Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11521

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
18/4242 MVV
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een mvv. Ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 2.1.1.1 van IND-Werkinstructie 2014/9 van 17 februari 2015, zoals die gold ten tijde van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/4242 MVV

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2017 (primair besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een machtiging voorlopig verblijf (mvv) afgewezen, omdat hij de gestelde familierelatie met zijn gestelde echtgenote niet heeft aangetoond met documenten en niet aannemelijk is gemaakt dat dit niet aan hem is toe te rekenen.

Bij besluit van 11 mei 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 2] (referent). Verweerder is, met voorafgaande afmelding, niet verschenen.

Na afloop van de behandeling van de zaken ter zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond.
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170 (honderdzeventig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.002 (duizendtwee euro), te betalen aan eiser.


Overwegingen

1.
Niet in geschil is de gestelde identiteit van eiser. In geschil is of eiser zijn familieband met referente aannemelijk heeft gemaakt.

2. Eisers betoog dat verweerder hem op grond van het beleid geldend ten tijde van de aanvraag, neergelegd in werkinstructie 2014/9, nader onderzoek in de vorm van een interview met identificerende vragen had moeten aanbieden, slaagt. Op grond van artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag tot het verlenen van een mvv getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

3. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 is artikel 1.27 van het Vb ook van toepassing op een mvv die in het kader van een nareisprocedure is gevraagd. Niet is gebleken dat het recht zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit gunstiger voor eiser is. Eiser heeft dus terecht aangevoerd dat haar aanvraag beoordeeld moest worden aan de hand van het recht dat gold op het tijdstip van ontvangst ervan.

4. Op het moment van aanvraag gold (de externe) IND-werkinstructie 2014/9 van 17 februari 2015. Artikel 2.1.1.1 van deze instructie luidt, voor zover hier van belang als volgt: "Bij asielprocedures (waaronder nareis) geldt dat, als de documenten vals, vervalst of niet echt bevonden worden, alsnog een interview met identificerende vragen (ter vaststelling van de identiteit en gezinsband) en eventueel een DNA-onderzoek wordt aangeboden.". Gelet hierop had verweerder een identificerend gehoor aan eiser moeten aanbieden, ter vaststelling van de familierelatie met referent. Door dit na te laten heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

5. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder moet opnieuw op het bezwaar beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder kan daarbij tevens de door referente overgelegde nieuwe huwelijksakte, afgegeven op 23 oktober 2016, betrekken, nu deze akte niet is betrokken bij het nemen van het bestreden besluit.

6. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.002, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 501 per punt en wegingsfactor 1.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken.

de griffier is niet in staat deze uitspraak te ondertekenen

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2914