Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11663

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
NL18.11376
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Noordkoreaan.

Betekenis kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11376


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H. T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11377, plaatsgevonden op 12 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.S. Shim. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Noord-Koreaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 29 juli 2013 heeft eiser een eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 6 augustus 2013 afgewezen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 27 augustus 2013 (AWB 13/20401) eisers beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 augustus 2013 vernietigd. Bij uitspraak van 1 augustus 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201308118/1/V2, hierna: Afdeling) is deze uitspraak bevestigd. Verweerder heeft bij besluit van 26 mei 2016 de aanvraag opnieuw afgewezen. Deze rechtbank heeft op 22 november 2016 (AWB 16/12750) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft bij uitspraak van 22 december 2016 het door eiser ingestelde hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard (201609741/2/V2).

2. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag van 25 augustus 2017 ten grondslag gelegd dat niet van hem gevergd kan worden dat hij zich vestigt in Zuid-Korea. Zijn achtergebleven familie in Noord-Korea zal gevaar lopen als de Noord-Koreaanse overheid vaststelt dat eiser in Zuid-Korea is. Verweerder heeft in de vorige procedure ten onrechte gesteld dat eiser geen vooraanstaande positie heeft ingenomen in Noord-Korea en dat zijn familieleden aldaar om die reden geen gevaar zouden lopen. Eiser moet gezien zijn herkomst en zijn werk wel als waardevol voor de Noord-Koreaanse overheid worden beschouwd. Verweerder is eraan voorbij gegaan dat eiser afkomstig is uit [plaats] , een stad die deel uitmaakt van de Speciale Economische Zone [plaats] (hierna: [plaats] ). De gewone Noord-Koreaan kan daar niet zo maar wonen en werken. Eiser heeft als bouwkundige gewerkt voor het bouwbedrijf van de gemeente [plaats] , waar hij gewerkt heeft aan de opslagsilo’s voor raketten. Hij beschikt over relevante en gevoelige militaire informatie. Zijn familie neemt vooraanstaande posities in in de Noord-Koreaanse samenleving.

3. Bij besluit van 29 augustus 2017 heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij brief van 19 september 2017 heeft verweerder het besluit van 29 augustus 2017 ingetrokken.

4. In het thans bestreden besluit heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij door zijn herkomst uit [plaats] behoort tot de categorie van de voor de Noord-Koreaanse overheid waardevolle personen waardoor speciale aandacht van de Noord-Koreaanse autoriteiten naar eiser uit gaat. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser door zijn werkzaamheden over bijzondere informatie zou beschikken. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat zijn familieleden in Noord-Korea vooraanstaande posities bekleden of hebben bekleed. Verweerder heeft voorts verwezen naar het eerdere afwijzende besluit van 26 mei 2016 dat in rechte vaststaat.

5. Eiser bestrijdt dit standpunt. Eiser vindt bovendien dat de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is aangemerkt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Allereerst moet worden beoordeeld of verweerder van eiser kan vergen dat hij zich vestigt in Zuid-Korea omdat hij zich op het staatsburgerschap van dat land kan beroepen.

7. In de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 november 2013 (kenmerk DCM/MA-2013/257) onder punt 7 wordt vermeld dat in Noord-Korea verblijvende familie van overlopers negatieve gevolgen kunnen ondervinden bij vestiging in Zuid-Korea. Dit hangt vooral af van de status en het niveau van de overloper. Een hooggeplaatste of waardevolle overloper brengt zijn familie ernstiger in gevaar dan een

gewone burger. Het feit is echter dat er zoveel mensen vluchten dat het regime onmogelijk al hun familieleden kan straffen, ook wanneer de autoriteiten ontdekt hebben dat er mensen

gevlucht zijn.

