Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11413

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
C-09-516409-HA ZA 16-949
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omvang legaat van Bredius aan gemeente Den Haag. Monegaskisch erfrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/516409 / HA ZA 16-949

Vonnis van 26 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.W.L. Russell te Amsterdam ,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

GEMEENTE DEN HAAG,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 augustus 2016 met producties 1 tot en met 163;

  • -

    de conclusie van antwoord van 7 december 2016 met producties 1 tot en met 150;

  • -

    het tussenvonnis van 23 december 2016 waarbij een comparitie van partijen ten

overstaan van de meervoudige kamer is bevolen;

- de akte overlegging producties, tevens wijziging van eis, tevens voorwaardelijk

verzoek ex. artikel 194 Rv met producties 164, 165 en 166 van de zijde van

[eiser] ;

- de antwoordakte, tevens houdende overlegging producties 151 tot en met 157 van

de zijde van de Gemeente;

- het proces-verbaal van de op 6 juli 2017 gehouden comparitie van partijen en de

daarin genoemde stukken, te weten de brief van 29 juni 2017 met twee bijlagen en

de akte uitlating producties van de zijde van [eiser] ;- het door bemiddeling van het Internationaal Juridisch Instituut verkregen juridisch advies aan de arrondissementsrechtbank Den Haag van 30 maart 2018 van professor Michel Grimaldi van de Universiteit Panthéon-Assas te Parijs;

- de akte uitlating deskundigenbericht professor Grimaldi van 30 maart 2018 alsmede overlegging producties 167 tot en met 172 d.d. 6 juni 2018 van de zijde van [eiser] ;

- de akte uitlating deskundigenadvies d.d. 6 juni 2018 van de zijde van de Gemeente.

1.2.

Het proces-verbaal van de op 6 juli 2017 gehouden comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren. [eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 1 augustus 2017 en de Gemeente heeft dat gedaan bij brief van 2 augustus 2017. Deze brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht. Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van de inhoud van deze brieven.

1.3.

Uiteindelijk is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Dr. Abraham Bredius (hierna: Bredius), geboren te Amsterdam op 18 april 1855 en gestorven te Monaco op 13 maart 1946, was kunstkenner en -verzamelaar. Hij is onder meer onderdirecteur geweest van het Nederlands Museum voor Geschiedenis en Kunst - dat later is opgegaan in het Rijksmuseum - en van 1889 tot 1909 directeur van het Mauritshuis te Den Haag.

2.2.

[X] (hierna: [X] ), kunstcriticus, geboren op [geboortedatum 1] en gestorven op [datum overlijden 1] , werd aangeduid als de “particulier secretaris” van Bredius. De vader van [eiser] , de heer [Y sr] (geboren op [geboortedatum 2] en gestorven op [datum overlijden 2] , hierna: [Y sr] ) was een neef en erfgenaam van [X] .

2.3.

Een deel van zijn kunstcollectie hield Bredius in zijn eigen woning aan de Prinsegracht 6 te Den Haag (hierna: het Brediushuis).

2.4.

In 1922 heeft Bredius zich, (mede) vanwege fiscale redenen, gevestigd te Monaco. De Gemeente heeft het Brediushuis op 23 maart 1922 van Bredius gekocht. [X] was toen reeds vertrokken naar [plaats 4].

2.5.

Bij notariële akte van 23 maart 1922 heeft Bredius voorts aan de Gemeente in bruikleen gegeven zijn kunstcollectie, bestaande uit een groot aantal schilderijen, een aantal tekeningen, twee beelden, kasten met porselein, zilver en kristal en verschillende boekwerken (productie 6 bij dagvaarding). De notariële akte bevat onder meer de navolgende passage:

“De Gemeente […] is verplicht de in bruikleen gegeven voorwerpen als één collectie ter publieke bezichtiging ten toon te stellen op de eerste etage en de galerij van het vroegere woonhuis van [Bredius] aan de Prinsegracht nummer 6 te ’s-Gravenhage en deze als verzameling-Bredius tijdens den duur van het bruikleen in stand te houden.”

2.6.

Eerder had de Gemeente bij raadsbesluit van 24 februari 1922 besloten onder meer tot de koop van het Brediushuis en de aanvaarding van de onder 2.5 bedoelde bruikleen van Bredius. In dat raadsbesluit is voor zover relevant het volgende opgenomen:

“Dr A. Bredius, die sedert jaren onze stadsgenoot is, heeft het besluit genomen zich in het buitenland te vestigen. Hij wil echter ’s-Gravenhage niet berooven van het genot zijner kostbare en terecht bewonderde kunstverzameling, welke zich gedeeltelijk in bruikleen in het Mauritshuis, gedeeltelijk in zijn woning Prinsegracht 6 bevindt. Ofschoon besloten om mettertijd den band tusschen deze verzameling en onze stad duurzaam te maken, meent hij thans eene regeling te moeten treffen, welke, zoo zij al een minder definitief karakter draagt, toch practisch op hetzelfde neerkomt. Hij wil namelijk het kunstbezit, dat thans in zijn woonhuis gevonden wordt, als verzameling-Bredius aan de Gemeente in bruikleen afstaan, met de bedoeling, dat deze verzameling althans voorlopig in het door hem tot nu toe bewoonde perceel tentoongesteld, voor het publiek toegankelijk zal zijn.”

2.7.

Bij onderhandse akte van 27 maart 1922 heeft [X] aan de Gemeente in bruikleen gegeven een drietal kasten met onder meer Chinees porselein en een tekening genaamd “De Bedelaar” van W.A. van Konijnenburg, teneinde deze kasten in het perceel aan de Prinsegracht 6 te Den Haag en de tekening in het Haags Gemeentemuseum ten toon te stellen (productie 11 bij dagvaarding).

2.8.

Op 15 juni 1922 is het museum Bredius, gevestigd op de eerste etage (ook wel bel-etage genoemd) en de galerij van het Brediushuis, geopend. Ter gelegenheid van de opening heeft Bredius aan de Gemeente het schilderij “De Satyr bij den Boer” van Jan Steen geschonken.

2.9.

In 1926 is verschenen de “Gids met beknopten catalogus van de schilderijen en teekeningen” betreffende het museum Bredius van de hand van Dr. G. Knuttel (productie 14 bij antwoord, hierna: de catalogus Knuttel). In de eerste alinea van deze catalogus valt (op pagina 3) te lezen:

“Bij zijn vertrek uit het Vaderland heeft Dr. Abraham Bredius met groote vrijgevigheid aan onze stad […] de rijke kunstverzameling, welke zich in zijn woning bevond in bruikleen afgestaan, terwijl hij een der belangrijkste werken, Jan Steen’s “Satyr bij den boer” daarbij aan de Gemeente heeft geschonken, toezeggende, dat de geheele verzameling later aan de stad in eigendom zal overgaan.”

De hierboven aangehaalde passage is eveneens als eerste alinea opgenomen in de in 1928 verschenen Franse versie van de catalogus Knuttel (productie 15 bij antwoord) en als eerste alinea in de (Nederlandstalige) “Geïllustreerde gids met beknopten catalogus” betreffende het museum Bredius die in 1933 is verschenen (productie 16 bij antwoord).

2.10.

Na zijn vertrek naar Monaco in 1922 heeft Bredius het zich in het Brediushuis bevindende deel van zijn collectie uitgebreid en in bruikleen gegeven aan de Gemeente (vgl. bijvoorbeeld producties 74 en 77 bij dagvaarding). In de brief met bijlagen van 26 september 1940 van de Directeur der Gemeente Musea aan het college van burgemeester en wethouders (productie 9 bij dagvaarding) is daarover het volgende opgenomen:

“Dr. Bredius heeft sedert 1922 aan de verzameling verschillende stukken toegevoegd, welke hij deels zelf heeft verworven, deels van particulieren voor dit doel ten geschenke heeft ontvangen. Al deze toevoegingen […] zijn onderworpen aan denzelfden bepalingen als het oorspronkelijke bruikleen.”

2.11.

Het zich in het Brediushuis bevindende deel van de collectie-Bredius is eind 1944/begin 1945 vanwege het gevaar van beschadiging door bombardementen ondergebracht in het gebouw van de Nederlandse Handelsmaatschappij. Na de oorlog is het museum Bredius op 7 juli 1945 heropend. Tijdens de oorlog was de administratie/registratie van de kunstwerken van het museum Bredius verloren gegaan als gevolg van het bombardement van Bezuidenhout op

30 maart 1945. In 1945 is de catalogus van Knuttel aangevuld met een “supplement-catalogus 1945” (productie 14 bij antwoord).

2.12.

Bredius heeft voor het laatste bij testament van 26 april 1944 over zijn nalatenschap beschikt (productie 21 dagvaarding, hierna: het testament Bredius). Bredius heeft [X] daarbij benoemd als enig erfgenaam en executeur-testamentair. Dit testament, verleden voor notaris [de notaris 1] te [plaats 1] , bevat onder meer het navolgende legaat (hierna: het legaat aan de Gemeente):

“Je lègue à la ville de La Haye (Pays Bas), tous les tableaux et tous les objets d’art qui sont exposés au Musée Brédiusuis, au Prinsegracht, à la Haye ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée.”

2.13.

In het testament Bredius gaan direct aan het legaat aan de Gemeente vooraf de twee navolgende passages:

“Je casse, révoque et déclare pour non valable tous les testaments ou dispositions testamentaires que j’ai pu faire avant ce jour”

en

“Je lègue à L’Etat des Pays Bas, les tableaux qui ont orné pendant de nombreuses années, le Musée Maurtishuis à La Haye, ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée”.

2.14.

Na het legaat aan de Gemeente zijn in het testament van Bredius de navolgende legaten opgenomen:

“Je lègue à Monsieur [X] :

[…]

Un petit livre d’esquisses de Van Goyen, se trouvant dans une grande armoire de mon bureau dans la maison Bredius à La Haye.”

en

“Je lègue à Messieurs [… 1] et [… 2] les procelaines de Chine se trouvant dans les armoires du mur dans mon ancienne chambre à coucher, et l’argenterie se trouvant dans une armoire en bois de satin, sise dans cette même chambre de mon ancienne maison à La Haye, et une vitrine avec des bijoux se trouvant dans le grand coffre-fort de ladite maison.”

2.15.

Na het overlijden van Bredius heeft [X] de nalatenschap en zijn benoeming tot executeur-testamentair aanvaard. Notaris mr. [de notaris 2] (hierna: [de notaris 2] ) is namens [X] betrokken geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap van Bredius.

2.16.

Bij brief van 28 maart 1946 heeft de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen aan de Gemeente het navolgende bericht:

“Hierbij doe ik U toekomen afschriften van een brief van den Nederlandschen consul te Monte Carlo met een bijlage, waaruit U zal blijken, dat wijlen Dr. A.Bredius aan de Gemeente ’s-Gravenhage vermaakt heeft alle schilderijen en alle kunstvoorwerpen die in het Bredius-Museum tentoongesteld zijn onder het beding, dat zij uitsluitend in die instelling geexposeerd zullen blijven […]”.

