Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11618

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
C/09/560217 / KG ZA 18/978
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser, die is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar, wil strafonderbreking om bij bevalling partner te kunnen zijn. Selectiefunctionaris heeft verzoek daartoe afgewezen. Die beslissing is volgens de voorzieningenrechter niet evident onredelijk. Vordering om alsnog strafonderbreking te krijgen wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0776
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/560217 / KG ZA 18/978

Vonnis in kort geding van 25 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

verblijvende in P.I. [locatie] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. mr. S.E.C. Veldhof te Goes,

tegen:

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Justitie en Veiligheid, meer specifiek de Divisie Individuele Zaken,

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. T.I. ten Kroode te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 24 september 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 25 september 2018 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 26 september 2018.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is bij arrest van 6 juni 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar voor het medeplegen van poging tot moord en poging tot doodslag. Deze uitspraak is onherroepelijk. De datum van voorwaardelijke invrijheidstelling ligt vooralsnog op 25 maart 2024.

2.2.

De partner van [eiser] , mevrouw [A] (hierna: [A] ) is zwanger. Haar uitgerekende datum is [datum] . In een “medisch attest” van 4 juni 2018 van een “staflid Hematologie” van Universiteitsziekenhuis […] staat, voor zover nu relevant, vermeld:

“(…)

In de familie van deze patiënte is een erfelijke thrombofilie gekend, (…).

Bij haarzelf is ook een persisterend verhoogde waarde van F VIII=200% gekend. Zijzelf heeft nog geen thrombosen doorgemaakt.

Omwille van herhaalde miskramen krijgt zij nu tijdens haar zwangerschap en tot 6 weken na de bevalling een preventieve behandeling met LMWH om thrombosen te vermijden (…).

(…)”

2.3.

Op 13 juni 2018 heeft [eiser] een verzoek tot strafonderbreking op grond van artikel 34 en verder van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: Rtvi) ingediend om bij de geboorte van zijn kind te kunnen zijn en om [A] bij de bevalling en in de periode na de bevalling te kunnen begeleiden en ondersteunen. [eiser] heeft in zijn verzoek gesteld dat de zwangerschap van [A] zich kenmerkt door verhoogde risico’s (verhoogd tromboserisico), zorgen en stress. Volgens [eiser] maakt de erfelijke trombofilie dat de zwangerschap veel van [A] vergt, terwijl [A] niet beschikt over een netwerk dat haar voldoende kan ondersteunen.

2.4.

Naar aanleiding van het verzoek tot strafonderbreking van [eiser] heeft de Medisch adviseur van de Dienst Justitiële Inrichtingen bij brief van 12 juli 2018 (op basis van brieven van de hematoloog van 3 april 2018, 11 mei 2018 en 4 juni 2018, verslag echoscopisch onderzoek van 16 mei 2018 en aanvraag prenatale diagnostiek van een verloskundige van 25 mei 2018) bericht dat er geen medische noodzaak voor strafonderbreking bestaat. De onderbouwing van dit advies is, kort samengevat, dat er geen aanwijzingen zijn dat [A] medisch gezien extra zorg nodig heeft voor en na de bevalling.

2.5.

Naar aanleiding van het verzoek tot strafonderbreking van [eiser] heeft de “Operationeel Expert GGP wijkagent” van de Politie Zeeland-West-Brabant, District Zeeland per e-mail van 21 augustus 2018 geadviseerd negatief te beslissen op het verzoek. Als reden hiervoor wordt gegeven dat de voorgestelde verblijfplaats van [eiser] (op het woonadres van [A] ) gelegen is tegenover het winkelcentrum dat regelmatig wordt bezocht door slachtoffers van het schietincident waarvoor [eiser] is veroordeeld. Hierdoor is het risico op een confrontatie tussen [eiser] en die slachtoffers reëel aanwezig. Verder wordt verwezen naar de beslissing in een procedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (waarin recent vervolging van een medeverdachte is bevolen, hierna: de artikel 12 procedure), die voor onrust in [plaats 2] kan zorgen, waardoor de veiligheid van de slachtoffers nog meer in het geding komt. In de e-mail staat verder vermeld dat als het verlof wordt toegekend dat dan in ieder geval elektronisch toezicht door middel van een enkelband en huisarrest op het adres van [A] worden geadviseerd.

2.6.

De Reclassering heeft op 23 augustus 2018 geadviseerd naar aanleiding van het verzoek tot strafonderbreking van [eiser] . De Reclassering stelt geen inschatting te kunnen maken voor wat betreft de risico’s ten aanzien van het slachtoffer, [eiser] en de openbare orde en veiligheid. De Reclassering wijst er op dat het gedrag van [eiser] binnen detentie over het algemeen goed te noemen is. De Reclassering concludeert dat het verlof niet uitvoerbaar is, als er een aanwijsbaar te beschermen slachtoffer met hoog risico is. Dit omdat het “verbodengebied rondom het adres van het slachtoffer” minimaal een straal van vijf kilometer moet zijn. Alleen als er geen aanwijsbaar te beschermen slachtoffer is, is een locatiegebod met elektronische controle mogelijk, waarbij [eiser] zich tijdens de strafonderbreking moet bevinden in de woning van [A] , in het ziekenhuis of de (aangewezen) weg daartussen.

