend. De totaalprijs bedroeg fl. 219.500 excl. btw.

2.6.

De werkzaamheden aan de woning zijn vanaf eind november 2001 tot en met november 2002 en in de periode 2007-2009 uitgevoerd.

2.7.

Op 22 februari 2002 heeft [eiser] een meerwerknota ten bedrage van € 7.775,75 aan [X] gestuurd, en verzocht deze binnen 14 dagen te betalen. Op 7 mei 2002 heeft [eiser] een meerwerknota van € 6.209,98 aan [X] gestuurd, met het verzoek tot betaling binnen 14 dagen. Deze nota’s zijn onbetaald gebleven.

2.8.

Bij verzoekschrift van 13 mei 2003 hebben [X] en [gedaagde] een procedure tegen [eiser] bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna te noemen: de RvA) ingesteld. In dit verzoekschrift hebben [X] en [gedaagde] gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van € 81.118,46, met nevenvorderingen. In deze procedure heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat zij met [eiser] een overeenkomst tot aanneming van werk heeft gesloten. In reconventie heeft [eiser] gevorderd [X] en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 80.193,49, waarvan € 77.193,49 aan niet betaalde facturen en € 3.000 aan juridische kosten.

2.9.

[eiser] heeft op 10 november 2003 een factuur aan [X] gestuurd, met het verzoek tot betaling van € 24.739,90 incl. btw binnen 14 dagen.

2.10.

In 2007 heeft [eiser] zijn eenmanszaak willen omzetten in een besloten vennootschap. De besloten vennootschap [handelsnaam eiser] was toen in oprichting. Van een daadwerkelijke oprichting is het niet gekomen. Op 1 januari 2007 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [BV1] . opgericht. [BV1] heeft de activiteiten van [handelsnaam eiser] i.o. voortgezet.

2.11.

Bij brief van 13 februari 2009 heeft [X] de RvA verzocht de zaak te royeren, omdat partijen overeenstemming hadden bereikt ten aanzien van hun geschil.

2.12.

De RvA heeft bij brief van 18 februari 2009 aan [X] en mr. [toenmalige advocaat] , de toenmalige advocaat van [eiser] , bericht dat de procedure zal worden geroyeerd.

2.13.

Per e-mail van 24 februari 2014 heeft de heer [A] , gemachtigde van [eiser] , [X] en [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 77.193,49, € 3.000 aan advocaatkosten en rente alsmede tot betaling van een bedrag van € 18.342,59 aan meerwerk. Aan deze sommatie heeft [gedaagde] noch [X] voldaan.

2.14.

In oktober 2016 hebben [X] en [gedaagde] de woning aan een derde verkocht.

2.15.

Op 31 oktober 2016 heeft [eiser] met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ten laste van [gedaagde] beslag gelegd onder de maatschap [de Maatschap] op het aan [gedaagde] toekomende gedeelte van de netto verkoopopbrengst van de woning.

2.16.

[X] is in staat van faillissement verklaard.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    a) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 95.536,08, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 november 2002;

  • -

    b) [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten vanaf 27 november 2002;

  • -

    c) [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, inclusief beslagkosten;

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat hij met [gedaagde] (en [X] ) een overeenkomst heeft gesloten tot het uitvoeren van werkzaamheden met betrekking tot de woning. In de arbitrageprocedure is tussen partijen overeengekomen dat door [eiser] nog een aantal werkzaamheden zou worden uitgevoerd en dat daarna het nog openstaande bedrag van € 77.193,49 zou worden betaald. Daarnaast is, nadat de arbitrageprocedure is beëindigd, tussen partijen afgesproken dat nog € 18.342,59 aan meerwerk aan [eiser] zou worden betaald. [eiser] vordert nakoming van de overeenkomst bij de RvA en van de meerkwerkopdracht.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het geschil in het incident

3.5.

[gedaagde] vordert – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – [eiser] te veroordelen het op 31 oktober 2016 onder de maatschap [de Maatschap] gelegde beslag op te heffen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident.

3.6.

[gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat het beslag onder de notaris moet worden opgeheven, omdat de vorderingen van [eiser] ondeugdelijk zijn. [gedaagde] stelt dat zij belang heeft bij opheffing van het beslag, omdat zij in een huurwoning woont en door het beslag gedwongen is maandelijks hoge kosten te maken en niet in staat is een woning te kopen, nu zij niet over de verkoopopbrengst van de woning kan beschikken.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 77.193,49 en een bedrag van € 18.342,59. De rechtbank begrijpt de vordering tot betaling van het eerste bedrag aldus, dat [eiser] nakoming vordert van hetgeen partijen volgens hem na het royement van de procedure bij de RvA zijn overeengekomen. Het tweede door hem gevorderde bedrag heeft betrekking op meerwerk dat [eiser] stelt te hebben verricht ten behoeve van [X] en [gedaagde] . Voordat de rechtbank aan bespreking van die vorderingen toekomt, zal zij eerst de ontvankelijkheid van [eiser] beoordelen, nu [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen.

4.2.

[gedaagde] heeft er in dit verband op gewezen dat de vennootschap [BV2] is opgericht, waarvan zowel de statutaire als de handelsnaam op 19 december 2006 zijn gewijzigd in [BV1] . en waarvan op 1 januari 2007 de handelsnaam is gewijzigd in [handelsnaam eiser] . [handelsnaam eiser] B.V. i.o. is nimmer opgericht en de activiteiten van deze B.V. i.o. zijn op 1 januari 2007 overgedragen aan [BV1] ., handelend onder de naam [handelsnaam eiser] . Volgens [gedaagde] wordt in de kop van de nota van 10 maart 2009 onder verwijzing naar het KvK nummer van [BV1] . bevestigd dat [handelsnaam eiser] onderdeel is van [BV1] . Daaruit volgt volgens [gedaagde] dat zowel de vorderingen van [handelsnaam eiser] uit 2001/2002, als de vorderingen voortvloeiende uit de eis in reconventie zoals door [eiser] in 2003 in de arbitrageprocedure ingesteld, in [BV1] . zijn ingebracht en [eiser] derhalve zelf geen vordering meer heeft op [gedaagde] .

4.3.

De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar betoog. [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat alle vorderingen van [eiser] op derden onder algehele titel zijn overgegaan op [BV1] . Uit de verwijzing naar het KvK-nummer van [BV1] op de factuur volgt dat in ieder geval niet. Bovendien heeft [eiser] ter zitting aangevoerd dat [BV1] . weliswaar een aantal vorderingen heeft overgenomen, maar niet de onderhavige. [eiser] is dus ontvankelijk in zijn vorderingen tegen [gedaagde] .

Overeenkomst

4.4.

[gedaagde] betwist dat tussen haar en [eiser] ooit een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen. Voorts betwist zij dat zij en [eiser] een overeenkomst ter beëindiging van het geschil bij de RvA hebben gesloten. Zij voert daartoe aan dat de offerte alleen door [X] is ondertekend en niet (ook) door haar.

4.5.

Dit verweer wordt verworpen. De door [eiser] gemaakte offerte van 1 oktober 2001 is zowel gericht aan [gedaagde] als [X] en heeft bovendien betrekking op de woning die ook aan [gedaagde] toebehoorde. Uit het bij de RvA ingediende verzoekschrift van 13 mei 2003 blijkt voorts dat [gedaagde] en [X] beiden partij zijn in de tegen [eiser] ingestelde arbitrageprocedure en dat [gedaagde] zich in die procedure op het standpunt heeft gesteld dat zij op 1 oktober 2001 een overeenkomst met [eiser] heeft gesloten met betrekking tot de verbouwing van de woning. Onder deze omstandigheden valt niet goed vol te houden dat [gedaagde] geen partij bij de overeenkomst is. Dat alleen [X] de offerte voor akkoord heeft getekend, doet hieraan niet af. De ondertekening van een offerte is immers geen vereiste voor de totstandkoming van een overeenkomst.

4.6.

