Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
09/842115-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Jeugdstrafrecht, begrijpelijke taal"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/842115-17

Datum uitspraak: 2 augustus 2018

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft dit vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

GBA-adres: [adres 1] , [postcode] [plaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op de zitting van 19 juli 2018 behandeld.

De rechtbank heeft gehoord wat de officier van justitie mr. L. van der Leeuw heeft gevraagd en ook wat door de raadsman van de verdachte mr. A. van Rijn is gezegd.

2 De tenlastelegging

De verdachte wordt verdacht van het plegen van de feiten die in een bijlage bij dit vonnis staan (bijlage 1).

Die feiten zijn driemaal een diefstal, met of zonder geweld, en eenmaal een diefstal met geweld die ook ten laste is gelegd als afpersing.

3. Standpunten en beoordeling 1

3.1

Feit 1

Diefstal met geweld of diefstal op 2 november 2015

De [aangever 1] heeft aangifte gedaan van diefstal. Hij heeft verklaard dat hij op 2 november 2015 in Den Haag was en dat hij zag dat de verdachte zijn telefoon uit zijn hand pakte en ermee wegrende. In de bijlage bij de aangifte staat dat het gaat om een Samsung Galaxy S5.2

Er zijn twee getuigen, [getuige 1] en [getuige 2] , die bij de politie hebben verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte op die dag de telefoon uit de hand van de aangever trok of pakte. 3

3.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd bewezen te verklaren dat de verdachte door de telefoon uit de handen van de aangever te trekken zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Het geweld bestaat uit het uit de handen trekken van de telefoon.

3.1.2

Het standpunt van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft gezegd dat de verdachte pas 19 maanden later is gehoord en dat ook de getuigen pas lange tijd na het feit zijn gehoord. Hij vindt dat de verklaringen daarom niet bruikbaar zijn. Het is volgens de raadsman ook niet duidelijk of de [getuige 1] de verdachte wel kent.

Bovendien heeft de verdachte ontkend.

De raadsman vraagt dus vrijspraak van dit feit.

3.1.3

De oordeel door de rechtbank

De [getuige 1] is op 4 april 2016 door de politie gehoord, vijf maanden na het feit dus. De rechtbank vindt dat zijn verklaring niet onbruikbaar is geworden door het tijdsverloop. Deze getuige heeft verklaard dat hij zag dat [verdachte] de telefoon uit de hand van de aangever trok en ook dat [verdachte] bij hem op school zit.

De [medeverdachte] is op 18 april 2017 bij de politie gehoord. Dat is wel lang na het feit, maar hij verklaart voor een groot deel hetzelfde als de [getuige 1] en de aangever. De rechtbank heeft geen reden om aan die verklaring te twijfelen.

Deze verklaringen zijn samen met de aangifte voor de rechtbank genoeg om bewezen te verklaren dat de verdachte de telefoon uit de hand van de aangever heeft gepakt of getrokken.

Het is daarna de vraag of dit een diefstal met geweld is. Alleen het pakken van de telefoon is volgens de rechtbank geen geweld. Er staat niet vast dat dit bijvoorbeeld onverhoeds of met kracht is gedaan. De aangever heeft zelf gezegd dat de telefoon uit zijn hand is gepakt en alleen de [getuige 1] heeft het over het trekken uit de hand.

De rechtbank gaat er vanuit dat de telefoon uit de hand van de aangever is gepakt.

Dat levert geen diefstal met geweld op, maar een diefstal.

De rechtbank zal de verdachte dus vrijspreken van diefstal met geweld en diefstal bewezen verklaren.

3.2

Feit 2

Diefstal met geweld of diefstal op 5 april 2016

De [aangever 2] heeft aangifte gedaan van diefstal of beroving van zijn telefoon. Bij de politie heeft hij verklaard dat de verdachte de telefoon uit zijn hand zou hebben gegrist.

3.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd de verdachte hiervan vrij te spreken, omdat er te weinig bewijs is. Er zijn wel twee getuigen, namelijk [getuige 3] en [getuige 4] , maar zij hebben niks gezien van de diefstal en wat zij weten hebben ze gehoord van [aangever 2] . Dat is volgens de officier van justitie niet genoeg om te kunnen bewijzen dat de verdachte dit feit heeft gepleegd.

