Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11623

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
C-09-529421-HA ZA 17-324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBDHA:2018:6825: Overheidsaansprakelijkheid. Staat aansprakelijk op grond van onrechtmatige rapportage door Raad voor de Kinderbescherming en deskundigen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/529421 / HA ZA 17-324

Vonnis van 19 september 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Sneller te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 april 2018;

  • -

    de akte van [eiseres] met producties 23 tot en met 42 van 16 mei 2018;

  • -

    de antwoordakte van de Staat van 12 juni 2018.

1.2.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] vordert thans, na wijziging van eis, voor zichzelf en namens haar zoon, naar de rechtbank begrijpt, samengevat, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat de Staat jegens [eiseres] en haar zoon [A]

aansprakelijk is voor alle schade die zij lijden, hebben geleden en nog zullen

lijden als gevolg van het onrechtmatig opgestelde en aan het gerechtshof

Amsterdam toegestuurde raadsrapport van 9 oktober 2012, en

- de Staat te veroordelen tot betaling van schadevergoeding tot een bedrag van

€ 24.648,00 of zoveel meer of minder als de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente.

- de Staat in de proceskosten te veroordelen.

2.2.

De Staat voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De verdere beoordeling

Stand van zaken

3.1.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht voor wat het oorspronkelijke rapport van de raad voor de kinderbescherming, hierna: de raad, van 9 oktober 2012 jegens [eiseres] en [A] , toewijsbaar is. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat in beginsel toewijsbaar is de schade die is geleden doordat [eiseres] het oorspronkelijke rapport heeft moeten bestrijden. De met de klachtprocedure bij de raad verband houdende kosten en de kosten gemoeid met de eerste tuchtprocedure komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Met de eerste tuchtprocedure is bedoeld de procedure die [eiseres] heeft gevoerd bij het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen en het College van Beroep van het Nederlands Instituut van Psychologen (zie rov. 2.18 tot en met 2.21 van het tussenvonnis). De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat het in redelijkheid gemaakte kosten moet betreffen. Teneinde de schade in deze procedure te kunnen begroten heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld bij akte (alleen) de kosten gemoeid met de bestrijding van het oorspronkelijke rapport en de kosten gemoeid met de eerste tuchtprocedure te specificeren en met bewijsstukken te onderbouwen. De Staat mocht hierop bij akte reageren.

Begroting van de schade

3.2.

De rechtbank zal nu beoordelen welke schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen.

3.3.

[eiseres] heeft bij akte gesteld als zelfstandige te werken in haar onderneming [X] . Met die onderneming behaalde zij voor de geboorte van [A] , in 2008, een omzet van € 25.706,55. [eiseres] heeft als gevolg van de uren die zij in de procedures heeft moeten steken vele uren minder kunnen werken als zelfstandige. [eiseres] heeft de door haar gemaakte uren en kosten per procedure als volgt gespecificeerd:

A. Uren door [eiseres] besteed aan klachtenprocedures en

consulten (119 uren à uurtarief van € 55,-) € 6.545,00

B. Kosten consulten klachtenprocedures € 325,00

C. Reiskosten van [eiseres] m.b.t. klachtenprocedures € 31,00

D. Uren door [eiseres] besteed aan tuchtrechtelijke procedures

tegen de gedragskundige

(311 uren à uurtarief van € 55,-) € 17.105,00

E. Kosten consulten tuchtrechtelijke procedures + reiskosten € 304,80

van therapeut

F. Reiskosten van [eiseres] m.b.t. tuchtrechtelijke procedures € 48,60

G. Porti € 63,60

H. Materiaalkosten papieren/cartridges/ordners € 225,00

I. Wettelijke rente € p.m.

Totaal € 24.648,00

Voor sommige handelingen heeft [eiseres] vijf uur gerekend omdat die dag een gesprek of zitting gepland stond en [eiseres] geen andere werkzaamheden kon inplannen omdat niet vaststond hoe lang het gesprek of de zitting ging duren. Als een zitting of gesprek langer duurde dan vijf uren heeft [eiseres] die uren gemaximeerd op vijf uren omdat zij doorgaans niet langer dan vijf uren per werkdag declarabele werkzaamheden uitvoert. [eiseres] hanteert een uurtarief van € 55,00.

3.4.

De Staat heeft het gestelde gemotiveerd bestreden.

Schadeposten A en D

3.5.