[eiser] heeft gesteld dat de procedure bij de RvA is beëindigd wegens het bereiken van een schikking. Die schikking hield in dat hij een aantal werkzaamheden zou afronden c.q. herstellen, waarna [X] en [gedaagde] tot betaling van de openstaande aanneemsom zouden overgaan. Dit betrof het in reconventie gevorderde bedrag van € 77.193,49. [eiser] heeft ter onderbouwing van die stelling verwezen naar de brief van de RvA van 18 maart 2009, waarin de RvA bericht dat de procedure wordt doorgehaald. Voorts heeft hij verwezen naar een door hem opgestelde meerwerknota. Deze nota is gedateerd op 10 maart 2009 en is gericht aan de familie [X] , geadresseerd op de gezamenlijke woning van [X] en [gedaagde] . Op deze nota is een bedrag gefactureerd van € 18.342,59 incl. btw. De nota vermeldt voorts – voor zover hier relevant – het volgende:

“(…)

Hierbij sturen wij u een eind nota voor de werkzaamheden onder regie aan uw pand aan het [adres] te [plaats] .

Wij hebben van de Raad van Arbitrage vernomen dat de procedure is ingetrokken zodat wij ook deze zaak na verrekening en betaling kunnen afronden. Rede van intrekking is dat alle werkzaamheden naar behoren (ook het meerwerk onder regie factuur 048/2009) zijn opgeleverd conform afspraken.

(…)”

4.7.

Voorts heeft hij verwezen naar schriftelijke verklaringen van de heer [B] (hierna: [B] ) en mevrouw [C] (hierna: [C] ) van 13 november 2016. [B] is een voormalig cliënt van [X] en [C] de voormalige secretaresse van [X] .

4.8.

[B] heeft – voor zover van belang – het volgende verklaard:

“Ondergetekende verklaart dat hij meerdere gesprekken heeft bijgewoond tussen de heer [eiser] en de heer [X] . Dit omdat de heer [X] zowel de heer [eiser] als mijzelf vertegenwoordigde in diverse zaken als advocaat.

In 2011, en wel op woensdag 02 februari, hadden wij een afspraak met de heer [X] op zijn kantoor. In het bijzijn van de heer [eiser] en mevrouw [C] zijn diverse zaken besproken waaronder het geleverde werk van de heer [eiser] zijn bedrijf aan het woonhuis van mevrouw en de heer [X] . De nota’s zijn niet betwist door de heer [X] , de vraag was duidelijk hoe en wanneer de heer [X] de nota’s inclusief de meerwerknota, zou gaan voldoen.

Ook in 2011, en wel op woensdag 27 april, hadden wij wederom een afspraak met de heer [X] op zijn kantoor. Nu in het bijzijn van de heer [D] . Ook nu zijn diverse zaken besproken. Maar ook de nota’s, inclusief de meerwerknota, met de hernieuwde insteek hoe en wanneer de betaling zou gaan plaatsvinden. Tevens gaf de heer [X] aan al een deel te zullen gaan overmaken.

Dan op 27 februari 2012, hadden wij, ondergetekende en de heer [eiser] , een afspraak met de heer [X] . Dit kon niet plaatsvinden op kantoor en dus zijn wij in een restaurant met elkaar om de tafel gegaan. Ook nu was wederom betaling van de nota’s een gespreksonderwerp. De betaling was uitgebleven en ook nu werd besproken hoe en wanneer er betaald zou worden. Wederom werden de nota’s niet betwist.

En op maandag 11 maart 2013 hadden wij afgesproken met de heer [X] en wel om 16.00 uur en wel bij een wegrestaurant te Delft. Nu in het bijzijn van de heer [A] , de jurist welke ons inmiddels vertegenwoordigde in diverse zaken. Ook nu werden diverse zaken besproken. Ook nu kwam het onderwerp van de betaling van de nota’s aan de orde. Ook nu werd de nota niet betwist. Wederom werd toegezegd door de heer [X] dat er zorg zal worden gedragen voor de betaling.

(…)”

4.9.

[C] heeft – voor zover relevant – het volgende verklaard:

“Ondergetekende verklaart hierbij dat zij talloze malen aanwezig is geweest bij de gesprekken tussen de heer [X] en [eiser] inzake de betaling van de facturen van de verbouwing aan de woning van de heer en mevrouw [X] .