3.2.2

Het standpunt van de raadsman


De raadsman heeft zich aangesloten bij wat door de officier van justitie is gevraagd.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt net als de officier van justitie en de raadsman dat er te weinig bewijs is om vast te stellen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.

De verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

[aangever 2] heeft verklaard dat de verdachte de telefoon uit zijn handen heeft gegrist, maar één enkele verklaring is niet genoeg om iemand te kunnen veroordelen.
De twee [getuigen] hebben wel verklaard over dit feit, maar zij hebben niet zelf gezien wat er is gebeurd. Zij hebben dat alleen van [aangever 2] gehoord.

De rechtbank zal de verdachte van dit feit vrijspreken.

3.3

Feit 3

Diefstal met geweld of afpersing op 5 maart 2017

De [aangever 3] heeft namens hemzelf en [naam 1] aangifte gedaan van diefstal met geweld of afpersing op 15 maart 2017 in Den Haag. Hij heeft daar bij de politie over verklaard dat hij plotseling van achteren hard bij zijn keel werd gegrepen en dat zijn telefoon met geweld uit zijn hand werd getrokken en dat hij, toen hij zich omdraaide, zag dat het de verdachte was. In de bijlage bij de aangifte staat dat het gaat om een Huawei P9.4

Ook heeft hij verklaard dat hij zijn telefoon terug zou krijgen als hij de verdachte binnen twee weken 50 euro zou geven.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de telefoon van de aangever heeft afgepakt, maar dat hij dat deed omdat hij nog 50 euro van hem terug moest krijgen en dat hij de telefoon terug zou geven als hij zijn 50 euro kreeg.5

3.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat er aangifte is gedaan en dat de verdachte het feit heeft bekend.

Dat de verdachte van plan was de telefoon terug te geven als hij 50 euro terug zou krijgen, wil niet zeggen dat er geen sprake kan zijn van diefstal. Juridisch is er ook dan een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, je iets toe-eigenen zonder dat je daar recht op hebt.

De officier van justitie heeft de rechtbank daarom gevraagd dit feit bewezen te verklaren.

3.3.2

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft gezegd dat er geen geweld is gebruikt. De verdachte heeft de telefoon alleen gepakt als onderpand voor de lening die de aangever niet terugbetaalde. Volgens de raadsman is er dan geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening.

De raadsman vraagt de rechtbank de verdachte van dit feit vrij te spreken.

3.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De aangever heeft bij de politie verklaard hoe het gegaan is en de verdachte heeft bekend dat hij de telefoon uit de handen van de aangever heeft getrokken. Dat de verdachte mogelijk geld had geleend aan de aangever en die dat niet terugbetaalde, maakt niet dat hij de telefoon mocht afpakken om als onderpand te gebruiken. Er is dus wel sprake van wederrechtelijke toe-eigenening.

De rechtbank gelooft de aangever als hij zegt dat er geweld is gebruikt. De verdachte heeft hem van achteren bij zijn keel gepakt en de telefoon met geweld uit zijn hand getrokken. De telefoon is dus met geweld uit de hand van de aangever getrokken en dat is voor de rechtbank hetzelfde als het met kracht pakken van de telefoon.

De rechtbank vindt dus dat bewezen kan worden dat de verdachte deze diefstal met geweld heeft gepleegd.

Voor de afpersing is geen bewijs. Uit niets blijkt dat de verdachte de aangever heeft gedwongen tot de afgifte van de telefoon; hij heeft hem juist zelf uit zijn hand getrokken. De rechtbank zal de verdachte daarvan dus vrijspreken.

3.4

Feit 4

Diefstal met geweld of diefstal op 29 maart 2017

Er is een aangifte van een diefstal door de verdachte op 29 maart 2016 in Den Haag.

3.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd de verdachte van dit feit vrij te spreken, omdat er geen bewijs is dat de verdachte dit feit heeft gepleegd.

3.4.2

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich aangesloten bij het verzoek van de officier van justitie.

3.4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt net als de officier van justitie en de raadsman dat er geen bewijs is dat de verdachte deze diefstal heeft gepleegd. De rechtbank spreekt de verdachte van dit feit vrij.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank vindt dat de diefstal van feit 1 en de diefstal met geweld van feit 3 volgens de wet bewezen kunnen worden. De rechtbank is er ook van overtuigd dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd.

