Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11435

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
C/09/17/123 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging afgewezen.

Benadeling schuldeisers door huwelijk met partner zonder inkomsten op zichzelf geen reden tot beëindiging, gelet op art 8 EVRM.

Informatieplicht wel geschonden door dit voorgenomen huwelijk niet te melden.

Schuldenares doet aanbod om VTLB lager vast te stellen dan volgens huidige berekening, omdat zij schuldeisers tegemoet wil komen en zij rond kan komen van lager bedrag.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

Vonnis van 20 september 2018

in de schuldsaneringsregeling van:

[schuldenares]
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],
wonende te [adres, postcode en woonplaats], hierna: schuldenares.

1 Verloop van de procedure

1.1

Ten aanzien van schuldenares is bij vonnis van 27 maart 2017 de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. G.H.M. Smelt tot rechter-commissaris. B. van Huessen (Van der Linden c.s.), kantoorhoudende te Zwijndrecht, is benoemd tot bewindvoerder.

1.2

Op 4 juli 2018 heeft de bewindvoerder een verzoek ingediend strekkende tot voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 350 van de Faillissementswet (Fw).

1.3

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 350 lid 2 Fw heeft de bewindvoerder de rechtbank bij brief van 22 augustus 2018 geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.5

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- schuldenares,
- R. de Geus namens de bewindvoerder.

1.6

De rechtbank heeft hierna vonnis bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Van personen ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen en dat zij de uitvoering van de regeling door doen of nalaten ook niet anderszins belemmeren dan wel frustreren. Niet nakoming van één of meer van deze verplichtingen kan leiden tot een voortijdige beëindiging van de regeling.

2.2

De bewindvoerder heeft haar verzoek, samengevat, gegrond op de volgende feiten en omstandigheden. Schuldenares is zonder voorafgaande mededeling aan de bewindvoerder op 18 oktober 2017, onder huwelijkse voorwaarden, gehuwd. De partner heeft geen inkomsten en verblijft in Nederland met een vreemdelingendocument. Als gevolg van de samenwoning is het vrij te laten bedrag gestegen. De afdrachtcapaciteit bedraagt thans nihil waar deze voorheen minimaal € 600,- per maand bedroeg. Daarmee zijn de belangen van de schuldeisers geschaad. Voorts zijn (als gevolg van het huwelijk) nieuwe schulden ontstaan, te weten Kindgebonden Budget van € 123,- en € 115,-, Zorgtoeslag van € 88,- en Huurtoeslag van € 228,-. De rechter-commissaris ondersteunt het verzoek tot tussentijdse beëindiging.

2.3

Ter beoordeling staat of deze verwijten gegrond zijn en zo ja, of dit dient te leiden tot de door de bewindvoerder verzochte beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is het volgende gebleken. Schuldenares werkt inmiddels 40 uur per week en heeft voldoende afgedragen aan de boedelrekening. Uit een bijlage bij de brief van de bewindvoerder van 22 augustus 2018 blijkt dat het vrij te laten bedrag per 1 oktober 2017 is verhoogd van € 1.081,60 naar € 1.441,71 en per 1 januari 2018 naar € 1.765,49 (wegens het wegvallen van toeslagen). Schuldenares heeft desondanks na 1 januari 2018 nog wel afgedragen aan de boedel zodat sprake is van een voorstand van € 920,68. Hiervan kunnen de nieuwe schulden (terugvordering van een deel van de in 2017 verstrekte toeslagen) worden afgelost. Er is dus geen achterstand in de boedelafdracht. De bewindvoerder heeft te kennen gegeven dat thans nog sprake is van benadeling van de schuldeisers door het huwelijk, en voorts van een tekortkoming in de informatieplicht en van een (geringe) tekortkoming in de sollicitatieplicht. Schuldenares heeft ter zitting meegedeeld dat zij niet wist dat het voorgenomen huwelijk aan de bewindvoerder diende te worden gemeld. Haar echtgenoot zal, zodra zijn verblijfsvergunning naar verwachting in oktober 2018 wordt verstrekt, ook gaan werken, zodat de nadelige gevolgen van het huwelijk voor de schuldeisers zullen verminderen of zelfs geheel verdwijnen. Schuldenares heeft voorgesteld reeds nu weer te beginnen met het afdragen aan de boedel door het vrij te laten bedrag weer te bepalen op € 1.441,71..