Tijdens deze gesprekken is tussen de heer [eiser] en de heer [X] o.a. besproken de betaling van de heer [X] en mevrouw [gedaagde] van de door de heer [eiser] zijn bedrijf gedane werkzaamheden en meerwerk aan de woning van de heer en mevrouw [X] aan het [adres] te [plaats] . De heer en mevrouw [X] hebben de facturen m.b.t. deze werkzaamheden en meerwerk nooit betwist tijdens deze gesprekken.

Ondergetekende is onder meer aanwezig geweest bij het gesprek in een Van der Valk hotel in Ridderkerk op 22 maart 2013 waarbij tevens aanwezig waren de heer [X] , de heer [eiser] en de heer [A] (de jurist die de heer [eiser] vertegenwoordigde).

Hierbij is uitvoerig gesproken over o.a. de betaling van de fakturen van de heer en mevrouw [X] aan de heer [eiser] . Tijdens deze bespreking had de heer [X] de meerwerkfaktuur bij zich. (….)”

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de stelling van [eiser] dat de procedure bij de RvA is beëindigd wegens het bereiken van een minnelijke regeling – inhoudende dat [eiser] werkzaamheden zou verrichten en [X] en [gedaagde] daarna de openstaande som zouden betalen – onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] heeft zich ook in dit verband op het standpunt gesteld dat [eiser] die afspraak alleen met [X] zou hebben gemaakt. Nu zowel [X] als [gedaagde] partij bij de overeenkomst waren, de verklaringen concreet en gedetailleerd zijn en [gedaagde] niet onderbouwt waarom die verklaringen niet op juistheid berusten, had het op de weg van [gedaagde] gelegen haar stelling dat die overeenkomst niet (ook) met haar gemaakt zou zijn nader te onderbouwen. Dit ligt eens te meer voor de hand, nu [eiser] ook een aanzienlijke tegenvordering op [X] en [gedaagde] had en niet valt in te zien dat hij akkoord zou gaan met het verrichten van herstelwerkzaamheden, zonder dat zijn tegenvordering zou worden voldaan.

4.11.

Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij reeds een bedrag zou hebben voldaan. Zij verwijst naar een door [X] handgeschreven briefje dat in de procedure bij de RvA is overgelegd als productie 22 en waaruit zou volgen dat [X] contante bedragen zou hebben voldaan. [eiser] heeft erop gewezen dat het gevorderde bedrag hoger was en dat dit briefje dateert van voor de start van de procedure bij de RvA. [gedaagde] – op wie in dit verband de stelplicht en bewijslast rust – heeft vervolgens niet nader onderbouwd dat zij reeds een bedrag heeft voldaan.

4.12.

Voorts heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat [eiser] zijn werk niet goed zou hebben verricht en hij daarom geen aanspraak kan maken op betaling van de openstaande facturen. Ook dit verweer wordt verworpen. Om te beginnen heeft zij dit verweer niet onderbouwd, hetgeen wel op haar weg, nu immers vaststaat dat zij en [X] wel tot doorhaling van de procedure bij de RvA zijn hebben verzocht. Niet valt in te zien – althans niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt – dat zij dat verzoek zouden hebben gedaan, terwijl [eiser] zijn afspraken niet zou zijn nagekomen. Bovendien ontslaat een eventuele niet-nakoming door [eiser] , [gedaagde] nog niet van haar betalingsverplichting, zolang de overeenkomst niet is ontbonden.

4.13.

Voorts is tussen partijen in geschil of [X] en [gedaagde] meerwerk aan [eiser] hebben opgedragen. [eiser] stelt dat dit het geval is en verwijst ter onderbouwing van de omvang daarvan naar de hierboven aangehaalde meerwerkfactuur. Ter zitting heeft hij dat meerwerk nader omschreven. Hij heeft concreet toegelicht welke werkzaamheden hij heeft verricht en hoe de uitvoering van die werkzaamheden verliep (te weten dat [gedaagde] steeds aanwijzingen gaf over wat er moest gebeuren).

4.14.