2.17.

Bij brief van 6 april 1946 heeft de directeur van de Dienst voor Schone Kunsten aan de burgemeester en wethouders van de Gemeente ten aanzien van het legaat aan de Gemeente onder meer het volgende medegedeeld (productie 129 bij dagvaarding):

“Weliswaar moeten wij de bepaling betreuren, in het laatste testament in tegenstelling met vroegere regelingen opgenomen, dat de geheele verzameling in het tegenwoordige pand moet blijven opgesteld; (…)

2.18.

Bij brief van 3 juni 1946 aan de Gemeente heeft [de notaris 2] namens [X] gevraagd of het legaat door de Gemeente wordt aanvaard (productie 27 bij antwoord).

2.19.

Bij brief van 14 juni 1946 aan de Gemeente heeft [de notaris 2] namens [X] medegedeeld dat laatstgenoemde de in het Brediushuis aanwezige traploper aan de Gemeente schenkt. [de notaris 2] heeft de Gemeente verzocht te kennen te geven of zij deze schenking aanvaardt en of [X] “de beide bij hem in eigendom toebehorende kasten met porcelein” die in het Brediushuis aanwezig zijn, aldaar mocht laten staan (productie 28 bij antwoord).

De Gemeente heeft bedoelde schenking bij brief van 9 juli 1946 aan [de notaris 2] aanvaard en de bereidheid uitgesproken de beide kasten met porselein tot wederopzegging in bruikleen te houden (productie 30 bij antwoord).

2.20.

Bij brief van 15 augustus 1946 heeft [de notaris 2] het navolgende aan de Gemeente bericht (productie 32 bij antwoord, hierna: de brief van 15 augustus 1946):

“Naar aanleiding van uw schrijven dd 9 juli j.l. […] maakte de heer [X] mij erop attent, dat hij drie kasten met porcelein in bruikleen heeft aangeboden en dat hij behalve de traplooper aan Uwe Gemeente heeft geschonken het portret van Dr.A.Bredius, geschilderd door Anton van Wely ter plaatsing in het Museum Bredius.

Bovendien wenscht hij te constateren, dat ook de niet ten toon gestelde schilderijen aan Uwe Gemeente zijn afgestaan. Ik verzoek U beleefd een en ander te willen bevestigen.”

2.21.

Bij brief van 30 augustus 1946 heeft mevrouw [A] , conservatrice bij de Dienst voor Schoone Kunsten van de Gemeente [de notaris 2] het navolgende bericht (productie 33 bij antwoord):

“Gaarne bevestigen wij Uw schrijven d.d. 15 augustus j.l., gericht aan de Gemeente […] waarin genoteerd, dat de Heer [X] aangeeft, dat hij drie kasten met porcelein in bruikleen heeft aangeboden aan de Gemeente en dat hij behalve de traplooper aan de Gemeente heeft geschonken het portret van Dr. A. Bredius, geschilderd door Anton van Wely.

Bovendien dat de niet tentoongestelde schilderijen uit de nalatenschap van Dr. A. Bredius aan de Gemeente zijn afgestaan”.

2.22.

In het archief van de Gemeente is aangetroffen een brief van 11 september 1946 van burgemeester en wethouders aan [de notaris 2] , waarop getypt is “voor eensluidend afschrift, De Gemeentesecretaris” met handtekening, waarin het navolgende is opgenomen (productie 34 bij antwoord, hierna: de brief van 11 september 1946):

“Bericht op schrijven van: 15 Aug.1946 […]

Met voldoening vernamen wij uit Uw hierboven aangehaalden brief, dat de Heer [X] behalve den reeds door ons aanvaarden traplooper eveneens in het bezit van de gemeente heeft gelaten het door Antoon van Welie geschilderde portret van A.Bredius benevens de niet tentoongestelde schilderijen in het Museum Bredius.

Wij hebben groote waardeering voor deze daad van burgerzin ten einde huize Bredius zooveel mogelijk zijn oorsponkelijken inventaris te laten behouden en zouden het mitsdien zeer op prijs stellen, indien U den schenker den bijzonderen dank van het gemeentebestuur zoudt willen doen geworden.

Ook gaven wij er ons rekenschap van, dat de heer [X] niet twee doch drie vitrines met porcelein en aardewerk in bruikleen in het Museum Bredius achterliet.”

2.23.

In het derde kwartaal van 1946 is opgesteld de “Beknopte catalogus van de schilderijen, teekeningen, porcelein etc. van Museum Bredius” (productie 42 bij antwoord). Deze catalogus (hierna: de catalogus uit het derde kwartaal van 1946) bevat een (genummerd) overzicht van 232 schilderijen en tekeningen. Achter 25 schilderijen is de aanduiding “Depôt” vermeld. Verder worden in deze catalogus vermeld de ongenummerde schilderijen: “Portret Dr.A.Bredius” van A. van Wely, “Driehoek schilderij” van S. van Hoogstraten, “Lachende man” - Spaanse School, “Verkondiging” van Adr. v.d. Velde en “Weide met koeien” van J.B. Kobell. Achter de drie laatstgenoemde schilderijen is eveneens de aanduiding “Depôt” vermeld. Voorts bevat deze catalogus nog lijsten met porselein, zilver en kristal. Ten slotte is in deze catalogus opgenomen onder de kop “EIGENDOM den Heer [X]” een omschrijving van de inhoud van drie kasten gevuld met porselein.

2.24.

De Haagse gemeenteraad heeft bij besluit van 16 december 1946 (productie 36 bij antwoord) het raadsvoorstel van 10 december 1946 aangenomen. Dit besluit luidt, voor zover van belang:

“met groote erkentelijkheid en hooge waardeering jegens de nagedachtenis van den erflater, den heer Dr. A. Bredius, laatstelijk woonachtig te Monaco, ten behoeve van het gemeentelijk kunstbezit te aanvaarden het aan de Gemeente gemaakte legaat, bestaande uit de thans in het museum-Bredius, Prinsegracht 6, alhier, aanwezige verzameling schilderijen, teekeningen, oude meubelen, porselein, glaswerk en zilver, met inachtneming van de voorwaarde, dat deze kunstvoorwerpen in het genoemde museum opgesteld zullen blijven”.

2.25.

In de toelichting die deel uitmaakt van het raadsbesluit is onder meer het navolgende opgenomen:

“[…] Bij de opening van zijn testament is gebleken, dat Dr. Bredius aan deze gemeente heeft nagelaten zijn gezamenlijke schilderijen en kunstvoorwerpen, welke zich in het museum-Bredius bevinden, onder de voorwaarde, dat zij daarin ook steeds opgesteld zullen blijven.

Zoodoende zal de Gemeente een ideëel en materieel kostbare verzameling de hare kunnen noemen, welke bestaat uit schilderijen, teekeningen, oude meubelen, porselein, glaswerk en zilver. Daaronder zijn werken van hooge aesthetische waarde, waarvan in het bijzonder moeten worden genoemd: twee schilderijen van Rembrandt, waaronder de aangrijpende Christuskop en eenige van zijn zeer belangrijke teekeningen: eenige fraaie werken van Jan Steen, een der in Nederland zeldzame landschappen van Albert Cuyp, van diep-poëtische stemming; een treffend portret van een oude vrouw door Thomas de Keyser, een familiegroep (portretten) door Adriaan van Ostade, een landschap van Hercules Seghers, een interieur met figuren van Willem Buytewegh, een zeer fraai wintergezicht van Aert van der Neer, een der zeldzame en fraaie landschappen van den ouden Pieter Bruegel. Daarnaast bevat de collectie van 232 schilderijen en teekeningen tal van werken, die uit kunst-historisch oogpunt interessant zijn, terwijl eveneens een hooge waarde moet worden toegekend aan de tallooze kunstvoorwerpen, die in dit huis zijn opgesteld, zoowel oude meubels als vitrine-objecten, die de sfeer van het rijke en gedistingeerde Nederlandsche patriciërsinterieur typisch tot uiting doen komen.

Hier te lande noch in het vorstendom Monaco zijn successierechten verschuldigd […]”

2.26.

Bij brief van 10 januari 1947 is namens de Gemeente aan [de notaris 2] bericht (productie 39 bij antwoord):

“Ber. op schrijven van: 3/6’46 […]

Met groote belangstelling heeft het college van Burgemeester en Wethouders kennis genomen van Uw hierboven aangehaalden brief betreffende het legaat Bredius.

Gaarne hebben wij de door de Gemeentewet voorgeschreven stappen gedaan om de verzameling in gemeentelijk eigendom te doen overgaan. Een afschrift van het desbetreffende raadsbesluit alsmede een van de Handelingen van den Raad in verband daarmede, treft U hierbij aan. Van de vereischte goedkeuring van dit besluit door de Gedeputeerde Staten van Zuidholland zullen wij U te zijner tijd in kennis stellen.

Wij stellen er prijs op hierbij te gewagen van onze erkentelijkheid jegens den Heer [X] , die als executeur-testamentair in zoo ruime mate begrip toonde voor de bedoeling van den erflater ten aanzien van het Museum Bredius en voor de belangen van de gemeente […]” Bij brief van 27 februari 1947 heeft de gemeente aan [de notaris 2] bericht dat “de Gedeputeerde Staten der Provincie Zuidholland bij besluit van 21 Januari j.l. hun goedkeuring hebben gehecht aan het raadsbesluit van 16 december 1946 […]” (productie 40 bij antwoord).

2.27.

Bij brief van 14 januari 1947 heeft de heer [B] , oprichter en voormalig directeur van de Dienst voor Schone Kunsten, (hierna: [B] ) aan [X] bericht (productie 63 bij antwoord):

“Gij vraagt mij naar de reçu’s van uw bruikleen (wandtapijt en kasten met porcelein). Ik hoop die binnenkort te kunnen zenden. Enerzijds is het een zeer omslachtig werk […] Anderzijds kon het nog niet daar de Gemeente eerst in de laatste dagen van Dec. het legaat heeft kunnen aanvaarden.”

2.28.

Bij brief van 2 september 1947 heeft [B] [X] vervolgens onder meer bericht (productie 64 bij antwoord):

“Het heeft zeer tot mijn spijt wel wat heel lang geduurd, voordat u een nauwkeurig gespecificeerd bruikleenbewijs kan worden gezonden. Maar hier is het dan toch eindelijk en als U het duplicaat getekend terugzendt, dan zijn alle zaken nu formeel goed geregeld.”

Bij deze brief is gevoegd een beschrijving van de inhoud van drie kasten met porselein onder de kop “VERZAMELING [X].

2.29.

[X] heeft [B] vervolgens bij brief van 26 september 1947 voor zover van belang bericht (productie 65 bij antwoord):

“Ik dank u voor de toezending van het bruikleenbewijs, èn voor de moeite, die U zich daarvoor gaf. Het geteekende duplicaat gaat hierbij. Mag ik nu ook nog een bewijs ontvangen voor het gobelin, dat op het trapportaal hangt en de meubelen enz., die U mij toestond op zolder te bergen […]”

2.30.