De tekst van deze bewezenverklaring staat in bijlage 2 bij dit vonnis.

4 De strafbaarheid van de feiten

De feiten die de verdachte heeft gepleegd zijn strafbare feiten. Uit niets blijkt dat deze feiten niet strafbaar zouden zijn.

In de beslissing staat hoe deze feiten volgens de wet worden beschreven.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is ook strafbaar voor het plegen van deze feiten, omdat nergens uit volgt dat de verdachte niet strafbaar is.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 150 uur. Als hij die uren niet werkt, zal hij 75 dagen vervangende jeugddetentie moeten ondergaan. De officier van justitie heeft ook gevraagd om een jeugddetentie op te leggen voor de duur van twee maanden, maar dan voorwaardelijk. De verdachte hoeft die dagen niet vast te zitten zolang hij in de proeftijd van twee jaar geen strafbare feiten pleegt.

6.2.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank gevraagd rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de omstandigheid dat hij nu begeleid wordt.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Voor het bepalen welke straf gepast is voor de verdachte kijkt de rechtbank naar de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder ze zijn begaan en ook naar de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft in 2015 een telefoon uit de hand van iemand gepakt en in 2017 heeft hij een telefoon uit de hand van iemand getrokken waarbij geweld is gebruikt.

Het is ontzettend vervelend als iets wat van jou is door iemand anders wordt afgepakt. En een telefoon wordt niet (alleen) meer gebruikt om te bellen, maar ook om foto’s mee te maken, e-mail te lezen, te chatten, geld over te maken, enzovoorts. De verdachte heeft ook dat allemaal onmogelijk gemaakt voor zijn slachtoffers toen hij de telefoons afpakte.

Bovendien kosten telefoons veel geld.

Dat de verdachte daarbij in één geval ook nog geweld heeft gebruikt, maakt het nog ernstiger.

Volgens het Uittreksel Justitiële Documentatie, kort gezegd het strafblad van de verdachte, is hij eerder veroordeeld, onder andere op 15 juni 2017 en op 4 december 2016.

De feiten die de rechtbank bewezen verklaart zijn gepleegd voor 4 december 2016 (feit 1) en voor 15 juni 2017 (feit 3). Als deze feiten ook op die zittingen waren behandeld was er een straf voor het geheel bepaald die lager zou zijn dan aparte straffen. De rechtbank houdt daarmee rekening in het voordeel van de verdachte.

In het nadeel van de verdachte speelt aan de andere kant ook mee dat de verdachte zich na 4 december 2016 toch weer schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 april 2018 en 30 januari 2018 gelezen.

In het rapport van 30 januari 2018 adviseert de Raad om aan de verdachte op te leggen een werkstraf die de verdachte voor een deel moet uitvoeren. Het andere deel hoeft hij niet uit te voeren als hij zich aan bepaalde voorwaarden houdt. Deze voorwaarden zouden onder andere moeten zijn dat hij zich op vaste momenten meldt bij de William Schrikker Stichting jeugdbescherming en jeugdreclassering (WSSjbjr) en dat hij behandeling van Middin ondergaat.

De rechtbank leest in de rapporten dat de verdachte geen vaste verblijfplaats heeft en overnacht bij vrienden. De verdachte moet goed begeleid worden, zodat hij weet hoe dingen werken en hij niet in de problemen komt. Hij vindt het moeilijk om met gezag en regels om te gaan, maar hij heeft nu een goed contact met de jeugdreclassering en Middin.

De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte niet meer in de problemen komt en dat hij begeleid blijft worden door de jeugdreclassering en Middin, in elk geval tot het einde van een proeftijd die 2 jaar zal duren.

De rechtbank vindt een werkstraf geen goede straf voor de verdachte. De rechtbank ziet in het dossier dat de verdachte zijn afspraken niet nakomt. Hij heeft zich bijvoorbeeld niet gemeld op het politiebureau toen hij daar was uitgenodigd, hij is tot tweemaal toe niet verschenen op de zitting, terwijl hij wel wist dat er een zitting was, en het is hem ook niet gelukt om een eerdere taakstraf goed uit te voeren.

De rechtbank vindt een jeugddetentie wel een passende straf. Deze jeugddetentie zal de verdachte voor een deel moeten ondergaan en een ander deel hoeft hij alleen te ondergaan als hij zich niet aan bepaalde voorwaarden houdt. Die voorwaarden staan hieronder vermeld en houden vooral in dat hij begeleid blijft worden door de jeugdreclassering en Middin.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen.