[gedaagde] heeft betwist dat zij aan [eiser] een opdracht tot meerwerk heeft verstrekt. Zij voert aan dat zij de factuur van 10 maart 2009 nooit heeft ontvangen. Gelet evenwel op de concrete stellingen die [eiser] ten aanzien van dat meerwerk heeft ingenomen, in samenhang bezien met de hiervoor weergegeven verklaringen, waarin [B] en [C] concreet en gedetailleerd verklaren over de meerwerkfactuur, had het op de weg van [gedaagde] gelegen haar betwisting nader te onderbouwen. De enkele stelling dat zij die factuur niet heeft gezien is daartoe onvoldoende, te meer nu [gedaagde] niet heeft betwist dat [eiser] de werkzaamheden die vermeld worden op die meerwerkfactuur heeft verricht. [gedaagde] heeft ter zitting nog aangevoerd dat die werkzaamheden reeds besloten lagen in de oorspronkelijke overeenkomst, zoals het plaatsen van de meterkast. [eiser] heeft daar evenwel tegenover gesteld dat de werkzaamheden zoals vermeld in de meerwerknota zagen op wijzigingen, zoals het verplaatsen van de meterkast. Dit is vervolgens door [gedaagde] niet meer betwist. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat dit meerwerk is overeengekomen.

4.15.

Het ter zitting gevoerde verweer dat de in deze nota gefactureerde werkzaamheden al waren begrepen in de facturen die zijn gestuurd op basis van de oorspronkelijke overeenkomst van 1 oktober 2001 is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Ter zitting heeft [eiser] nader toegelicht dat de meerwerknota betrekking heeft op het plaatsen van een eikenhouten trap, het verplaatsen van de meterkast, werkzaamheden aan de cv installatie, herstelwerkzaamheden aan de dakkapel en de dakpannen, het plaatsen van een hardstenen dorpel en diverse werkzaamheden op de zolderetage. [gedaagde] heeft niet betwist dat die werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Verjaring

4.16.

[gedaagde] voert voorts ten verwere aan dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard. Zij heeft betoogd dat de overeenkomst met [eiser] moet worden gekwalificeerd als een consumentenkoop dan wel een gemengde overeenkomst, namelijk uit hoofde van aanneming van werk en van koop, waarvoor een verjaringstermijn van twee jaar geldt, waardoor de vorderingen uit 2003 volgens [gedaagde] al in 2005 zijn verjaard. Voor zover voor de vorderingen een verjaringstermijn van vijf jaar zou gelden, zijn de vorderingen in 2008 verjaard, aldus [gedaagde] , aangezien de procedure bij de RvA is beëindigd zonder dat het tot een toewijzing is gekomen. [gedaagde] heeft daarbij gewezen op artikel 3:316 lid 2 BW.

4.17.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat van een gemengde overeenkomst geen sprake is en dat een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Voorts heeft [eiser] gesteld dat de verjaring tijdig is gestuit, omdat [X] de vorderingen meerdere keren tijdens diverse gesprekken met [eiser] , in het bijzijn van getuigen, heeft erkend. Voorts verwijst [eiser] naar de e-mail van 24 februari 2014 van de heer [A] , die namens [eiser] de vordering op [gedaagde] heeft gestuit. Hij heeft daarbij ook aangevoerd dat de procedure bij de RvA is geëindigd in een schikking, inhoudende dat hij een aantal herstelwerkzaamheden zou verrichten, waarna zijn facturen alsnog betaald zouden worden.

4.18.

De rechtbank deelt niet het standpunt van [gedaagde] dat als gevolg van de intrekking van de procedure bij de RvA de vordering van [eiser] op [gedaagde] in 2008 is verjaard. Anders dan [gedaagde] lijkt te veronderstellen, vordert [eiser] niet nakoming van de aannemingsovereenkomst, maar nakoming van de afspraken die gemaakt zijn voorafgaand aan de intrekking van de procedure bij de RvA. Die afspraak tussen [gedaagde] en [X] enerzijds (betaling van de resterende aanneemsom) en [eiser] anderzijds (verrichten van herstelwerkzaamheden) moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom ook op deze vaststellingsovereenkomst – die blijkens hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht zag op herstelwerkzaamheden en niet ook op levering van zaken – de verjaringstermijn uit artikel 7:28 BW van twee jaar van toepassing zou zijn. Dat betekent dat voor deze vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 3:307 lid 1 BW een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in maart 2009 is dan ook een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar aangevangen.

