Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11533

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
NL18.14296
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Verantwoordelijkheid op grond van illegale grensoverschrijding. Twaalfmaandentermijn. Systematische tekortkomingen. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Humanitaire clausule. Aanvullende garanties. Beroep ongegrond. Mondelinge uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.14296


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië daarvoor verantwoordelijk is.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL18.14297, plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F.A. van den Berg als waarnemer voor zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Jobe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser betwist dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij voert aan dat deze verantwoordelijkheid na twaalf maanden vervalt en dat niet meer kan worden vastgesteld wanneer hij Italië is ingereisd.

2. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening1 eindigt de verantwoordelijkheid op grond van illegale inreis twaalf maanden na de datum waarop die illegale inreis heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat eiser met de enkele stelling dat niet meer kan worden vastgesteld wanneer hij Italië is ingereisd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze inreis inderdaad langer dan twaalf maanden voor zijn eerste asielaanvraag (in Zwitserland) heeft plaatsgevonden. Hoewel het onbevredigend is dat geen Eurodac-registratie voorhanden is van deze aanvraag, geeft dat niet de doorslag. Eiser heeft er geen indicaties voor gegeven dat de twaalfmaandentermijn inderdaad is verstreken. Aldus dient van de verantwoordelijkheid van Italië te worden uitgegaan.

3. Verder voert eiser aan dat hij niet aan Italië kan worden overgedragen omdat sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en de asielprocedure. Eiser wijst daarbij op een rapport van MSF van februari 2018 en een rapport van AIDA van maart 2018. Ook wijst eiser erop dat in het bestreden besluit slechts oudere jurisprudentie is aangehaald.

4. De rechtbank stelt vast dat inmiddels door een zeer recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, te weten een uitspraak van 6 augustus 20182, is herbevestigd dat ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarom is de rechtbank van oordeel dat ervan uit dient te worden gegaan dat er geen ernstige systeemfouten zijn in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië en dat eiser de mogelijkheid heeft om daarover indien nodig in Italië te klagen.

5. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om zijn asielaanvraag aan zich te trekken op grond van de humanitaire clausule van artikel 17 van de Dublinverordening, gelet op zijn blindheid aan één oog en zijn moeilijkheid met lopen, dan wel dat verweerder ten onrechte om die reden geen aanvullende garanties aan Italië heeft gevraagd.

6. Bij de vraag of de overdracht van eiser aan Italië zou getuigen van onevenredige hardheid, heeft verweerder veel beoordelingsruimte. De rechtbank kan om die reden de beoordeling van verweerder slechts terughoudend toetsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft gezien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken, dan wel om aanvullende garanties te vragen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij medische behandeling ondergaat en deze niet zou kunnen krijgen in Italië.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 30 augustus 2018.

Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Verordening (EU) Nr. 604/2013

2 Vindplaats: ECLI:NL:RVS:2018:2614