De rechtbank neemt de posten A en D samen, nu deze allebei de vergoeding van door [eiseres] zelf ten behoeve van de klachtprocedure en de tuchtprocedures gemaakte uren betreffen. Onder A heeft [eiseres] vergoeding gevorderd van de uren die zij heeft besteed aan de interne en de externe klachtenprocedure van de raad. Zij betoogt dat de gevorderde uren in schril contrast staan met de daadwerkelijk door haar gemaakte uren. In de klachten-procedures heeft [eiseres] 119 uur besteed aan gesprekken met de raad, informatie inwinnen, protocollen doornemen, opstellen klachtbrief, zitting externe klachtencommissie, voorbereiden op zittingen, consulten met en coaching door psychiaters ( [psychiater 1] en [psychiater 2] ) en coach/therapeut ( [de coach/therapeut] ). Onder D heeft [eiseres] vergoeding gevorderd van de door haar gemaakte uren ten behoeve van een tweetal, tegen de gedragsdeskundige gevoerde, tuchtprocedures, te weten: bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg en, in hoger beroep, bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (nr. 15 en 16 van de akte) en bij het College van Toezicht van het Nederlands Instituut voor Psychologen en, in hoger beroep, bij het College van Beroep van het Nederlands Instituut voor Psychologen (nr. 17 en 18 van de akte). Aan de eerstgenoemde tuchtprocedure heeft [eiseres] 181 uren besteed en aan de daarna genoemde tuchtprocedure 130 uren. Tot zover het betoog van [eiseres] .

3.6.

De Staat heeft ten verwere primair betoogd dat, ook als de door [eiseres] gestelde werkzaamheden kunnen worden aangenomen en indien deze voorts werden gerechtvaardigd door de bezwaren die zij had tegen onderdelen van het raadsrapport, het tijdsbeslag met deze werkzaamheden gemoeid niet tot het derven van inkomsten als zelfstandige heeft geleid, althans heeft hoeven leiden. Subsidiair acht de Staat de door [eiseres] gevorderde uren bovenmatig. De gevorderde vergoeding moet substantieel worden gematigd, ook als wordt aangenomen dat [eiseres] geen ervaring heeft met het voeren van klacht- en tuchtprocedures en dat zij daaraan meer tijd heeft moeten besteden dan zou hebben gegolden voor een advocaat. Er bestaat onvoldoende grond om de Staat de tijd te laten vergoeden die [eiseres] heeft besteed om zich te laten coachen voor zittingen van de externe klachtencommissie van de raad en het College van Beroep. Het is onredelijk om met tijdseenheden van vijf uren te rekenen omdat [eiseres] geen andere werkzaamheden kon inplannen, in verband met de beperkte omvang van haar werkzaamheden. Bovendien komen de kosten die [eiseres] onder D heeft gevorderd in verband met een andere, eerder onvermeld gebleven tuchtprocedure bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, niet voor vergoeding in aanmerking. Tot zover het verweer van de Staat.

3.7.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] heeft geen door een accountant opgestelde jaarstukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid hoeveel uren zij als zelfstandige werkte in haar onderneming voorafgaand aan het opstellen van het oorspronkelijke raadsrapport op 9 oktober 2012 en daarna. Uit de wel in het geding gebrachte, mogelijk door [eiseres] zelf opgestelde, financiële gegevens, leidt de rechtbank af dat [eiseres] in haar onderneming in de jaren 2012-2015 de volgende omzetten heeft behaald:

in 2012: € 6.348,11, in 2013: € 5.593,40, in 2014: € 5.165,14 en in 2015 € 6.368,65. Deze omzetten bedragen gemiddeld € 5.863,83 per jaar. Bij het door [eiseres] gestelde, gehanteerde uurtarief van € 55,- heeft [eiseres] in de genoemde periode gemiddeld 106,7 uur per jaar als zelfstandige gewerkt, of wel 8,9 uur per maand, hetgeen bij 22 werkdagen per maand resulteert in 0,4 uur per werkdag. Uit de door [eiseres] overgelegde stukken volgt verder dat zij hiernaast circa 5 uur per week in loondienst werkte bij […] B.V.

3.8.

Uit artikel 6:95 e.v. van het Burgerlijk Wetboek volgt dat niet reeds de omstandigheid dat [eiseres] uren heeft besteed aan klacht- en tuchtprocedures leidt tot vermogensschade die aan haar moet worden vergoed. Slechts in het geval die tijdsbesteding heeft geleid tot inkomensvermindering (geleden verlies of gederfde winst) komt deze in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Aan deze eis is in dit geval niet voldaan. Aangenomen dat [eiseres] de gestelde uren daadwerkelijk aan het voeren van de klachtprocedure tegen de raad en de eerste tuchtprocedure heeft besteed, kon van haar in redelijkheid worden verlangd die werkzaamheden zoveel mogelijk om haar werkzaamheden als zelfstandige (en haar dienstverband) heen te plannen, dan wel haar werkzaamheden als zelfstandige te verzetten naar een moment dat zij die wel kon uitvoeren. Daarom moet worden aangenomen dat deze werkzaamheden niet hebben geleid, dan wel niet hadden hoeven leiden tot gederfde inkomsten.