4.19.

Ten aanzien van het meerwerk oordeelt de rechtbank dat ook daarvoor een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. De nadruk van de onder die overeenkomst te verrichten werkzaamheden ligt op de te verrichten arbeid en niet op eventueel ook mee geleverde zaken. Deze overeenkomst wordt dan ook aangemerkt als een aannemingsovereenkomst, waarvoor een verjaringstermijn van vijf jaren geldt, die eveneens is aangevangen in maart 2009.

4.20.

Voorts dient de vraag te worden beantwoord of die termijn is gestuit. [eiser] heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de verjaringstermijn is gestuit door de erkenning van [X] van de vorderingen van [eiser] op [gedaagde] en [X] . [eiser] heeft ter onderbouwing van dit betoog verwezen naar de verklaringen van [B] en [C] (hiervoor weergegeven onder 4.8 e.v.), die hebben verklaard dat op 2 februari 2011, 27 april 2011 en 1 maart 2013 gesprekken hebben plaatsgevonden tussen [eiser] en [X] , dat zij daarbij aanwezig waren, en dat zij [X] aan [eiser] hebben horen zeggen dat de vordering van [eiser] op [X] en [gedaagde] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst en de meerwerkovereenkomst zou worden betaald. Voorts hebben zij verklaard dat [eiser] de meerwerkfactuur bij zich had.

4.21.

[gedaagde] betwist dat een eventuele erkenning door [X] aan haar kan worden toegerekend. Voorts betwist zij – bij gebrek aan wetenschap – dat [X] de vorderingen heeft erkend. De rechtbank overweegt als volgt.

4.22.

Ingevolge artikel 3:318 BW stuit erkenning van het recht tot welke bescherming een rechtsvordering dient, de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent. De schuldenaar kan met zoveel woorden erkennen dat hij schuldig is, schriftelijk of mondeling, maar het is niet noodzakelijk dat de schuld uitdrukkelijk wordt erkend. Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring. Ook een gedraging van een derde kan een erkenning opleveren, indien de schuldenaar zodanige verantwoordelijkheid draagt voor die gedraging van de derde dat dit rechtvaardigt dat die als erkenning aan de schuldenaar wordt toegerekend. Het kan zijn dat die ander de schuldenaar vertegenwoordigde, maar vereist is dat niet (zie onder meer HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:755). De stelplicht en bewijslast van de onderbreking door stuiting door erkenning ligt bij [eiser] .

4.23.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de onder 4.8 e.v. genoemde schriftelijke verklaringen van 13 november 2016 een voldoende onderbouwing van de stelling van [eiser] dat [X] de schuld aan [eiser] heeft erkend. De verklaringen zijn concreet, in die zin dat de personen die de verklaringen hebben afgegeven duidelijk hebben weergegeven wanneer de gesprekken hebben plaatsgevonden, waar ze hebben plaatsgevonden, wie daarbij aanwezig was en wat [X] toen heeft verklaard. [gedaagde] heeft vervolgens niet gemotiveerd betwist waarom deze verklaringen niet op de waarheid zouden berusten.

4.24.