[X] en de waarnemend directeur van de Dienst voor Schone Kunsten hebben in september 1947 de “Bruikleenacte no. 20” ondertekend (productie 66 bij antwoord), waarin niet alleen een beschrijving van de inhoud van drie kasten (genummerd I, II en II) met porselein is opgenomen, maar ook een omschrijving van 257 stuks porselein die zich bevonden “in kast Studeerkamer”, alsmede de tekening “Bedelaar” van W.A. van Konijnenburg die zich volgens de akte in het Gemeentemuseum bevond.

2.31.

In 1948 is het museum Bredius enige tijd gesloten geweest ten behoeve van renovatiewerkzaamheden.

2.32.

Bij brief van 18 augustus 1948 heeft mevrouw [C] , echtgenote van de toenmalige conciërge van museum Bredius, aan [X] een handgeschreven lijst gestuurd met daarop schilderijen die zich op dat moment in “Kamer 7” en “Kamer 10” van het Brediushuis bevonden en waarvan zij schrijft “[…] genoemde schilderijen maken deel uit van het Museum depôt”. Op deze handgeschreven lijst staat ook het portret van Bredius van A. van Wely.
Voorts schrijft zij in de handgeschreven bijlage bij deze brief over de schilderijen “Zelfportret” van S. van Hoogstraten, “Landschap van A. van de Velde, “Schildersateliervan H. Pot (alle “Tentoongesteld in ’t Museum”), alsmede “Lachende man(Spaanse school), “Hondvan A. Cuyp en “Figuren in maanlandschapvan N. Knupfer (alle “Aanwezig op kamer 7”): “Op deze schilderijen staat vermeld als niet behoorende bij de gelegateerde collectie aan de stad” (productie 38 bij dagvaarding).

2.33.

Ten gevolge van het vertrek uit het Brediushuis van de weduwe van de conciërge van het museum Bredius, kwamen vervolgens enkele kamers vrij die aan het museum Bredius zijn toegevoegd. In 1952 is een aantal kamers van het Brediushuis in gebruik genomen door het Kostuummuseum.

2.34.

Omstreeks 1950 is een “Catalogus van de schilderijen en tekeningen” betreffende het museum Bredius verschenen van de hand van C. de Wit (productie 133 bij dagvaarding, hierna: de catalogus De Wit).

2.35.

In 1954 is, met (aanvankelijke) instemming van [X] , het plan opgevat het museum Bredius te verhuizen naar een pand aan de Lange Vijverberg te Den Haag dat “ten opzichte van het centrum van de stad gunstiger gelegen is dan dat aan de Prinsegracht, zodat dit museum meer dan tot nu toe onder de aandacht van het publiek zou worden gebracht” (productie 46 bij antwoord).

2.36.

[X] heeft in verband met de voorgenomen verhuizing bij brief van

26 april 1955 aan de Dienst voor Schone Kunsten bericht (productie bij de brief van 29 juni 2017 van [eiser] ):

“Dus het pand Vijverberg is aangekocht. Wordt de verzameling overgebracht, dan ben ik overtuigd dat U haar in overeenstemming met haar omgeving een haar waardige opstelling zult geven. Ik heb nog eenige schilderijen, porcelein, het gobelin en de Chinese pot op de overloop van de trap enz. Kunnen die mee, of zal ik die laten weghalen? Er is hier nog geen oplossing voor de douanerechten op mijn schilderijen […] gevonden […]”.

2.37.

Nadat familieleden van Bredius betoogd hadden dat een dergelijke verhuizing in strijd met de aan het legaat verbonden last zou zijn, is [X] op zijn (aanvankelijke) instemming teruggekomen en is de voorgenomen verhuizing niet doorgegaan.

2.38.

Nadat het gedurende zes maanden gesloten was geweest ten behoeve van het restaureren van de zalen en het schoonmaken van de schilderijen is het museum Bredius in februari 1957 heropend. In 1978 is het museum Bredius om dezelfde reden zes maanden gesloten geweest.

2.39.

Bij brief van 6 augustus 1965 heeft de waarnemend directeur van de Dienst voor de Schone Kunsten aan [Y sr] , die geregeld zaken van [X] waarnam, onder meer medegedeeld dat voor hem gereed staan de op de bij die brief gevoegde lijst vermelde voorwerpen. De lijst bevat omschrijvingen van porseleinstukken onder de kop: “Bruikleen [X] , Blauw Chinees porselein” (productie 80 bij antwoord). De omschrijvingen stemmen overeen met de omschrijvingen in de bruikleenakte van september 1947 zoals die zijn opgenomen onder “Kast III”.

2.40.

Bij brief van 17 augustus 1965 heeft de directeur van de Dienst voor de Schone Kunsten [Y sr] als volgt bericht (productie 44 bij dagvaarding):

“Nog steeds moet ik voldoen aan het verzoek van de heer [X] te [plaats 1] om het blauw Chinees porselein, dat bij het Museum Bredius van genoemde heer [X] in bewaring is, aan U af te geven. De porseleinkast hebt U reeds ontvangen. Het heeft lang geduurd voor wij gevolg konden geven aan het verzoek van Uw neef om het porselein aan U te doen toekomen, omdat wij met personeelsgebrek te kampen hebben en omdat er moeilijkheden ontstonden, toen men n.a.v. de in 1947 gemaakte inventarislijsten de stukken ging identificeren.

In de oorlog was n.l. de gehele administratie verbrand en in de eerste jaren daarna heeft men getracht zo spoedig mogelijk tot een nieuwe inventarisatie van het bestand van de Haagse musea te komen. U begrijpt, dat dit toen in grote haast en daardoor nogal summier moest geschieden.

Nu was het niet goed mogelijk om de stukken n.a.v. de bovengenoemde inventarislijst met volle zekerheid te identificeren. Wij hebben dus zo goed mogelijk geprobeerd het bruikleen krachtens deze opgave te reconstrueren. Het aantal stukken klopt evenwel. Aangezien het bruikleen [X] het enige bruikleen van blauw porselein in het Museum Bredius is, neem ik aan, dat onze reconstructie wel juist moet zijn. U zult mij zeer verplichten, wanneer U mij wilt opgeven, waar de betrokken stukken moeten worden bezorgd. Zo spoedig mogelijk zullen wij hiervoor dan zorgdragen.”

2.41.

[Y sr] heeft bij brief van 16 september 1965 bericht dat het blauw Chinees porselein bij hem thuis bezorgd kon worden (productie 83 bij antwoord).

2.42.

Bij brief van 12 november 1965 heeft de directeur van de Dienst voor de Schone Kunsten [X] als volgt bericht (productie 81 bij dagvaarding):

Het zij mij vergund terug te komen op het onderhoud, dat ik met u heb gehad inzake uw bruikleen en bewaargeving in Museum Bredius. Ik kon toentertijd niet direct de door u gestelde vragen beantwoorden, omdat deze zaak mij niet geheel voor ogen stond. Nu deze aangelegenheid is uitgezocht, kan ik u het volgende mededelen:

1. Museum Bredius heeft van u 29 werken van W.A. Konijnenburg in bewaargeving en overeenkomstig uw verzoek is de krijttekening van W.A. Konijnenburg “Huisgezin” overgedragen aan Dr. [Y sr] te [plaats 2] ;

2. het betreffende gobelin, waar u mij over sprak, bevindt zich inderdaad in Museum Bredius en een aantekening is gemaakt dat dit uw eigendom is;

3. bij nadere informatie nemen wij gaarne aan, dat de doorgesneden vaas met het tafeltje, die staan op de overloop van Museum Bredius, eveneens uw eigendom zijn.

Van het gobelin en deze vaas, zullen wij u binnenkort een aanvullende bruikleenacte doen toekomen om in de toekomst verder misverstand te voorkomen.

Tenslotte hebben wij overeenkomstig uw wens de door u aangewezen stukken overgedragen resp. aan de heer [D] te [plaats 3] , Dr. [Y sr] te [plaats 2] en een beschadigde bord en schaal aan de heer [E] van Museum Bredius.

Ter administratieve regeling van een en ander doe ik u hiervoor bijgaand een aanvulling op de bruikleenacte toekomen voor de afgegeven stukken, met vriendelijk verzoek beide exemplaren te tekenen en aan mij te retourneren.

Na zegeling zal ik u dan weer één exemplaar doen toekomen.

Ik hoop van harte, dat de aangelegenheid inzake uw bruikleen nu volgens uw wens is geregeld en dat in de toekomst over uw bruikleen aan het museum geen misverstanden meer zijn.”

2.43.

Bij brief van 14 maart 1966 heeft de directeur van de Dienst voor de Schone Kunsten [X] als volgt nader bericht (productie 45 bij dagvaarding):

“In aansluiting op mijn schrijven d.d. 12 november 1965 […] inzake Uw bruikleen in Museum Bredius en tevens naar aanleiding van Uw schriftelijke opmerkingen gesteld op de lijst behorende bij de eerste aanvulling op de bruikleenacte nr. 20 d.d. 8 november 1965, doe ik U hierbij een tweede aanvullende bruikleenacte toekomen, waarin als bruikleen niet alleen is opgenomen de gobelin en het tafeltje met doorgesneden vaas, maar ook de voorwerpen, die U met Uw opmerking hebt bedoeld, t.w. Chinees porselein, Loosdrechts porselein, Familie rose, Chine de Commande, Italiaans porselein en Frans porselein.

Hoewel wij in onze administratie geen aantekening hadden, dat deze zaken niet hebben behoord tot het legaat van wijlen dr. Bredius, heb ik, gezien Uw positieve mededeling, nu toch deze zaken als Uw bruikleen beschouwd. Ik zal de op de lijst voorkomende zaken overeenkomstig Uw wens weer goed in kisten doen verpakken en dan Uw instructies afwachten hoe verder hiermede gehandeld moet worden.

Ik zou het op prijs stellen, wanneer U bijgaande twee exemplaren van de aanvulling op de bruikleenacte wilde ondertekenen […]”

2.44.

Bij brief van 7 oktober 1966 heeft [X] aan de directeur van de Dienst voor de Schone Kunsten verzocht drie vazen aan [Y sr] af te geven en maakt hij er melding van dat hij bij een recent bezoek aan het museum Bredius zag dat de hem toebehorende “twee kippen” op de commode van de gele kamer stonden, terwijl zij voorheen in één van de porseleinkasten stonden (productie 107 bij dagvaarding).

2.45.

Nadat [X] bij brief van 13 oktober 1966 was bericht dat de drie vazen aan [Y sr] waren afgegeven (productie 95 bij antwoord) is hem bij brief van

19 oktober 1966 namens de directeur van de Dienst voor de Schone Kunsten het navolgende bericht (productie 96 bij antwoord):

“In aansluiting op het telefoongesprek doen wij u bijgaand de bruikleenacte toekomen van de heer [B] van 27 maart 1922, waarvan ik een fotocopie heb doen vervaardigen. Inderdaad blijkt uit de bruikleenacte, dat de twee vogels u toebehoren en wij zullen het nodige doen, dat deze aan uw bruikleenacte zullen worden toegevoegd. Wij hopen nu, dat alles zodanig is geregistreerd, dat zich in de toekomst geen moeilijkheden meer zullen voordoen.”