2.7.

Naar aanleiding het verzoek tot strafonderbreking heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) op 4 september 2018 een negatief advies uitgebracht, in verband met risico voor een ongestoord verlof als gevolg van ernstige spanningen in de woon- of leefsfeer van [A] , risico van ongewenste confrontatie met slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij het door [eiser] gepleegde misdrijf en het risico van maatschappelijke onrust. Bij de toelichting op deze gronden is verwezen naar de zeer ernstige gevolgen voor de slachtoffers, de vrees bij de familie voor vervolgacties, het zeer langdurige strafrestant, de (in de kleine gemeenschap van [plaats 2] ) nadrukkelijk aanwezige kans op confrontaties met slachtoffers/familie (waarbij een deel van de slachtoffers/familie op enkele straten afstand woont) en op het feit dat de uitkomst van de artikel 12 procedure mogelijk reacties bij “verdachte en medeverdachte” oproept.

2.8.

Bij brief van 6 september 2018 heeft de selectiefunctionaris, namens de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de selectiefunctionaris) het verzoek van [eiser] tot strafonderbreking afgewezen. In de brief staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Slechts in zeer bijzondere gevallen is verlenen van strafonderbreking mogelijk.

(…)

Ik wijs uw verzoek tot strafonderbreking af omdat er geen medische noodzaak tot het verlenen van een strafonderbreking aanwezig is. Ik baseer dit op het advies van de medische adviseur bij DJI (IMA).

Uw partner krijgt alle nodige zorg en daarnaast is kan reguliere zorg georganiseerd worden.

Mocht deze noodzaak tot een strafonderbreking wel zijn aangetoond was uw aanvraag afgewezen op grond van;

- Ongewenste slachtofferconfrontatie

- Ernstige spanningen die een verlof zal veroorzaken bij slachtoffers en de gemeenschap in [plaats 2]

- Onduidelijkheid over risico’s zoals recidiverisico, risico op onttrekken aan de voorwaarden en risico op letselschade bij derden

- Risico tot onttrekking aan detentie vanwege uw lange strafrestant van meer dan 5 en een half jaar en een

- Onaanvaardbaar verblijfadres. Ik acht het verblijfadres te dicht in de buurt van de slachtoffers (nabestaanden).

(…)”

2.9.

[eiser] heeft op 12 september 2018 beroep ingesteld tegen de beslissing van de selectiefunctionaris bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). Op dit beroep is nog niet beslist.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf met onmiddellijke ingang op te schorten voor de duur van zes weken, althans voor de duur van de beroepsprocedure bij de RSJ, althans voor een in goede justitie door de voorzieningenrechter vast te stellen periode, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De negatieve beslissing op het verzoek strafonderbreking is onzorgvuldig tot stand gekomen, geeft blijk van een onzorgvuldige en onvolledige belangenafweging en is onvoldoende gemotiveerd. Dat is strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. [eiser] lijdt hierdoor schade, omdat hij de bevalling van [A] en de geboorte van zijn kind niet kan bijwonen. Deze onrechtmatige gedragingen kunnen aan de Staat worden toegerekend. [eiser] heeft spoedeisend belang bij de gevorderde ordemaatregel, omdat [A] op [datum] is uitgerekend. Hij kan ook worden ontvangen in zijn vordering, omdat hem geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, aldus nog steeds [eiser] .

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in kort geding fungeert als ‘restrechter’ in alle zaken met een spoedeisend karakter. Als er een andere aangewezen rechter of speciale rechtsgang is die voldoende rechtsbescherming biedt, is de weg naar de voorzieningenrechter in kort geding in beginsel afgesloten. Dit is het geval als in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, waarin de eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (vlg. Hoge Raad 16 maart 1990, NJ 1990, 500).

4.3.

In dit geval staat tegen de beslissing van de selectiefunctionaris beroep open bij de RSJ. [eiser] heeft die beroepsmogelijkheid ook benut. In beginsel is die procedure bij de RSJ een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang die de weg naar de burgerlijke rechter afsluit, tenzij [eiser] in die procedure niet een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken. De RSJ kent voor onderhavige situatie echter geen spoedprocedure en op het verzoek van [eiser] om een versnelde behandeling van zijn beroep heeft hij geen reactie gekregen waaruit af te leiden was wanneer de RSJ een beslissing zal nemen. Ter terechtzitting heeft de Staat verklaard dat hem uit telefonisch navraag bij de RSJ voorafgaand aan de zitting gebleken is dat de RSJ het beroep van [eiser] versneld behandelt en naar verwachting nog deze week uitspraak doet. Het antwoord op de vraag of [eiser] gelet hierop en gezien de datum waarop [A] is uitgerekend ontvankelijk is in zijn vordering kan in het midden blijven, nu ook een inhoudelijke beoordeling niet tot toewijzing van het gevorderde kan leiden. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

4.4.

