Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11653

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
AWB 18 / 3233
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv nareis, Eritrea. Identiteit niet aangetoond. Feitelijke gezinsband kan hierdoor ook niet worden vastgesteld. Valse documenten ingebracht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/3233

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres,

gemachtigde: mr. R.E. Temmen,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 april 2018 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam 2] (referent) en Z. Hayle (tolk).

Overwegingen

  1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 5 april 2016 heeft referent, de gestelde echtgenoot van eiseres, namens haar een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Op 16 mei 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

  2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder ten eerste ten grondslag gelegd dat eiseres geen antecedentenverklaring heeft ingediend. Voorts heeft verweerder overwogen dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond, zodat zij reeds daarom niet in aanmerking komt voor een mvv. Omdat de identiteit van eiseres niet vast is komen staan, kan de feitelijke gezinsband tussen haar en referent evenmin worden vastgesteld. Bovendien zijn de door eiseres overgelegde geboorteakte, doopakte en kerkelijke huwelijksakte vals bevonden.

  3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  4. Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuw beoordelingskader voor nareisaanvragen. In de uitspraak van 16 mei 20181 heeft de Afdeling2 geoordeeld dat dit kader in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn3. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden.

5. Vast staat dat eiseres geen officiële documenten heeft overgelegd die haar identiteit kunnen aantonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij geen officiële documenten kan overleggen. De enkele verklaring van eiseres dat haar Eritrese identiteitskaart tijdens haar illegale uitreis uit Eritrea door de Rashayda bevolking is afgenomen, heeft verweerder als niet afdoende kunnen beschouwen. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de overige door eiseres ingebrachte documenten niet als indicatieve documenten voor het aantonen van haar identiteit kunnen worden aangemerkt. Uit de verklaring van onderzoek door Bureau Documenten van 5 april 2017 is immers gebleken dat deze allen vals zijn bevonden.

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres haar identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat daarmee de feitelijke gezinsband ook niet vast is komen te staan.

7. Namens eiseres is ten slotte aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Van het horen mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb4 worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank aan deze maatstaf voldaan.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2018:1508

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

3 Richtlijn 2003/86/EG

4 Algemene wet bestuursrecht