2.46.

Bij brief van 23 mei 1973 heeft de administrateur van de Dienst voor de Schone Kunsten aan [Y sr] het volgende bericht (productie 109 bij antwoord):

“Voor de goede orde bevestigen wij nog even de mondelinge mededeling, dat wij bereid zijn om de werken, die op het ogenblik zijn opgeslagen in het Museum “De Lakenhal”, tijdelijk in bewaring te nemen in Museum Bredius. Wij delen u echter wel uitdrukkelijk mede, dat wij voor de bewaarneming geen aansprakelijkheid kunnen aanvaarden.”

2.47.

[X] heeft een op 8 augustus 1976 gedateerde, onderhandse akte ondertekend waarin is opgenomen dat hij aan [Y sr] schenkt: “alle mijne bezittingen, die zich in het Museum Bredius en in het Gemeente Museum te Den Haag bevinden en alle mijn bezittingen, die zich in mijn huis te [plaats 4] […] bevinden en alle mijne roerende lichamelijke zaken, die zich heden en in de toekomst onder berusting van Dr. [Y sr] bevinden” (productie 46 bij dagvaarding). Bij brief van 10 augustus 1976 heeft [X] deze schenking aan de directeur van het museum Bredius en het Haags Gemeentemuseum medegedeeld. In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van [X] heeft bedoelde directeur de mededeling van de schenking aan [Y sr] van “de roerende zaken, behoord hebbende tot de collectie van de Heer [X]” aan hem bij brief van 28 augustus 1984 bevestigd en bericht: “Op grond van deze gedane mededeling heeft het Museum bedoelde collectie voor Dr. [X] als eigenaar gehouden” (productie 49 bij dagvaarding).

2.48.

In maart 1978 is verschenen de “Catalogus van de schilderijen en tekeningen” betreffende het museum Bredius van de hand van Dr. A. Blankert (productie 99 bij dagvaarding, hierna: de catalogus Blankert).

2.49.

[Y sr] was erfgenaam in de nalatenschap van [X] , evenals overigens de huishoudster van [X] in Monaco, mevrouw [F] .

2.50.

In het archief van de Gemeente is aangetroffen een handgeschreven briefje waarop een leesbare handtekening (“[Y sr]”) staat en waarin voorts is opgenomen (productie 126 bij dagvaarding):

Meegegeven 17.2.84 aan Hr [Y sr] Portefeuille met tekeningen, 18 schilderijen, 9 lege lijsten, 29-12-’84 6 schilderijen, 2-2-85 restant schilderijen + 2 stoelen”.

2.51.

Bij brief van 5 maart 1984 heeft [Y sr] de directeur van het Haags Gemeentemuseum en het museum Bredius bericht dat [X] overleden was en ten behoeve van de afwikkeling van de erfenis verzocht om een gespecificeerde lijst van bezittingen van [X] die zich op dat moment in het museum Bredius en in het Haags Gemeentemuseum bevonden (productie 161 bij dagvaarding).

2.52.

Notaris [de boedelnotaris] , als boedelnotaris belast met de afwikkeling van de nalatenschap van [X] , heeft de directeur van het Haags Gemeentemuseum en het museum Bredius bij brief van 25 juni 1984 verzocht te willen bevestigen, dat de roerende zaken destijds behoord hebbende tot de collectie van [X] , eigendom zijn van [Y sr] (productie 48 bij dagvaarding). Genoemde directeur heeft bij brief van 28 augustus 1984 aan dit verzoek voldaan en daarbij medegedeeld dat het museum “bedoelde collectie voor Dr. [X] als eigenaar [heeft] gehouden” (productie 49 bij dagvaarding).

2.53.

Op 1 januari 1985, enkele maanden na het overlijden van [X] , werd het museum Bredius gesloten en werden de zich in dat museum bevindende kunstwerken ondergebracht in depot bij het Haags Gemeentemuseum.

2.54.

[Y sr] heeft teruggavebewijzen van het Haags Gemeentemuseum van door [X] in bruikleen gegeven kunstobjecten ondertekend, waaronder bewijzen betreffende de teruggave van het in 1922 in bruikleen gegeven werk “De Bedelaar” van Van Konijnenburg (daterend van 17 april 1985, productie 118 bij antwoord) en één van de in het zelfde jaar in bruikleen gegeven (porselein)kast (daterend van 13 mei 1985, productie 119 bij antwoord).

2.55.

[Y sr] heeft zich, tezamen met enkele familieleden van Bredius, bij brief van

4 februari 1985 aan de Gemeente verzet tegen sluiting van het museum Bredius en zich verzet tegen verplaatsing naar een andere locatie van “de destijds aan de gemeente vermaakte verzameling Bredius” vanwege strijd met de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last (productie 52 bij antwoord). Omstreeks april 1988 is een concept-dagvaarding met dezelfde strekking gevolgd.

2.56.

Naar aanleiding van de zojuist genoemde concept-dagvaarding heeft de Gemeente de Hoge Raad verzocht de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last aldus te wijzigen, dat alle onder dat legaat begrepen schilderijen en kunstvoorwerpen blijvend worden geëxposeerd in het daartoe in het pand Lange Vijverberg 14 te Den Haag in te richten, voor het publiek toegankelijk, onder de naam museum Bredius te exploiteren museum. Bij beschikking van 16 maart 1990 heeft de Hoge Raad dit verzoek gehonoreerd (ECLI:NL:HR:1990:AD1057). Het museum Bredius is sedert 30 november 1990 voor publiek toegankelijk aan de Lange Vijverberg 14 te Den Haag.

2.57.

In 1985 is opgericht de Stichting Bredius Genootschap (hierna: de stichting).

De stichting heeft onder meer het startkapitaal voor de heropening van het museum Bredius bijeengebracht. Bij overeenkomst van 6 december 1988 is de collectie Bredius door de Gemeente in bruikleen gegeven aan de stichting die het beheer over deze collectie is gaan voeren (productie 52 bij dagvaarding). [Y sr] is vanaf 12 september 1988 tot aan zijn overlijden in 1998 bestuurslid van de stichting geweest en heeft in aanmerkelijke mate financieel bijgedragen aan de heropening van het museum Bredius. Na het overlijden van [Y sr] is [eiser] toegetreden tot het bestuur van de stichting. [eiser] is, in verband met een conflict, sinds 27 oktober 2014 geen bestuurslid van de stichting meer.

2.58.

Volgens een verklaring van erfrecht d.d. 12 augustus 1998 (productie 146 bij dagvaarding) is [eiser] enig erfgenaam van [Y sr] , onder de last van het levenslang recht van vruchtgebruik op de nalatenschap van [Y sr] ten behoeve van de weduwe van [Y sr] , mevrouw [Z] . [eiser] heeft de nalatenschap van [Y sr] aanvaard.

2.59.

De stichting heeft geregeld kunstwerken uit het museum Bredius in bruikleen afgestaan aan andere musea en tentoonstellingen. Dit is ook het geval geweest ten aanzien van het schilderij “Berglandschap” van (een navolger van) Hercules Seghers. Dit schilderij is onherstelbaar beschadigd geraakt tijdens een brand in het Armandomuseum op 22 oktober 2007. De stichting heeft dientengevolge een verzekeringsuitkering van 250.000 euro ontvangen.

2.60.

Nadat [eiser] de Gemeente ervan in kennis had gesteld dat hij aanspraak maakt op een deel van de zich in het museum Bredius bevindende kunstobjecten, is de Gemeente een archiefonderzoek gestart. Bevindingen daarvan zijn [eiser] op

15 november 2013 en in april 2014 verstrekt (producties 132 tot en met 136 bij antwoord). Nadat geschil was ontstaan tussen [eiser] en de Gemeente heeft [eiser] alle door hem gestelde bruiklenen opgezegd en heeft de Gemeente bij brief van

1 oktober 2014 - in lijn met de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last - de toestemming aan de stichting om kunstobjecten uit het museum Bredius aan derden in bruikleen te geven, ingetrokken (productie 92 bij dagvaarding).

2.61.

[eiser] heeft Dr. [de externe onderzoeker] (hierna: “ [de externe onderzoeker] ”) ingeschakeld als externe onderzoeker. [de externe onderzoeker] heeft lijsten opgesteld van de verschillende kunstvoorwerpen waarop [eiser] , om verschillende redenen, aanspraak maakt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. een verklaring voor recht luidende dat in eigendom aan hem toebehoren de

kunstvoorwerpen die

A. voor het overlijden van Bredius behoorden tot de eigen collectie van [X]

of

B. behoorden tot de collectie Bredius en die ten tijde van het overlijden van Bredius niet tentoongesteld waren op de bel-etage van het Brediushuis (het Bredius Museum) of

C. behoorden tot de collectie Bredius en waren voorzien van een akte met de inhoud dat het betreffende kunstvoorwerp niet gelegateerd was aan de Gemeente.

2. een verklaring voor recht dat de door Bredius in zijn testament van 1944 aan de Gemeente opgelegde last (zoals gewijzigd bij de beschikking van de Hoge Raad van 16 maart 1990) aldus moet worden uitgelegd, dat dit testament verbiedt om:

A. gelegateerde kunstvoorwerpen uit te lenen aan derden (of anderszins te verplaatsen naar buiten het Bredius Museum), en

B. gelegateerde kunstvoorwerpen samen te voegen met kunstwerken die niet onder het legaat vallen, en

C. gelegateerde kunstvoorwerpen niet tentoon te stellen in het museum Bredius, althans op te slaan in een depot, en

D. toestemming te verlenen voor handelingen zoals genoemd onder 2. A, B en/of C door de Stichting Bredius Genootschap (of enige andere derde), of dergelijke handelingen te gedogen.

(daarnaast primair:)

3. veroordeling van de Gemeente tot afgifte aan hem van al hetgeen krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van Hercules Seghers’ Landschap met inbegrip van het rendement daaruit, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;

4. veroordeling van de Gemeente tot afgifte aan hem van de voorwerpen behorende tot de eigen [collectie X] , te weten de schilderijen en tekeningen die eigendom zijn van [X] en diens rechtsopvolgers (vermeld in bijlage 1 van de als productie 166 bij akte in het geding gebrachte lijst), althans hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van die kunstvoorwerpen met inbegrip van het rendement daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;

5. veroordeling van de gGmeente tot afgifte aan hem van de porseleinen voorwerpen uit de eigen [collectie X] (vermeld op de als productie 100 bij dagvaarding in het geding gebrachte lijst), althans hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van die kunstvoorwerpen met inbegrip van het rendement daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;

6. veroordeling van de Gemeente tot afgifte aan hem van de overige kunstvoorwerpen uit de eigen [collectie X] , waaronder meubilair (vermeld op de als productie 134 bij dagvaarding in het geding gebrachte lijst), althans hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van die kunstvoorwerpen met inbegrip van het rendement daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;

7. veroordeling van de Gemeente tot afgifte aan hem van de schilderijen die door Bredius waren voorzien van een akte met de inhoud dat het betreffende kunstvoorwerp niet gelegateerd was aan de Gemeente, althans hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van die kunstvoorwerpen met inbegrip van het rendement daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent.