8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling1 volgt uit deze brief dat de aandacht van Noord-Koreaanse spionnen in Zuid-Korea in het bijzonder is gericht op de categorie hooggeplaatste, dan wel voor het Noord-Koreaanse regime waardevolle personen in Zuid-Korea en dat voor hen het risico op ontdekking reëel en voorzienbaar wordt, waardoor familieleden van deze categorie personen ernstige gevolgen kunnen ondervinden als de desbetreffende persoon in Zuid-Korea wordt ontdekt.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn herkomst uit [plaats] een hooggeplaatst of waardevol persoon is. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser wel beschouwd kan worden als een bevoorrecht persoon maar dat dit niet maakt dat hij als hooggeplaatst kan worden aangemerkt. Niet zonder betekenis in dit verband acht de rechtbank dat eiser tijdens het nader gehoor in de vorige procedure zelf heeft verklaard dat zijn functie laag was2 en dat hij tijdens zijn eerste gehoor heeft verklaard dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt3. Dat de drie miljoen inwoners van de stad Pjongjang alle tot de elite zouden kunnen behoren en dat dit ook voor de 70.000 inwoners van [plaats] op zou kunnen gaan, gaat de rechtbank te ver. Verweerder heeft dit terecht als onvoldoende onderbouwing beschouwd.

10. Verweerder heeft voorts voldoende gemotiveerd dat niet gebleken is dat eiser door zijn werkzaamheden over specifieke militaire informatie zou beschikken waardoor hij waardevol voor de Noord-Koreaanse overheid zou zijn. Het betreft hier zijn betrokkenheid bij de bouw van een tunneldeel en opslagruimte voor raketonderdelen en torpedo’s. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie die aan de orde was in een uitspraak van 18 maart 2016 van de Afdeling waarop eiser een beroep heeft gedaan4, niet vergelijkbaar met die van eiser. In die uitspraak ging het om werkzaamheden in een wapenfabriek en was sprake van rechtstreekse betrokkenheid bij de productie van wapens.

11. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd of inzichtelijk heeft gemaakt dat een aantal familieleden in Noord-Korea hooggeplaatst is of waardevol voor de Noord-Koreaanse overheid.

12. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat eiser niet als hooggeplaatst of waardevol voor de Noord-Koreaanse overheid kan worden beschouwd. Het door eiser aangehaalde artikel van prof. dr. R. Breuker over de risico’s die vluchtelingen lopen bij vestiging in Zuid-Korea5 leidt niet tot een ander oordeel. De inhoud van deze brief werpt namelijk geen nieuw licht op het toegepaste criterium voor de beoordeling of vestiging in Zuid-Korea van de Noord-Koreaanse vreemdeling gevergd kan worden. Van belang acht de rechtbank verder dat eiser in zijn eerste asielprocedure het specifieke aspect van zijn bevoorrechte positie door zijn herkomst uit [plaats] en zijn gestelde bekendheid met militaire informatie niet naar voren heeft gebracht. De stelling van eiser dat hem hierover niets is gevraagd treft geen doel. Uit de gehoren tijdens de vorige procedure blijkt dat eiser over [plaats] en over zijn werk is bevraagd en de gelegenheid heeft gekregen om bijzonderheden daarover te vertellen.

13. De conclusie is dat eiser nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt dat het van hem niet kan worden gevergd dat hij zich in Zuid-Korea vestigt.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, aanhef en onder g, van de Vw. Het gaat bij eiser immers om een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank wijst erop dat altijd een volledig onderzoek naar een asielaanvraag dient plaats te vinden alvorens verweerder de keuze kan maken tussen het als ongegrond of kennelijk ongegrond afwijzen van de aanvraag (Kamerstuk 34088 nr. 3 Memorie van Toelichting). In zoverre is er verschil met de vereenvoudigde afdoening op grond van de Algemene wet bestuursrecht, die ziet op meer evidente situaties. De rechtbank is van oordeel dat verweerders keuze om eisers aanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen in lijn is met de motivering van het bestreden besluit. Ter zitting is door verweerder genoegzaam toegelicht dat de noodzaak van onderzoek naar bijzondere feiten of omstandigheden (de Bahaddar-toets, tegenwoordig opgenomen in artikel 31, zevende lid, van de Vw) reden was voor intrekking van het eerdere besluit van 29 augustus 2017 op de opvolgende aanvraag. Overigens is niet gesteld of gebleken dat sprake is van dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

19 juli 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 onder meer de uitspraak van 4 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1848

2 pagina 8 van het rapport van nader gehoor

3 pagina 6 van het rapport van eerste gehoor

4 ECLI:NL:RVS:2016:825

5 brief van 6 juli 2015 aan mr. Eikelboom