Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11654

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
AWB 18 / 3613
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf, medische behandeling. Doel en omstandigheden niet aangetoond, niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Ook geen geldig bewijs van garantstelling. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/3613

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 april 2018 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig P.H. Kerkhof (referente).

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 12 januari 2018 heeft eiser op de Nederlandse ambassade, te Accra, verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf. Hij wenst naar Nederland te komen voor een medische behandeling bij de Sint Maartenskliniek voor de periode van 21 januari 2018 tot en met 19 april 2018. Deze aanvraag is afgewezen en op 16 januari 2018 aan eiser bekend gemaakt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Ook heeft eiser niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken om in de kosten van het verblijf, levensonderhoud en de terugreis te voorzien. Daarnaast kan niet worden aangenomen dat eiser een zodanige sociale en economische binding met Gambia heeft dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is. Om die redenen wordt door verweerder getwijfeld aan de uiteindelijke verblijfsduur en de juistheid van het opgegeven verblijfsdoel1.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eiser voert aan dat verweerder zijn visumaanvraag ten onrechte heeft afgewezen, omdat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel heeft aangetoond. Dit betoog slaagt niet.

5. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, en onder ii, van de Visumcode, wordt een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij naar Nederland wenst te komen voor een behandeling bij de Sint Maartenskliniek, maar heeft hiervoor onvoldoende verifieerbare informatie overgelegd2. Uit de ingebrachte emailberichten van de Sint Maartenskliniek blijkt dat eiser op afspraak kan komen. Niet gebleken is dat er daadwerkelijk een medische behandeling zal plaatsvinden. Ook dient voor het ondergaan van een medische behandeling Nederland het meest aangewezen land te zijn. Uit de door eiser ingebrachte informatie blijkt dit niet. Dat in een verklaring van het Edward Francis Small Teaching Hospital, te Banjul, van 4 augustus 2016 vermeld staat dat eiser niet in Gambia geholpen kan worden en hij ‘overseas’ dient te gaan, maakt niet dat hiermee aangetoond is dat Nederland hiertoe het meest aangewezen land is. Ook is voornoemde verklaring van het ziekenhuis niet recent waardoor niet is aangetoond dat de benodigde medische behandeling op dit moment niet in Gambia mogelijk is.

7. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, en onder iii, van de Visumcode, wordt een visum geweigerd indien de aanvrager niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugkomst naar zijn land van herkomst of verblijf (…).

8. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond zelf over voldoende middelen van bestaan te beschikken om in zijn kosten voor verblijf en terugkeer te voorzien, alsmede in de kosten voor een medische behandeling. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser ook geen geldig bewijs van garantstelling heeft overgelegd als bedoeld in hoofdstuk A/4.7 van de Vc3. Aan de gestelde garantstelling door het bedrijf Jah Oil Company Limited, uit Gambia, vastgelegd in een Attestation van 14 november 2017, heeft verweerder niet ten onrechte geen waarde gehecht. Immers, alleen een in Nederland wonende solvabele derde kan zich garant stellen voor eiser. Dat eiser in beroep wel een gelegaliseerd bewijs van particuliere logiesverstrekking heeft ingebracht op naam van referente maakt dit niet anders. Uit dit document blijkt immers uitdrukkelijk dat zij zich niet garant heeft willen stellen voor de betaling van de kosten van het verblijf, de medische verzorging en repatriëring van eiser.

9. Omdat bovenstaande argumenten het bestreden besluit zelfstandig kunnen dragen, behoeft het door verweerder tegenwerpen van het ontbreken van voldoende sociale en economische binding met Gambia geen verdere bespreking meer.

10. Namens eiser is ten slotte aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Van het horen mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb4 worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank aan deze maatstaf voldaan.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de visumaanvraag op goede gronden is afgewezen en dat verweerder op goede gronden het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Artikel 32, eerste lid, onder a, ii, iii en onder b, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode)

2 Zie Bijlage II van de Visumcode. Niet-limitatieve lijst van bewijsstukken. De in artikel 14 bedoelde bewijsstukken die door visumaanvragers dienen te worden verstrekt kunnen onder meer zijn: A. Documenten waaruit het doel van de reis blijkt (punt 6.) voor reizen om medische redenen: een officieel document van de medische instelling waaruit blijkt dat medische behandeling in deze instelling noodzakelijk is en bewijs van voldoende financiële middelen om de behandeling te betalen.

3 Vreemdelingencirculaire 2000

4 Algemene wet bestuursrecht