Het gaat om de schilderijen:

- “Zelfportret met tulband” van S. van Hoogstraten (nr. 42 catalogus Knuttel);

- “Landschap van A. van de Velde (nr. 221 catalogus Knuttel);

- “Schildersateliervan H. Pot (nr. 107 catalogus Knuttel);

- “Lachende man” - Spaanse school;

- “Hondvan A. Cuyp (nr. 173 catalogus Knuttel);

- “Figuren in maanlandschapvan N. Knupfer (nr. 190 catalogus Knuttel);

8. veroordeling van de Gemeente tot afgifte aan hem van de schilderijen en tekeningen uit de collectie Bredius waarvan kan worden vastgesteld dat zij op het moment van overlijden van Bredius niet tentoongesteld waren en derhalve buiten het legaat aan de Gemeente vielen en eigendom zijn geworden van [X] en diens rechtsopvolgers (vermeld op de als productie 114 bij dagvaarding in het geding gebrachte lijst), althans hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van die kunstvoorwerpen met inbegrip van het rendement daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;

9. veroordeling van de Gemeente tot afgifte aan hem van de porseleinen voorwerpen uit de collectie Bredius waarvan kan worden vastgesteld dat zij op het moment van overlijden van Bredius niet tentoongesteld waren en derhalve buiten het legaat aan de Gemeente vielen en eigendom zijn geworden van [X] en diens rechtsopvolgers (vermeld op de als productie 117 bij dagvaarding in het geding gebrachte lijst), althans hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van die kunstvoorwerpen met inbegrip van het rendement daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;

10. veroordeling van de Gemeente tot afgifte aan hem van de niet genummerde porseleinen voorwerpen (vermeld op de als productie 120 bij dagvaarding in het geding gebrachte lijst), althans hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van die kunstvoorwerpen met inbegrip van het rendement daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;

11. veroordeling van de Gemeente tot afgifte aan hem van de overige kunstvoorwerpen uit de collectie Bredius (waaronder meubilair) waarvan kan worden vastgesteld dat zij op het moment van overlijden van Bredius niet tentoongesteld waren en derhalve buiten het legaat aan de Gemeente vielen en eigendom zijn geworden van [X] en diens rechtsopvolgers (vermeld op de als productie 121 bij dagvaarding in het geding gebrachte lijst), althans hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van die kunstvoorwerpen met inbegrip van het rendement daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag waarop de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;

(subsidiair, in geval hetgeen onder nummers 3 tot 11 gevorderde niet (geheel) kan worden

toegewezen:)

12. veroordeling van de Gemeente om binnen twintig werkdagen na betekening van dit vonnis na te komen haar toezegging om per individueel kunstvoorwerp:

A. de eigendomssituatie vast te stellen en

B. te onderscheiden welke kunstvoorwerpen behoren tot de [collectie X] en welke tot de collectie Bredius en

C. ten aanzien van de collectie Bredius de eigendom vast te stellen vanuit het uitgangspunt dat het type ruimtegebruik de scheiding aangeeft tussen openbare en niet-openbare ruimtes en daarmee statusinformatie geeft over de zich in die ruimten bevindende kunstvoorwerpen,

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag waarop de Gemeente niet (geheel) voldoet aan deze veroordeling;

(daarnaast in alle gevallen:)

13. veroordeling van de Gemeente in de buitengerechtelijke kosten door [eiser] gemaakt;

14. veroordeling van de Gemeente in de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen zeer kort samengevat het navolgende ten grondslag.

3.2.1.

Het legaat aan de Gemeente is in duidelijke bewoordingen gesteld, zodat naar het toepasselijke Monegaskische recht -dat in dit opzicht gelijk is aan het Nederlandse-

geen plaats is voor (nadere) uitleg van het legaat. Duidelijk is dat slechts de ten tijde van het overlijden van Bredius in het museum Bredius geëxposeerde schilderijen, schetsen en andere kunstvoorwerpen onder het legaat aan de Gemeente vallen. De overige zich destijds in het Brediushuis (in opslag) bevindende schilderijen, schetsen en andere kunstvoorwerpen vallen dus niet onder het legaat. Subsidiair heeft te gelden dat uitleg van het testament dient te resulteren in het oordeel dat Bredius niet heeft bedoeld de gehele inhoud van het Brediushuis te legateren aan de Gemeente, maar slechts de schilderijen, schetsen en kunstvoorwerpen die ten tijde van zijn overlijden geëxposeerd waren in het museum Bredius, te weten op de bel-etage en de galerij daarvan. [eiser] is dan ook door erfopvolging eigenaar geworden van de zich ten tijde van het overlijden van Bredius in het Brediushuis bevindende, niet in het museum Bredius tentoongestelde schilderijen, schetsen en andere kunstvoorwerpen. De Gemeente heeft deze kunstwerken tot voor kort slecht voor hem gehouden op grond van (stilzwijgende) bruikleen.

3.2.2.

Aan de schilderijen “Zelfportret met tulband” van S. van Hoogstraten, “Landschap van A. van de Velde, “Schildersateliervan H. Pot, “Lachende man(Spaanse school), “Hondvan A. Cuyp en “Figuren in maanlandschapvan

N. Knupfer, die zich ten tijde van het overlijden van Bredius in het Brediushuis bevonden, was een briefje (“akte”) bevestigd met de strekking dat het betreffende schilderij niet onder het legaat aan de Gemeente valt. Ook deze schilderijen behoren dan ook in eigendom aan [eiser] toe en zijn tot voor kort door de Gemeente voor hem gehouden op grond van (stilzwijgende) bruikleen.

3.2.3.

[X] heeft een eigen collectie opgebouwd, bestaande uit schilderijen (waaronder het schilderij “Berglandschap” van (een navolgeling van) Hercules Seghers), schetsen, porselein en meubilair. Deze collectie is door hem in (stilzwijgende) bruikleen gegeven aan de Gemeente. [eiser] is door erfopvolging eigenaar geworden van deze collectie, waarvan een aanmerkelijk gedeelte niet is geretourneerd aan (de rechtsvoorgangers van) [eiser] .

3.2.4.

Nadat [eiser] en de Gemeente in 2014 in overleg waren getreden over de aanspraken van [eiser] , is de Gemeente een (archief)onderzoek gestart.

Dit onderzoek heeft zij echter, zonder (geldige) reden, niet voortgezet. Voor het geval de namens [eiser] door dr. [de externe onderzoeker] op grond van eigen onderzoek opgestelde lijsten (producties 100, 114, 117, 120, 121, 134 en 166 van [eiser] ) niet als uitgangspunt genomen zouden mogen worden, vordert [eiser] voortzetting van dit onderzoek.

3.2.5.

De Gemeente heeft de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last langdurig en op grote schaal geschonden, met name door aan haar gelegateerde kunstwerken uit de collectie Bredius (door de stichting) uit te (laten) lenen aan derden. [eiser] vordert een verklaring voor recht waarin de inhoud van de last wordt bevestigd.

3.3.

De Gemeente voert verweer. De verweren van de Gemeente zijn - zeer kort samengevat - de volgende:

I. de gehele collectie Bredius valt onder het legaat aan de Gemeente op grond van de uitleg van dat legaat;

II. zo niet, dan is de Gemeente eigenaar geworden van de gehele collectie Bredius op grond van de wijze van uitvoering en afwikkeling van het legaat aan de Gemeente;

III. indien het legaat aan de Gemeente beperkt dient te worden uitgelegd is de Gemeente eigenaar geworden van de resterende, ten tijde van het overlijden van Bredius niet-tentoongestelde kunstwerken uit de collectie Bredius op grond van schenking door [X] ;

IV. zo niet, dan is de Gemeente eigenaar geworden van deze resterende kunstwerken uit de collectie Bredius op grond van verkrijgende verjaring;

V. bovendien is er sprake van rechtsverwerking aan de zijde van [eiser] .

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze zaak zijn in de kern genomen twee vragen aan de orde. In de eerste plaats is aan de orde de vraag of [eiser] - die enig erfgenaam is van [Y sr] die op zijn beurt weer erfgenaam was van [X] die op zijn beurt weer enig erfgenaam was van Bredius - door vererving kunstvoorwerpen in eigendom heeft verkregen uit het zich ten tijde van het overlijden van Bredius in het museum Bredius bevindende deel van de collectie Bredius.

De tweede kernvraag luidt of de Gemeente nog onder zich heeft, althans nooit aan de rechthebbende heeft geretourneerd, kunstvoorwerpen uit de eigen collectie van [X] die [X] destijds aan haar in bruikleen, althans bewaargeving heeft gegeven en die [eiser] op grond van zijn erfgenaamschap in eigendom heeft verkregen. Partijen gaan terecht uit van de bevoegdheid van deze rechtbank om over deze vragen (en de daarmee samenhangende kwesties) te oordelen.

4.2.

Ter beantwoording van bedoelde eerste vraag dient de rechtbank te beoordelen of het gehele, zich ten tijde van het overlijden van Bredius in het museum Bredius bevindende deel van de collectie Bredius onder het legaat aan de Gemeente valt of, anders gesteld, of van dit legaat uitgezonderd waren de ten tijde van het overlijden van Bredius niet in het museum Bredius tentoongestelde kunstobjecten. Ook zal moeten worden beoordeeld of [eiser] eigenaar is geworden van de onder 3.1 sub 7 genoemde zes schilderijen ten gevolge van de daarop bevestigde akten.

Uitleg van het legaat aan de Gemeente - toepasselijk recht

4.3.

Aangezien Bredius ten tijde van zijn overlijden de Monegaskische nationaliteit bezat, is op zijn nalatenschap het erfrecht van het prinsdom Monaco van toepassing (vgl. HR 16 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1057).

Teneinde deugdelijk te worden voorgelicht over het relevante deel van het Monegaskische erfrecht dat gold in de jaren veertig van de vorige eeuw, heeft de rechtbank juridisch advies gevraagd aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag (IJI). Partijen hebben zich kunnen uitlaten over de aan dit instituut voor te leggen vragen. Het IJI heeft professor Michel Grimaldi, verbonden aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Panthéon - Assas (Paris II), bereid gevonden te adviseren. Professor Grimaldi heeft op 30 maart 2018 schriftelijk advies uitgebracht. Partijen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt zich uit te laten over dit advies, op grond waarvan de rechtbank vaststelt dat zij dit onderschrijven.

Het Monegaskische erfrecht is sterk verwant aan het Franse erfrecht (en daarmee ook aan het Nederlandse, omdat dit zijn oorsprong vindt in het Franse erfrecht).

De Monegaskische rechter gaat bij de toepassing van het Monegaskische erfrecht om die reden ook te rade bij de rechtspraak van de Franse rechters.