2.5

De rechtbank stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 350, tweede lid onder e Faillissementswet (Fw) kan de toepassing van de schuldsaneringsregeling voortijdig worden beëindigd als de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen. Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) luidt evenwel:

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.6

Ingevolge dit artikel staat het schuldenares vrij om in het huwelijk te treden. Dat daarbij schuldeisers worden benadeeld is inherent aan de gevolgen van die keuzevrijheid, als het huwelijk wordt gesloten met een partner die geen inkomsten heeft. Dit op zich zelf is daarom geen reden de regeling tussentijds te beëindigen, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 8 EVRM.

2.7

Dit huwelijk heeft echter gevolgen voor het vermogen en de spaarcapaciteit van schuldenares, zeker als het gaat om een huwelijk met een partner die niet in het bezit is van een verblijfsvergunning zodat van te voren al vast staat dat het verwerven van inkomsten door die partner ernstig belemmerd wordt. Schuldenares had dit voorgenomen huwelijk dus zeker aan de bewindvoerder moeten melden, zodat de bewindvoerder haar had kunnen inlichten omtrent de financiële gevolgen. Schuldenares heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat zij niet wist dat zij de bewindvoerder op de hoogte had moeten brengen van haar voorgenomen huwelijk. Uit de houding van schuldenares tijdens de zitting heeft de rechtbank niet kunnen opmaken dat zij willens en wetens haar schuldeisers heeft willen benadelen. De rechtbank is van oordeel dat beëindiging van de regeling op dit moment (nog) niet aan de orde is. Daarbij overweegt de rechtbank dat (op grond van de thans bekende informatie) niet is gebleken dat schuldenares door het huwelijk een grotere schuldenlast heeft gekregen nu zij onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd. Voorts heeft zij er ter zitting blijk van gegeven dat zij de schuldeisers tegemoet wenst te komen door zich maximaal in te blijven spannen om inkomsten te blijven verwerven. Zij werkt inmiddels 40 uren per week en heeft aangeboden om haar vrij te laten bedrag wederom te bepalen op € 1.441,71, zodat zij wederom een substantieel bedrag moet afdragen. Zij stelt dat zij van dit bedrag kan rondkomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de bewindvoerder een nieuwe berekening van het VTLB ter goedkeuring zal voorleggen aan de rechter-commissaris ingaande 1 oktober 2018 zodat schuldenares haar toezegging gestand kan doen. Ook heeft zij meegedeeld dat haar echtgenoot, zodra hij in het bezit is van een verblijfsvergunning, er alles aan zal doen om een voltijds dienstbetrekking te verwerven. Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank de tekortkoming in de informatieplicht niet zodanig ernstig dat dit tot een tussentijdse beëindiging dient te leiden.

2.8

In de maanden april, juni, juli en september 2017 heeft schuldenares steeds 31 tot 34 uur per week arbeid verricht. Zij diende echter 36 uur per week te werken of aanvullend te solliciteren naar een dienstverband van in totaal 36 uur per week. Dit heeft zij echter nagelaten. Nu schuldenares sedert oktober 2017 inmiddels 40 uur per week werkzaam is acht de rechtbank deze tekortkoming evenmin ernstig genoeg om de regeling op dit moment tussentijds te beëindigen, noch te verlengen.

2.9

Op grond van al het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek strekkende tot voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling af.

3 De beslissing:

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [schuldenares] voornoemd.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Don, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2018 in aanwezigheid van F.J. Knaap LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.