Ingevolge artikel 34 en 36 Rtvi kan strafonderbreking worden verleend voor het bijwonen van de bevalling van de levenspartner van de gedetineerde, indien sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat niet kan worden volstaan met een andere vorm van verlof. Hieruit volgt, zoals de Staat terecht stelt, dat de selectiefunctionaris een grote mate van beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid heeft bij het wel of niet toekennen van strafonderbreking. De beslissing van de selectiefunctionaris kan in dit kort geding slechts terughoudend worden getoetst en voor toewijzing van de vordering is slechts ruimte als de beslissing van de selectiefunctionaris evident onredelijk is. Daarvan is geen sprake.

4.5.

Op grond van artikel 4 aanhef en sub a, f g en i Rtvi wordt strafonderbreking geweigerd als – voor zover nu relevant – er sprake is van:

a. een ernstig vermoeden dat de gedetineerde zal proberen zich aan detentie te onttrekken;

f. risico voor een ongestoord verlof als gevolg van ernstige spanningen in de woon- of leefsfeer van de te bezoeken persoon;

g. risico van ongewenste confrontatie met slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij het door de gedetineerde gepleegde misdrijf;

i. risico van maatschappelijk onrust.

4.6.

De selectiefunctionaris heeft voorafgaand aan zijn beslissing advies ingewonnen bij – onder andere – de politie en het OM. Deze instanties hebben negatief geadviseerd over het te verlenen verlof. Het OM heeft daarbij uitdrukkelijk verwezen naar voornelde weigeringsgronden sub f, g en i. Uit het advies van de politie valt af te leiden dat volgens haar in elk geval weigeringsgronden sub g en i aanwezig zijn. Hoewel eiser zich in deze adviezen niet kan vinden, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding waarom de selectiefunctionaris zich niet op deze adviezen heeft mogen baseren. Dat de adviezen evident onjuist zijn, is niet gebleken. Nu de selectiefunctionaris zich op deze adviezen heeft gebaseerd – hetgeen ook blijkt uit de brief van 6 september – en nu de weigeringsgronden in artikel 4 Rtvi dwingend zijn voorgeschreven, is de beslissing om de strafonderbreking te weigeren niet ongemotiveerd, onjuist of onzorgvuldig. Reeds gelet hierop is de beslissing van de selectiefunctionaris niet evident onredelijk als onder 4.4. bedoeld. Hier komt nog bij dat de Staat zich zonder meer – gezien de aard van het delict, de aanwezigheid van slachtoffers in de nabije omgeving van het verlofadres (en daarmee het risico op slachtofferconfrontatie) en het langdurige strafrestant – op het standpunt kan stellen dat strafonderbreking uitsluitend onder bewaking of begeleiding kan plaatsvinden. Voor zover die bewaking/begeleiding al vorm zou kunnen krijgen door middel van elektronisch toezicht, biedt dat middel in dit geval geen soelaas omdat het verlofadres zich binnen vijf kilometer van het adres van de slachtoffers bevindt. Hierdoor kan de politie niet tijdig reageren als [eiser] zich niet aan het gebiedsgebod houdt. Bewaking en begeleiding kan vanwege de door [eiser] gewenste duur van het verlof en vanwege het doel van het verlof in dit geval in redelijkheid niet anderszins (in de zin van persoonlijke bewaking/begeleiding) worden ingevuld.

4.7.

De medische situatie van [A] maakt het vorenstaande niet anders. Uit het advies van de medisch adviseur volgt dat er geen medische indicatie is voor de strafonderbreking, omdat de zwangerschap van [A] ongestoord verloopt. De Staat heeft terecht gesteld dat niet gebleken is dat [A] medisch gezien extra zorg nodig heeft voor of na de bevalling en evenmin dat zij geen hulp van derden kan krijgen. De enkele omstandigheid dat de ouders van [A] die hulp niet kunnen bieden is daarvoor ontoereikend.

4.8.

[eiser] heeft ook nog gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn goede gedrag in detentie en met de belangen van hemzelf en van het kind. Hoewel dat belang van [eiser] evident is, maakt dat het vorenstaande niet anders, reeds gezien de in de Rtvi dwingend voorgeschreven weigeringsgronden. Bovendien is [eiser] veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf en daaraan is inherent dat hij bepaalde, belangrijke gebeurtenissen – zoals de bevalling van zijn partner – niet kan bijwonen. Als de selectiefunctionaris binnen de hem gegeven kaders oordeelt dat de detentie niet kan worden onderbroken, maakt enkel het zwaarwegende belang van [eiser] en eventuele derden bij de strafonderbreking die beslissing van de selectiefunctionaris niet onredelijk of onrechtmatig.

4.9.

Slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

- bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

idt