Ook in het Monegaskische erfrecht werd al in de jaren veertig van de vorige eeuw onderkend dat een testament dubbelzinnige of vage bepalingen kan bevatten waarvan naar de betekenis moet worden gezocht bij wege van uitlegging. Deze uitlegging is een kwestie van feitelijke aard. De Franse Hoge Raad waakt echter ervoor dat de feitenrechter niet onder het voorwendsel van onduidelijkheid en uitlegging, een testament herschrijft; eerst moet op grond van slechts de bewoordingen van het testament worden vastgesteld of deze “enige ruimte voor onzekerheid” laten (“quelque incertitude”, vgl Cour de Cassation 23 februari 1863, DP 1863.1.1.171) en, indien dat zo is, kan vervolgens op grond van alle omstandigheden de bedoeling van de erflater worden vastgesteld (uitleg “dans l'esprit des testateurs” en “conforme à la volonté des testateurs” (vgl. bijvoorbeeld Tribunal de première instance de Monaco, 25 april 1996 Institut Gustave Roussy c / Consorts M.) Daarbij kunnen, ter ondersteuning van de uitleg van het testament, andere geschriften dan het testament waarin het legaat is opgenomen worden aangevoerd. Dit kunnen geschriften zijn die dateren van voor of van na het testament.

Bewoordingen van het Legaat aan de Gemeente duidelijk?

4.4.

Met de Gemeente en anders dan [eiser] , is de rechtbank van oordeel dat de bewoordingen van het legaat aan de Gemeente (bezien in de context van het gehele testament Bredius) ruimte voor onzekerheid laten en dat dit legaat dan ook moet worden uitgelegd “dans l'esprit des testateurs” en “conforme à la volonté des testateurs”. Niet in geschil is dat vóór en na het verlijden van het testament Bredius het in het museum Bredius (voor het publiek) tentoongestelde deel van de collectie Bredius aan verandering onderhevig was doordat herschikkingen plaatsvonden. Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat (enige ruimte voor) onzekerheid bestaat over het antwoord op de vraag of de zinsnede in het legaat “tous les tableux et tous les objets d’art qui sont exposés” doelt op de kunstobjecten die op een bepaald moment werkelijk in het museum Bredius tentoongesteld waren of dat daaronder ook vallen de ooit tentoongestelde en al dan niet tijdelijk in depot gestelde kunstobjecten. Als voorts al ervan dient te worden uitgegaan dat met “tous les tableux et tous les objets d’art qui sont exposés” de op een bepaald moment werkelijk op de eerste etage en de galerij van het Brediushuis geëxposeerde kunstobjecten zijn bedoeld (en bijvoorbeeld niet ook de objecten die nooit zijn tentoongesteld, maar daarvoor wel in aanmerking kwamen), rijst de in het testament niet beantwoorde vraag of het legaat ziet op de ten tijde van het verlijden van het testament werkelijk geëxposeerde kunstobjecten of op de ten tijde van het overlijden van Bredius werkelijk geëxposeerde kunstobjecten.

4.5.

Deze ruimte voor onzekerheid bestaat te meer nu, zoals de Gemeente terecht onder de aandacht heeft gebracht, de door [eiser] bepleite letterlijke interpretatie van het legaat aan de Gemeente een ongerijmde consequentie zou hebben, indien de vraag wat werkelijk tentoongesteld stond, zou moeten zijn beantwoord op het moment waarop de gehele collectie-Bredius eind 1944/begin 1945 vanwege het gevaar van beschadiging door bombardementen ondergebracht was in het gebouw van de Nederlandse Handelsmaatschappij (vgl. 2.10) of tijdens een restauratie van het museum Bredius waarbij de kunstobjecten tijdelijk uit de tentoonstellingsruimten gehaald waren. Onder die toevallige omstandigheden zou de Gemeente ingevolge de letterlijke interpretatie immers niets gelegateerd krijgen, hetgeen in ieder geval niet de bedoeling van Bredius kan zijn geweest.

4.6.

Daarbij komt dat, indien ervan dient te worden uitgegaan dat volledig duidelijk zou zijn dat met “tous les tableux et tous les objets d’art qui sont exposés” de op een bepaald moment werkelijk op de eerste etage en de galerij van het Brediushuis geëxposeerde kunstobjecten bedoeld zijn, niet direct valt in te zien waarom in het testament ten behoeve van [X] een legaat is opgenomen ten aanzien van het (tijdens het leven van Bredius nooit tentoongestelde, zich in een kast in het voormalig kantoor van Bredius bevindende) schetsboekje van Van Goyen (2.13). Als slechts de werkelijk op de eerste etage en de galerij van het Brediushuis geëxposeerde kunstobjecten bedoeld zouden zijn, is dit legaat aan [X] zinledig, omdat hij van dit schetsboek al eigenaar zou zijn geworden op grond van zijn enig erfgenaamschap. Het argument van [eiser] dat dit schetsboekje was opgeborgen en daarom expliciet moest worden genoemd in het testament overtuigt de rechtbank niet.

4.7.

[eiser] heeft in dit verband nog gewezen op het in het testament van Bredius opgenomen, onder 2.13 aangehaalde legaat aan [… 1] en [… 2] van onder meer Chinees porselein dat zich bevond in Bredius’ voormalige slaapkamer in het Brediushuis. Als niet van de letterlijke tekst van het legaat aan de Gemeente wordt uitgegaan, zou daardoor dit porselein volgens hem dubbel gelegateerd zijn (aan voormelde familieleden en aan de Gemeente). Nog daargelaten de juistheid van deze laatste gevolgtrekking, doet deze onvoldoende af aan de onder 4.4 bedoelde (in het testament onbeantwoorde) vragen, de onder 4.5 beschreven ongerijmde consequentie van een letterlijke interpretatie waarbij wordt uitgegaan van de situatie op het moment van overlijden en de zinledigheid van het legaat van het schetsboekje van Van Goyen en bevestigt daardoor de ongerijmdheid van de legaten in het testament Bredius en daarmee de noodzaak tot uitleg van het legaat aan de Gemeente.

4.8.

Ten slotte ontkomt ook [eiser] er bij zijn letterlijke interpretatie niet aan om de tekst nader uit te leggen; bijvoorbeeld de door hem bepleite afbakening van het wel en niet tentoongestelde in de vorm van het - niet in het testament genoemde - rode koord dat zou hebben gehangen vóór de trap naar de, boven de eerste verdieping / bel-etage gelegen, verdieping.

De uitleg van het legaat aan de Gemeente

4.9.

Voor een uitleg “dans l'esprit des testateurs” en “conforme à la volonté des testateurs” is de rechtbank aangewezen op uitingen van Bredius en uitingen die tot Bredius kunnen worden herleid of aan hem kunnen worden toegeschreven.

De interpretatie die anderen, al dan niet na overlijden van Bredius, aan zijn wil en bedoelingen hebben gegeven, is niet beslissend.

Kenbare wens van Bredius

4.10.

De rechtbank hecht in dit verband in de eerste plaats veel waarde aan de onder 2.5 aangehaalde inhoud van de notariële bruikleenakte van 23 maart 1922, waarin Bredius - die blijkens de inhoud van die akte zelf aanwezig was bij het verlijden ervan en de tekst van deze akte bovendien heeft ondertekend - heeft bedongen dat de Gemeente de in bruikleen gegeven voorwerpen als één collectie ter publieke bezichtiging tentoon zal stellen op de eerste etage en de galerij en deze als verzameling-Bredius in stand zal houden. Tevens is bepaald dat de wijze en tijd van bezichtiging in overleg met Bredius werd vastgesteld. Niet in geschil is - en daarom draait deze procedure - dat de gehele collectie niet te allen tijde tentoon is gesteld op de betreffende etages, maar dat een gedeelte van de collectie in een depot werd bewaard. Kennelijk ging dit in overleg met Bredius. Dit was immers zo bepaald in de akte. In de procedure is ook gesteld dat over de opstelling van de werken overleg was met Bredius. Hieruit leidt de rechtbank af dat voor Bredius het ter publieke bezichtiging tentoonstellen - exposer - niet automatisch betekende dat de gehele collectie op elk moment voor het publiek zichtbaar moest zijn op de aangewezen etages. Delen van de collectie mochten ook in depot worden geplaatst.

De in bedoeld beding vervatte wens van Bredius dat zijn kunstverzameling één geheel zou blijven, komt ook tot uitdrukking tijdens een van hem afgenomen (kranten)interview, waarin als zijn woorden zijn opgenomen: “… want ’t liefst ware ’t mij, als mijn collectie voorgoed bij elkander bleef” (productie 12 bij antwoord).

4.11.

Voorts blijkt niet alleen uit de onder 2.6 aangehaalde inhoud van het raadsbesluit van 24 februari 1922, maar ook uit de onder 2.9 aangehaalde, in verschillende catalogi van museum Bredius prominent geplaatste, alinea dat Bredius toegezegd had dat zijn gehele kunstverzameling later aan de Gemeente in eigendom zou gaan toebehoren. Buiten twijfel moet worden geacht dat Bredius - van wie de hechte betrokkenheid bij het museum Bredius niet ter discussie staat - in ieder geval van de inhoud van de catalogi op de hoogte is geweest. Nu gesteld noch gebleken is dat Bredius tegen (herpublicatie van) bedoelde prominent geplaatste alinea heeft geprotesteerd of andersluidende verklaringen daartegenover heeft gesteld, dient deze toezegging aan hem te worden toegeschreven. Daarbij komt nog dat het document Onderzoek collectie Museum Bredius (productie 64 bij dagvaarding, pagina 334) melding maakt van de vondst van een brief van 2 juni 1925 waarin Bredius aan [B] (directeur van de Dienst voor Schone Kunsten) schrijft dat hij “onder zekere – geen overmatige en lastige – condities” wenst zijn “heel coll. schilderijen aan Den Haag te vermaken”.

4.12.

[eiser] heeft in dit verband gewezen op de inhoud van een brief van [de notaris 2] aan Bredius van 8 februari 1934 (productie 22 bij dagvaarding), waarin [de notaris 2] het voornemen van Bredius tot het maken van een nieuw testament bespreekt. Daarin is onder meer opgenomen: “Uw testamenten houden bepalingen in om te waken dat er voor den erfgenaam in verband met de legaten niet te weinig overig blijft. Een dergelijke bepaling is vooral tegenwoordig, met de steeds verdergaande teruggang van de vermogens, zeer zeker nuttig”. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan echter niet worden geconcludeerd dat de in 1934 door [de notaris 2] geconstateerde verdergaande teruggang van de vermogens - kennelijk vanwege in de 1933 ingezette economische crisis - Bredius ruim tien jaar later bij het bepalen van de inhoud van zijn testament van 26 april 1944 (waarop de inhoud van de brief dus niet kan zien) heeft doen afzien van zijn (eerder geuite) wil de gehele, zich in het Brediushuis bevindende kunstverzameling bijeen te houden en aan de Gemeente in eigendom te doen toekomen.