Voorts is de vraag aan de orde of de uitlatingen van [X] ook aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe wordt als volgt overwogen. De rechtbank sluit aan bij de jurisprudentie die ziet op de schijn van volmachtverlening (artikel 3:60 BW e.v.). Voor toerekening van schijn van volmachtverlening door de vertegenwoordigde (naast het geval van een verklaring of gedraging van de vertegenwoordigde) kan ook plaats zijn ingeval de wederpartij – in dit geval [eiser] – gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de gevolmachtigde ( [X] ) op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de principaal ( [gedaagde] ) komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (vgl. HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671). In dit geval is daarvan sprake. Daarvoor is het volgende redengevend. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden die [eiser] heeft uitgevoerd betrekking hadden op de gezamenlijke woning van [X] en [gedaagde] . Voorts heeft [X] in relatie tot [eiser] [gedaagde] vaker vertegenwoordigd, bijvoorbeeld doordat (uitsluitend) hij de overeenkomst heeft ondertekend en hij met [eiser] afspraken maakte over betalingen, zoals ook is gebeurd ten aanzien van de in 2001/2002 door [X] verrichte betalingen waar [gedaagde] zelf naar heeft verwezen (productie 22 in de procedure van de RvA). Daarnaast was [eiser] eerst en vooral een zakenrelatie van [X] . De gesprekken waarin in de schriftelijke verklaringen naar wordt verwezen hebben bovendien plaatsgevonden staande het huwelijk van [X] en [gedaagde] en ruimschoots voor de echtscheiding. In het licht van deze omstandigheden mocht [eiser] erop vertrouwen dat [X] ook namens [gedaagde] sprak op het moment dat hij [eiser] de toezegging deed [eiser] te zullen betalen. Dat betekent dat de verjaringstermijn – die in maart 2009 is aangevangen – door erkenning is gestuit, laatstelijk op 11 maart 2013. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de sommatiebrief die [A] namens [eiser] op 26 februari 2014 heeft verzonden eveneens stuitende werking toekomt. Vervolgens heeft [eiser] op 14 november 2016 de dagvaarding uitgebracht, waaraan eveneens stuitende werking toekomt. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering steeds tijdig is gestuit en het verjaringsverweer zal worden verworpen.

Hoofdelijkheid

4.25.

[eiser] heeft betoogd dat [gedaagde] hoofdelijk verbonden is jegens hem tot nakoming van de betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst van februari 2009 en ten aanzien van de meerwerknota van 10 maart 2009. De hoofdelijkheid vloeit volgens [eiser] voort uit het feit dat de vordering verband houdt met de verbouwing van de voormalige gezamenlijke woning van [X] en [gedaagde] . De rechtbank volgt [eiser] niet in dit betoog. Op grond van artikel 6:6 BW is in het geval een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd is, in beginsel ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. Artikel 1:85 BW bepaalt dat echtgenoten voor het geheel aansprakelijk zijn voor de door hen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen. De vaststellingsovereenkomst noch de meerwerkkosten kunnen als verbintenis ten behoeve van de gewone gang van de huishouding als bedoeld in artikel 1:85 BW worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is voorts dat partijen hoofdelijkheid zijn overeengekomen. Dat betekent dat [gedaagde] niet hoofdelijk verbonden is tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst en betaling van het meerwerk. De vordering van [eiser] is derhalve tot de helft toewijsbaar, te weten (€ 95.536,08/2=) € 47.768,04.

Wettelijke rente

4.26.

[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf 27 november 2002. [gedaagde] heeft de wettelijke rente betwist.

4.27.

Wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat de wederpartij in verzuim is. Nu [eiser] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [eiser] zou worden betaald op het moment dat de herstelwerkzaamheden zouden zijn verricht en er gelet op de brief van de RvA van 18 maart 2009, inhoudende dat de procedure zal worden geroyeerd, vanuit moet worden gegaan dat dit in ieder geval op die datum het geval was, is [gedaagde] op grond van artikel 6:83 sub a BW vanaf dat moment in verzuim. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen over € 47.768,04 met ingang van 18 maart 2009.

Buitengerechtelijke kosten

4.28.

De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke kosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in een aanmaning een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. De aanmaning van 24 februari 2014 voldoet daar in ieder geval niet aan. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

Beslagkosten

4.29.

De gevorderde beslagkosten zullen worden afgewezen, nu [eiser] geen beslagstukken in het geding heeft gebracht.

Proceskosten

4.30.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,17

- griffierecht 78,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief IV x € 894 per punt)

Totaal € 1.964,17

5 In het incident

5.1.

De uitkomst van de procedure in de hoofdzaak brengt mee dat het beslag niet onrechtmatig is gelegd. De vordering in het incident zal daarom worden afgewezen.

5.2.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gesteld partij in de kosten worden veroordeeld. Die kosten zullen evenwel worden begroot op nihil, nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] kosten heeft gemaakt.

6 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 47.768,04, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 18 maart 2009 tot de dag van volledige betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.964,17;

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het incident

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.