7.1

Feit 1

[naam 2] heeft zich namens [aangever 1] als benadeelde partij gevoegd. Dat wil zeggen dat zij namens hem een vergoeding vraagt voor de schade die de verdachte heeft veroorzaakt.
[naam 2] heeft twee vorderingen ingediend, één voor het bedrag van € 772,95 (€ 522,95 voor de mobiele telefoon en € 250,00 voor immateriële schade – kort gezegd smartengeld - ) en één voor het bedrag van € 400,00 (€ 150,00 voor een fiets en € 250,00 voor immateriële schade).

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd te bepalen dat de verdachte de kosten van de mobiele telefoon en de daarbij gevraagd immateriële schadevergoeding moet betalen plus de wettelijke rente vanaf de dag van het feit.

De officier van justitie heeft daarbij gevraagd om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.1.2.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank gevraagd deze vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren en dus niet in deze procedure te bepalen dat de verdachte deze kosten moet betalen, omdat hij heeft verzocht hem vrij te spreken van dit feit.

Voor het geval dat de rechtbank de verdachte niet zal vrijspreken heeft hij gevraagd te bepalen dat een lager bedrag betaald moet worden.

7.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

In het dossier leest de rechtbank niet dat de verdachte verantwoordelijk is voor schade aan de fiets van de benadeelde partij. Diefstal van de fiets is ook niet opgenomen op de tenlastelegging.

Omdat niet vast kan komen te staan dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden door toedoen van de verdachte, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering. De verdachte hoeft deze kosten in deze procedure dus niet te betalen.

De rechtbank vindt wel dat de verdachte de kosten van de mobiele telefoon moet betalen, omdat hij deze schade ook heeft veroorzaakt. De rechtbank vindt dat de verdachte niet het hele bedrag van € 522,95 hoeft te betalen, omdat dat het bedrag is dat voor een nieuwe telefoon is betaald. Omdat de telefoon meer dan een jaar oud was op het moment van de diefstal, zal de rechtbank 20% van dat bedrag aftrekken (als afschrijvingspercentage). De rechtbank komt dan op het bedrag van € 418,36, dat de verdachte zal moeten betalen.

Het smartengeld dat hier gevraagd is, hoeft de verdachte ook niet te betalen. De wet (art. 6: 106 BW) bepaalt dat alleen in bepaalde gevallen immateriële schadevergoeding kan worden toegekend, zoals bijvoorbeeld bij lichamelijk letsel, waarvan hier geen sprake is.

Omdat de benadeelde partij niet heeft gevraagd ook vergoeding van de wettelijke rente op te leggen, zal de rechtbank dat ook niet doen.

De rechtbank zal dus bepalen dat de verdachte het bedrag van € 418,36 moet betalen en zal de benadeelde partij voor de rest niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee dat de verdachte ook moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 0,00.

De rechtbank zal aan de verdachte ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat hij het bedrag aan de staat moet betalen en de staat ervoor zorgt dat het geld bij de benadeelde partij terecht komt.

Als de verdachte het bedrag dan niet betaalt, zal hij een jeugddetentie van 8 dagen moeten ondergaan. En ook daarna zal hij nog verplicht zijn om het bedrag te betalen.

7.2

Feit 2

[naam 3] heeft namens [aangever 2] vergoeding gevraagd voor de schade die is ontstaan door de diefstal van zijn telefoon.

[naam 3] heeft een vordering ingediend voor het bedrag van € 250,00.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij vrijspraak voor dit feit heeft gevraagd.

7.2.2.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft geen standpunt ingenomen over deze vordering.