4.13.

Dit laatste geldt te meer nu het dossier verder geen enkele aanwijzing bevat voor een wijziging van de wil van Bredius op dit punt. [eiser] heeft in dit verband nog gewezen op de onder 2.17 aangehaalde passage uit de brief van de directeur van de Dienst voor Schone Kunsten van 6 april 1946. Daaruit zou volgens [eiser] volgen dat in eerdere testamenten - waarvan de Gemeente heeft aangevoerd dat deze niet (meer) voor haar beschikbaar zijn - een andersoortig (en - naar het oordeel van [eiser] - wellicht minder beperkt) legaat aan de Gemeente zou zijn opgenomen, hetgeen voor de uitleg van belang zou kunnen zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet uit bedoelde brief volgt. De passage: “Weliswaar moeten wij de bepaling betreuren, in het laatste testament in tegenstelling met vroegere regelingen opgenomen, dat de geheele verzameling in het tegenwoordige pand moet blijven opgesteld” duidt immers slechts op de toevoeging van een last aan eerdere ongewijzigde legaten (betreffende de geheele verzameling).

4.14.

Een algehele wijziging van de wil van Bredius blijkt evenmin uit de omstandigheid dat Bredius in 1933 en 1936 akten op enkele schilderijen heeft bevestigd of laten bevestigen met de mededeling dat het betreffende schilderij niet behoort tot de schilderijen “aan de Stad vermaakt” (vgl. 2.32, en zie ook hieronder vanaf 4.29 alwaar deze akten nader zullen worden besproken). De rechtbank is van oordeel dat als deze akten al getuigen van de wijziging van zijn aanvankelijke wil de gehele, zich in het Brediushuis bevindende kunstverzameling aan de Gemeente in eigendom te doen toekomen, die wijziging op niet meer heeft gezien dan op de betreffende schilderijen.

4.15.

Nu evenmin uit enig stuk blijkt en bovendien zeer onaannemelijk is dat ten tijde van het verlijden van het testament van Bredius (op 26 april 1944) de vrees bestond dat [X] onbemiddeld zou eindigen indien de gehele kunstverzameling in het Brediushuis eigendom van de Gemeente zou worden, zijn niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat Bredius voorafgaand aan het verlijden van het zojuist genoemde testament zijn wil heeft gewijzigd ten aanzien van de reikwijdte van het legaat.

4.16.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het legaat aan de Gemeente aldus moet worden uitgelegd dat Bredius daarmee het zich, ten tijde van zijn overlijden in het Brediushuis (althans in een tijdelijke, elders gelegen opslag) bevindende deel van zijn kunstcollectie aan de Gemeente heeft gelegateerd. Dat gelegateerd is de collectie zoals die ten tijde van het overlijden van Bredius was opgebouwd en niet zijn collectie ten tijde van het verlijden van het testament, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat niet is gebleken dat ten tijde van het verlijden van het testament in verband met dat testament een (globale) inventarisatie van de toenmalige collectie is opgemaakt.

Handelen betrokkenen na overlijden

4.17.

Hoewel de wijze waarop de betrokkenen bij de afwikkeling van de nalatenschap van Bredius het legaat aan de Gemeente hebben uitgelegd niet beslissend is (vgl. 4.9), ondersteunt de wijze waarop dit legaat is afgewikkeld wel de juistheid van de uitleg van de rechtbank daarvan. Namens [X] heeft [de notaris 2] de Gemeente bij brief van 15 augustus 1946 onder meer bericht: “Bovendien wenscht hij te constateren, dat ook de niet ten toon gestelde schilderijen aan Uwe Gemeente zijn afgestaan” (vgl. 2.18). De Gemeente heeft [de notaris 2] mede in reactie hierop bij brief van 10 januari 2017 onder meer bericht: “Wij stellen er prijs op hierbij te gewagen van onze erkentelijkheid jegens den Heer [X] , die als executeur-testamentair in zoo ruime mate begrip toonde voor de bedoeling van den erflater ten aanzien van het Museum Bredius en voor de belangen van de gemeente” (vgl. 2.24). De rechtbank maakt hieruit op dat ook de direct betrokkenen, waaronder [X] , meenden dat het legaat aan de Gemeente uitleg behoefde en dat die uitleg diende te geschieden aan de hand van de bedoeling van Bredius (en dus niet wezenlijk anders dan “la volonté des testateurs”). De rechtbank is daarbij, met de Gemeente, van oordeel dat [X] , als voormalig levenspartner van Bredius, als geen ander op de hoogte moet zijn geweest van de bedoeling van Bredius.

4.18.

Bij genoemde brief van 10 januari 1947 is [X] voorzien van het raadsbesluit van 16 december 1946 met toelichting (vgl. 2.22 en 2.23). Het raadsbesluit luidt “met groote erkentelijkheid en hooge waardeering jegens de nagedachtenis van den erflater, den heer Dr. A. Bredius […] ten behoeve van het gemeentelijk kunstbezit te aanvaarden het aan de Gemeente gemaakte legaat, bestaande uit de thans in het museum-Bredius, Prinsegracht 6, alhier, aanwezige verzameling schilderijen, teekeningen, oude meubelen, porselein, glaswerk en zilver, met inachtneming van de voorwaarde, dat deze kunstvoorwerpen in het genoemde museum opgesteld zullen blijven”.

4.19.

In de toelichting bij het raadsbesluit van 16 december 1946 valt onder meer te lezen: “[…] de Gemeente [zal] een ideëel en materieel kostbare verzameling de hare kunnen noemen, welke bestaat uit schilderijen, teekeningen, oude meubelen, porselein, glaswerk en zilver. Daaronder zijn werken van hooge aesthetische waarde, waarvan in het bijzonder moeten worden genoemd: twee schilderijen van Rembrandt, waaronder de aangrijpende Christuskop en eenige van zijn zeer belangrijke teekeningen: eenige fraaie werken van Jan Steen, een der in Nederland zeldzame landschappen van Albert Cuyp, van diep-poëtische stemming; een treffend portret van een oude vrouw door Thomas de Keyser, een familiegroep (portretten) door Adriaan van Ostade, een landschap van Hercules Seghers, een interieur met figuren van Willem Buytewegh, een zeer fraai wintergezicht van Aert van der Neer, een der zeldzame en fraaie landschappen van den ouden Pieter Bruegel. Daarnaast bevat de collectie van 232 schilderijen en teekeningen tal van werken, die uit kunst-historisch oogpunt interessant zijn, terwijl eveneens een hooge waarde moet worden toegekend aan de tallooze kunstvoorwerpen, die in dit huis zijn opgesteld, zoowel oude meubels als vitrine-objecten, die de sfeer van het rijke en gedistingeerde Nederlandsche patriciërsinterieur typisch tot uiting doen komen.”

4.20.

Uit het raadsbesluit van 16 december 1946 en de toelichting daarop, in samenhang bezien met de onder 4.17 aangehaalde correspondentie, volgt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat de direct betrokkenen onderschreven dat de juiste uitleg van het legaat aan de Gemeente behelsde dat het gehele, zich in het Brediushuis bevindende deel van de collectie Bredius daaronder viel. Anders dan [eiser] betoogt, bevat de toelichting wel een duidelijke link tussen de omvang van het legaat aan de Gemeente en de omschrijving van de (deels bij naam genoemde) kunstobjecten en staat deze omschrijving geenszins los van dit legaat (“de Gemeente [zal] een ideëel en materieel kostbare verzameling de hare kunnen noemen, welke bestaat uit …”).

Bij het oordeel over de door de direct betrokkenen onderschreven uitleg, weegt mee dat geen enkele aanwijzing bestaat dat [X] op enig moment nadat het raadsbesluit met toelichting (al dan niet via [de notaris 2] ) aan hem was verzonden aan de Gemeente te kennen heeft gegeven of laten geven dat het raadsbesluit van een te ruime uitleg van het legaat aan de Gemeente uitgaat. Evenmin heeft [X] sedertdien aanspraak gemaakt op (expliciet benoemde, niet-tentoongestelde) kunstobjecten uit de collectie Bredius die zich in het Brediushuis bevonden. De als bijlage 10 bij productie 164 van [eiser] overgelegde kladaantekeningen die kennelijk zijn opgemaakt ten behoeve van en in de aanloop naar de onder 2.47 aangehaalde akte betreffende de schenking van [X] aan [Y sr] kunnen niet als zodanig gelden. Bij deze, kennelijk niet door [X] zelf gemaakte kladaantekeningen, die expliciet handelen over de schenking door [X] aan [Y sr] van de kunstwerken die eigendom van Bredius waren geweest, die zich in museum Bredius bevonden en ware nagelaten aan [X] en niet onder het legaat aan de Gemeente vielen, staat vermeld: “Dit met oom [X] [ [X] , rb] bespreken en laten goedkeuren en laten tekenen”. Getuige de onder 2.47 aangehaalde tekst van de schenking is de in deze aantekeningen gedane suggestie kennelijk niet overgenomen door [X] . Uit de onder hetzelfde nummer aangehaalde brief van de Gemeente inzake deze schenking van 28 augustus 1984 kan ook niet worden opgemaakt dat de Gemeente is uitgegaan van een letterlijke, beperkte uitleg van het legaat aan de Gemeente. De Gemeente bevestigt enkel dat zij hetgeen zij voor de schenking voor [X] hield, voor [Y sr] is gaan houden.

4.21.

In de toelichting bij het raadsbesluit van 16 december 1946 wordt voor de omvang van de collectie Bredius kennelijk aangesloten bij de catalogus van Knuttel in samenhang bezien met de supplement-catalogus 1945 (vgl. 2.9 en 2.11), getuige onder meer het genoemd aantal van 232 schilderijen en tekeningen; in deze catalogus is, evenals in de catalogus uit het derde kwartaal van 1946 (vgl. 2.23), het (overgrote) gedeelte van de daarin opgenomen schilderijen en tekeningen genummerd van 1 tot en met 232.

Dat in de brief van [de notaris 2] van 15 augustus 1946 slechts gewag wordt gemaakt van de niet-tentoongestelde schilderijen die aan de Gemeente zijn afgestaan (en niet van schetsen en overige kunstobjecten), zoals [eiser] (subsidiair) benadrukt, kan niet tot een ander oordeel ten aanzien van de uitleg van het legaat leiden omdat daardoor niet de onder 4.20 weergegeven argumenten worden geraakt. In het raadsbesluit worden namelijk expliciet enkele tekeningen genoemd. Bovendien staat niet ter discussie dat de collectie Bredius heel veel meer schilderijen bevatte dan schetsen. Als al sprake was van niet-tentoongestelde schetsen - hetgeen tussen partijen in geschil is - zal het aantal daarvan aanmerkelijk hebben ondergedaan voor het aantal niet-tentoongestelde schilderijen, zodat aan het door [de notaris 2] in zijn brief van 15 augustus 1946 niet expliciet benoemen van de (eventueel) niet-tentoongestelde schetsen geen zwaarwegende betekenis kan toekomen. Dit geldt te meer, nu n de tekst van het legaat aan de Gemeente geen expliciet onderscheid wordt aangebracht tussen schilderijen en schetsen. Daarbij komt dat zelfs volgens [eisers] eigen stellingen - die overigens nog eens door de Gemeente bestreden worden - het aantal niet-tentoongestelde overige kunstobjecten (lijsten producties 117 en 121 bij dagvaarding) relatief zeer gering was.