3.9.

Zelfs als er hypothetisch van zou worden uitgegaan dat [eiseres] , zonder het oorspronkelijke rapport, na de geboorte van [A] in staat zou zijn geweest hetzelfde te verdienen als voordien, dan houdt deze redenering stand. Immers, zij heeft gesteld in 2008

€ 25.706,55 te hebben omgezet. Daaruit volgt dat zij toen, bij een uurtarief van € 55,00, op jaarbasis 467 uur als zelfstandige heeft gewerkt. Uitgaande van 22 werkdagen per maand komt dit neer op gemiddeld 1,77 uur per werkdag. Ook in dat geval had van haar in redelijkheid mogen worden verlangd haar werkzaamheden ten behoeve van de klacht- en tuchtprocedures zoveel mogelijk om haar werkzaamheden als zelfstandige (en haar dienstverband) heen te plannen, dan wel de werkzaamheden als zelfstandige te verzetten naar een moment waarop zij die wel kon uitvoeren. De schadeposten onder A en D moeten hierom worden afgewezen. Hetgeen de Staat verder naar voren heeft gebracht kan onbesproken blijven.

Schadeposten B en E

3.10.

Ook de posten B en E zullen gezamenlijk worden behandeld, aangezien deze posten zien op de kosten gemaakt ten behoeve van consulten in de klachtprocedure en de tuchtprocedures. [eiseres] heeft zich, in verband met het in het oorspronkelijke rapport over haar gemoedstoestand gestelde, genoodzaakt gezien zich tot een psychiater ( [psychiater 2] ) te wenden. Zij heeft zich voorts gewend tot therapeut [de coach/therapeut] voor advies en coaching. Inzake de schadepost onder B heeft [eiseres] betoogd (akte onder 7, 14 en ad B, met overlegging van productie 28) dat zij tijdens het consult van 1 november 2012 samen met therapeut/coach [de coach/therapeut] het raadsrapport heeft doorgenomen. Naar aanleiding van onjuiste conclusies en stellingen van de raad met betrekking tot de psychische gesteldheid van [eiseres] en de samenwerking tussen de ouders onderling, heeft [de coach/therapeut] op 4 november 2012 een verklaring afgegeven die [eiseres] vervolgens aan de raad heeft gestuurd. Met betrekking tot de schadepost onder E heeft [eiseres] aangevoerd dat zij is gecoacht door [de coach/therapeut] ter voorbereiding van de zitting van 30 oktober 2015 bij het College van Beroep van het Nederlands Instituut voor Psychologen. [de coach/therapeut] is als vertrouwenspersoon meegegaan naar de zitting van dat college (akte onder 14 en 18 en ad E, met overlegging van productie 41). De consulten bij psychiater [psychiater 1] zijn aan [eiseres] vergoed en die met [psychiater 2] en [de coach/therapeut] niet. Daarom vordert zij vergoeding van de kosten van twee consulten bij [psychiater 2] à € 180,00, van vijf consulten bij [de coach/therapeut] à in totaal € 449,80 (prod. 28 en 41) waarin tevens zijn begrepen de bij haar in rekening gebrachte reiskosten van [de coach/therapeut] à € 14,80 die [de coach/therapeut] heeft gemaakt in verband met de zitting van het College van Beroep van het Nederlands Instituut voor Psychologen. Tot zover [eiseres] .

3.11.

De Staat heeft bezwaar gemaakt tegen door [eiseres] in rekening gebrachte kosten van de consulten, omdat deze consulten niet, althans niet geheel, bedoeld zijn geweest om een deskundig standpunt in te winnen over de verwijtbaarheid van onderdelen van het raadsrapport. Voor zover zij daarvoor niet bedoeld zijn komen zij niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten van coaching door [de coach/therapeut] , ook op de zitting van het College van Beroep van het Nederlands Instituut voor Psychologen, komen niet voor vergoeding in aanmerking. [eiseres] heeft verder, tegenover de betwisting door de Staat, geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat zij voor de intake en het consult met [psychiater 2] aan hem heeft moeten betalen, zodat haar vordering reeds hierom in zoverre moet worden afgewezen, aldus de Staat.

3.12.

Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. Naast gederfde inkomsten komen in beginsel, voor zover van belang, voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust mocht worden verwacht en redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 BW). [eiseres] heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen om [de coach/therapeut] in te schakelen om zo het oorspronkelijke rapport te bestrijden en zich in de eerste tuchtprocedure te verweren. Ook de keuze om zich hierbij door [de coach/therapeut] te laten coachen is niet onredelijk, gegeven de omstandigheid dat [eiseres] tegenover de raad haar standpunt over het voetlicht moest zien te krijgen en dat tot op dat moment was mislukt. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de door [de coach/therapeut] in rekening gebrachte consulten hierop betrekking hebben. Begrijpelijk is evenzeer dat [eiseres] ervoor heeft gekozen om [de coach/therapeut] mee te nemen naar de zitting van het College van Beroep van het Nederlands Instituut van Psychologen. Het gaat immers om een procedure waarin geen verplichte rechtsbijstand is voorgeschreven en waarvan de uitkomst voor [eiseres] van groot belang was. De door [de coach/therapeut] aan [eiseres] hiervoor in rekening gebrachte kosten komen bovendien alleszins redelijk voor. De vordering van [eiseres] is in zoverre, tot een bedrag van € 449,80, toewijsbaar.

3.13.

[eiseres] heeft, tegenover de betwisting door de Staat, geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat zij voor de intake en het consult met [psychiater 2] aan hem heeft moeten betalen, zodat haar vordering in zoverre reeds hierom moet worden afgewezen.

Schadeposten C en F

3.14.

De Staat heeft gesteld geen commentaar te hebben op de onder C en F opgegeven reiskosten, zodat de vordering in zoverre als onweersproken tot een bedrag van (€ 31 +

€ 48,60 =) € 79,60 zal worden toegewezen.

Schadeposten G en H

3.15.

Over de onder G gevorderde porti en de onder H gevorderde materiaalkosten heeft de Staat zich niet uitgelaten. Nu deze kosten de rechtbank niet onredelijk hoog voorkomen en zij in voldoende verband staan met de vastgestelde onrechtmatigheid zal het gevorderde bedrag van € 288,60 worden toegewezen.

Wettelijke rente

3.16.

De Staat heeft evenmin gereageerd op de gevorderde wettelijke rente. Deze zal worden toegewezen, telkens vanaf het moment waarop [eiseres] de bewuste kosten heeft gemaakt.

Slotsom

3.17.

Dit betekent dat de vordering tot schadevergoeding voor wat betreft de door [eiseres] gemaakte kosten zal worden toegewezen tot een bedrag van (€ 449,80 + € 79,60 +

€ 288,60 =) € 818,00, vermeerderd met de wettelijke rente als voormeld, en voor het overige zal worden afgewezen. De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht zal in zoverre worden toegewezen, dat de onrechtmatigheid wordt vastgesteld van de gewraakte passage in het oorspronkelijke raadsrapport zelf en van de totstandkoming van die passage. Nu de door die onrechtmatigheid veroorzaakte schade in deze procedure geheel is begroot en deze schade geheel wordt toegewezen, kan het deel van de verklaring voor recht dat betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de Staat immers achterwege blijven.

Proceskosten

3.18.

De gevorderde verklaring voor recht zal op de hierna vermelde wijze worden toegewezen. De Staat zal tevens worden veroordeeld voormeld bedrag aan schadevergoeding aan [eiseres] te voldoen. Daarom zal de Staat, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden veroordeeld. [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt de Staat veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, de verschotten en ten slotte tot vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.

3.19.

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden aldus tot op heden begroot op

€ 78,00 aan griffierecht en € 1.357,50 aan salaris advocaat (liquidatietarief II, 2,5 punt à

€ 543,00 per punt), dus € 1.435,50 in totaal.

3.20.

De kostenveroordeling zal, als gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart voor recht dat het aan het gerechtshof Amsterdam verstrekte, oorspronkelijke raadsrapport van 9 oktober 2012 onzorgvuldig (tot stand gekomen) is wat betreft de passage waarin [eiseres] geadviseerd wordt hulpverlening voor zichzelf in te schakelen en dat dit onrechtmatig is jegens [eiseres] en haar zoon [A] ;

4.2.

veroordeelt de Staat tot de betaling van schadevergoeding aan [eiseres] tot een bedrag van € 818,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop [eiseres] de bewuste kosten heeft gemaakt;

4.3.

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.435,50;

4.4.

verklaart het onder 4.2 en 4.3 opgenomene uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. M.J. Alt-van Endt en mr. W.A. van Osch en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.