7.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de verdachte van dit feit vrijspreken en dus niet bepalen dat de verdachte deze schade moet vergoeden.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij ook moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 0,00.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen:

36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals ze golden op het moment dat de feiten gepleegd werden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten:

feit 1 primair (diefstal met geweld op 2 november 2015),

feit 2 primair en subsidiair, (diefstal met en zonder geweld op 5 april 2016),

feit 3, tweede cumulatief/alternatief (afpersing op 15 maart 2017) en

feit 4 primair en subsidiair (diefstal met en zonder geweld op 29 maart 2017);

verklaart wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten:

feit 1 subsidiair (diefstal zonder geweld op 2 november 2015) en

feit 3, eerste cumulatief/alternatief (diefstal met geweld op 15 maart 2017)

de wettelijke kwalificaties van deze feiten zijn:

feit 1

DIEFSTAL

feit 3, eerste cumulatief/alternatief

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN

verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 6 weken

bepaalt dat de tijd die de veroordeelde al in verzekering heeft doorgebracht hier van af getrokken moet worden (tenzij dat al bij een andere straf is gedaan)

bepaalt dat drie weken van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd houdt aan de volgende voorwaarden:

1. dat hij zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. dat hij voor het vaststellen van zijn identiteit zal meewerken aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs (artikel 1 Wet op de identificatieplicht) zal laten inzien;

3. dat hij zal meewerken aan het toezicht door de jeugdreclassering en aan huisbezoeken (artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht)

4. dat hij zich zal melden bij de jeugdreclassering, op momenten waarop zij dat willen en zolang zij dat willen;

5. dat hij zich tot het einde van de proeftijd zal laten behandelen of begeleiden door Middin

De rechtbank geeft de opdracht om erop toe te zien dat de veroordeelde zich zal houden aan de voorwaarden en om hem daarbij te begeleiden aan de William Schrikker Stichting jeugdbescherming en jeugdreclassering (een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert).

De rechtbank wijst de vordering van [aangever 1] toe tot het bedrag van € 418,36

en veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor de rest niet-ontvankelijk is in de vorderingen tot schadevergoeding;

legt aan de verdachte op de verplichting om € 418,36 aan de staat te betalen voor het slachtoffer [aangever 1] ;

bepaalt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichting;

bepaalt dat door betaling aan de staat, de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervalt en omgekeerd;

verklaart [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding

en veroordeelt de benadeelde in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.F. Mewe, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Kramer, kinderrechter,

en mr. D.G.J. Dop, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2018.

Mr. C.F. Mewe is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 2 november 2015 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S5), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan de verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die Ramdhiansing, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat de verdachte (onverhoeds) (met kracht) de telefoon uit de hand(en) van die Ramdhiansing heeft getrokken en/of vervolgens hard is weggerend

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 2 november 2015 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S5), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

2.
hij op of omstreeks 5 april 2016 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (OnePlus one), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die Sturing, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat de verdachte (onverhoeds) (met kracht) de telefoon uit de hand(en) van die [aangever 2] heeft getrokken en/of vervolgens hard is weggerend

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 5 april 2016 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (OnePlus one), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

3.
hij op of omstreeks 15 maart 2017 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Huawei P9), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] en/of [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- van achteren (met kracht) bij de keel pakken van die [aangever 3] en/of

- ( met kracht) uit de hand(en) trekken van de telefoon

en/of

hij op of omstreeks 15 maart 2017 te ’s-Gravenhage met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 3] heeft gedwongen tot afgifte van een mobiele telefoon (Huawei P9), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] en/of [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij
- die [aangever 3] van achteren (met kracht) bij de keel heeft gepakt en/of

- ( met kracht) de telefoon uit de hand(en) van die [aangever 3] heeft getrokken en/of

- die [aangever 3] de woorden heeft toegevoegd: “Je krijgt je telefoon terug als je mij binnen twee weken 50 euro geeft,” althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

4.

hij op of omstreeks 29 maart 2017 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Iphone 6), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat de verdachte (onverhoeds) (met kracht) de telefoon uit de hand(en) van die [benadeelde 1] heeft getrokken en/of vervolgens hard is weggerend

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 29 maart 2017 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Iphone 6), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

Bijlage 2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigende bewezen dat

1. subsidiair
hij op 2 november 2015 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S5), toebehorende aan [aangever 3]

3.
hij op 15 maart 2017 te ’s-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Huawei P9), toebehorende aan [aangever 3] en/of [naam 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het
- van achteren bij de keel pakken van die [aangever 3] en

- met kracht uit de hand trekken van de telefoon

Als in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkwamen, dan zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar verklaringen, dan zijn dat verklaringen uit het politiedossier met nummer PL1500-2017133871

2 Aangifte van [aangever 1] , blz. 52 t/m 55

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , blz. 64

4 Proces-verbaal van aangifte, blz. 99, 100 en 102

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 42 en 43