4.22.

Evenmin volgt de rechtbank [eiser] in zijn stelling dat bij brief van 15 augustus 1946 slechts duidelijk is bedoeld dat [eiser] de niet-tentoongestelde schilderijen in bruikleen wenste af te staan aan de Gemeente. Dat duidelijk was dat bij gebruik van het werkwoord “afstaan” slechts op bruikleen kon worden gedoeld, wordt reeds ondergraven door het gegeven dat een paar regels eerder in dezelfde brief sprake ervan is dat [X] drie kasten met porcelein in bruikleen heeft aangeboden (onderstreping rechtbank). Belangrijker nog is, dat van bruikleen van schilderijen uit het zich in het Brediushuis bevindende deel van de collectie Bredius geen spoor te bekennen valt in de onder 2.26 tot en met 2.29 aangehaalde correspondentie over het (her)bevestigen van door [X] aan de Gemeente in bruikleen gegeven kunstobjecten, daterend van enkele maanden na dagtekening van bedoelde brief.

4.23.

Gezien het voorgaande kan het geschil tussen partijen over de vraag of de onder 2.22 bedoelde brief van 11 september 1946, zoals de Gemeente betoogt, werkelijk verzonden is, onbeslecht blijven. De inhoud van die brief voegt voor het oordeel over de wijze waarop de direct betrokkenen het legaat aan de Gemeente hebben uitgevoerd immers niets toe ten opzichte van het aan [X] toegezonden raadsbesluit van 16 december 1946 met toelichting.

Overige argumenten [eiser] ten aanzien van de uitleg van het legaat aan de Gemeente

4.24.

Nu onder nummer 4.4. tot en met 4.8. reeds is geoordeeld dat de bewoordingen van het legaat aan de Gemeente voor onderscheidene opvattingen vatbaar zijn en dus moeten worden uitgelegd, komt aan de letterlijke bewoordingen dus ook geen doorslaggevende betekenis toe in het kader van de uitleg van dit legaat.

De argumenten die [eiser] in het kader van de discussie over de uitleg van dit legaat aan de letterlijke tekst ontleent, kunnen dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Dit geldt dus ook voor de door [eiser] benadrukte omstandigheid dat de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in zijn brief van 28 maart 1946 (vgl. 2.16) en de directeur van de Dienst voor Schone Kunsten van 6 april 1946 (vgl. 2.17) de letterlijke vertaling van de tekst van het legaat aan de Gemeente heeft aanhaald.

4.25.

Uit de omstandigheid dat [X] de traploper en het portret van Bredius van de hand van Van Wely aan de Gemeente heeft geschonken, kan, anders dan [eiser] betoogt, niet worden afgeleid dat ( [X] ervan uitging dat) een beperkte uitleg van het legaat aan de Gemeente moet worden gehanteerd. Noch de traploper - geen kunstwerk - noch dit portret van Bredius - - maakte namelijk deel uit van het zich in het Brediushuis bevindende deel van de collectie Bredius. Het schilderij is namelijk niet vermeld in de supplement-catalogus 1945 van Knuttel of in de catalogus uit het derde kwartaal van 1946.

4.26.

Zoals reeds hiervoor onder 4.9 is overwogen, is niet beslissend de interpretatie die anderen aan de wil en bedoeling van Bredius die aan het legaat aan de Gemeente ten grondslag ligt, toekennen of hebben toegekend. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de door [eiser] gestelde - overigens door de Gemeente met klem betwiste - beperkte interpretatie van bedoeld legaat die medewerkers van de Gemeente in de eerste contacten met [eiser] vanaf 2013 kenbaar zouden hebben gemaakt (nrs 97 ev dagvaarding) en de (gestelde) beperkte interpretatie van de secretaris van de stichting uit 2013 (nr 101 dagvaarding).

4.27.

[eiser] beroept zich, in verband met de vraag naar de uitleg van het legaat aan de Gemeente, nog op een getypte lijst met kunstvoorwerpen onder de kop “Eigendom van de Heer [X]”, met daarop onder meer 33 schilderijen/ tekeningen, die zich bevindt achter de door hem als productie 38 bij dagvaarding overgelegde handgeschreven brief van 18 augustus 1948 van mevrouw [C] aan [X] . Bij deze brief is ook een handgeschreven lijst betreffende de kunstvoorwerpen in kamers 7 en 10 gevoegd (vgl. 2.32). Nog ervan afgezien dat de Gemeente betwist dat bedoelde getypte lijst onderdeel heeft uitgemaakt van de voor het overige handgeschreven brief van 18 augustus 1948, kan ook - bij gebreke van duidelijkheid over de bronnen gebruikt bij de totstandkoming van deze lijst - niet worden geconcludeerd dat uit deze lijst volgt dat een beperkte uitleg moet worden gehanteerd noch dat [X] zelf meende kunstvoorwerpen uit de zich in het Brediushuis bevindende collectie Bredius in eigendom te hebben.

Overigens komen de in de getypte lijst opgenomen schilderijen en tekeningen ogenschijnlijk niet voor als behorende tot het zich in het Brediushuis bevindende deel van de collectie Bredius volgens de catalogus van Knuttel, de supplement-catalogus 1945 en de catalogus van het derde kwartaal van 1946. Dit lijdt uitzondering ten aanzien van, zo lijkt het althans, “Herbergscène” van Adriaen Brouwer dat in al deze catalogi een “geschenk van [X]” wordt genoemd. Voorts vermeldt de catalogus van Knuttel (uit 1926) weliswaar “Schilderklasse” van J.J. Horemans (mogelijk overeenstemmend met schilderij 1 op de getypte lijst ‘Korremans - Atelier’) en “Vrouwtje bij een karnton” van J.S. Monogrammist, (mogelijk overeenkomend met schilderij 19 op de getypte lijst ‘Menegr. J.S. - boer aan karnton) maar is achter die werken in de catalogus van Knuttel opgenomen: “niet meer aanwezig, is bij de heer [X]” en komen deze werken niet voor in (de supplement-catalogus 1945 en) de catalogus van het derde kwartaal van 1946.

Onvoldoende toegelicht is dan ook dat deze schilderijen ten tijde van het overlijden van Bredius deel uitmaakten van de collectie Bredius, zodat aan deze getypte lijst, voor wat betreft de uitleg van het testament, geen waarde kan worden toegekend.

4.28.

In het licht van de op deze getypte lijst genoemde schilderijen/tekeningen kan voorts, anders dan [eiser] betoogt, geen gewicht worden gehecht aan de vermelding door [X] van de zinnen “Ik heb nog eenige schilderijen […]” en “Er is hier nog geen oplossing voor de douanerechten op mijn schilderijen […]” in zijn brief van 26 april 1955 aan de Dienst voor Schone Kunsten (vgl. 2.36). Daaruit kan, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet geconcludeerd worden dat [X] daarmee doelde op door hem geërfde schilderijen uit het zich in het Brediushuis bevindende deel van de collectie Bredius en niet op de beperkte hoeveelheid schilderijen die deel uitmaakte van zijn eigen collectie.


Voor zover [eiser] ook ten aanzien van de handgeschreven lijst bij de brief van 18 augustus 1948 van mevrouw [C] aan [X] bedoelt te stellen dat de op deze lijst vermelde schilderijen onder de bruikleen van [X] aan de Gemeente vallen omdat deze door [X] van Bredius zijn geërfd, wijst de rechtbank dit standpunt af. Zelfs de brief van 18 augustus 1948 bevat geen aanwijzing dat dat de bedoeling van de handgeschreven lijst is geweest. En hiervan is ook in overige geschriften geen aanwijzing te vinden.

4.29.

Tenslotte heeft [eiser] nog zonder (voldoende) toelichting verwezen naar een groot aantal andere, bij dagvaarding gevoegde producties (producties nummers 7, 8, 40, 44, 103, 104, 118, 130 en 153). De rechtbank kan hierin, ook met de meest welwillende lezing, niet een argument ontwaren voor een beperkte uitleg van het legaat aan de Gemeente of een aanwijzing dat direct betrokkenen bij de afwikkeling van dit legaat een beperkte uitleg hebben voorgestaan.

De rechtbank concludeert dat het handelen van partijen na het overlijden de uitleg van de rechtbank zoals hierboven onder 4.16 weergegeven bevestigt. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die een andere uitleg rechtvaardigen.

De akten

4.30.

Vast staat dat Bredius op een zestal schilderijen briefjes (“akten”) heeft laten aanbrengen met de strekking dat het betreffende schilderij niet behoort tot de schilderijen “aan de Stad vermaakt”. Niet, althans onvoldoende bestreden onderzoek door de Gemeente heeft uitgewezen dat een dergelijke akte is aangebracht op:

- “Portret van een schilder” van S. van Hoogstraten (productie 156 bij de antwoordakte van de Gemeente), op de akte is het jaartal 1936 vermeld;

- “Landschap van A. van de Velde (productie 153 bij genoemde antwoordakte), op de akte is eveneens het jaartal 1936 vermeld;

- “Schildersateliervan H. Pot (productie 154 bij genoemde antwoordakte), de akte bevat geen jaartal;

- “Lachende man- Spaanse school (productie 155), of de akte een jaartal vermeldt is niet te zien, nu de akte nog niet van het schilderij is verwijderd;

- “Hondvan A. Cuyp (productie 152), op de akte is het jaartal 1933 vermeld;

- “Figuren in maanlandschapvan N. Knupfer (productie 151), op de akte is eveneens het jaartal 1933 vermeld.

Ten aanzien van de discussie tussen partijen of eerstgenoemde akte bevestigd was op “Portret van een schilder” of op “Zelfportret met tulband” zoals [eiser] betoogt, is de rechtbank van oordeel dat de Gemeente heeft aangetoond dat de akte op eerstgenoemd schilderij was bevestigd (vgl nr 7.30 van de conclusie van antwoord). Het argument van [eiser] , luidende dat in de catalogi en bruikleen-overeenkomst van vóór 1936 slechts één schilderij van Van Hoogstraten voorkomt, te weten “Zelfportret met tulband”, zodat de akte slechts daarop kan zijn bevestigd, volgt de rechtbank niet. “Portret van een schilder” komt namelijk wel voor in de supplement-catalogus van 1945, waarin zijn opgenomen de schilderijen die zijn toegevoegd aan het zich in het Brediushuis bevindende deel van de collectie Bredius gedurende de periode 1926 tot en met 1945, waaronder dus ook de schilderijen die tussen 1926 en 1936 zijn toegevoegd.

4.31.

[eiser] stelt dat deze schilderijen op grond van de akten buiten het legaat aan de Gemeente vallen, deze schilderijen dientengevolge steeds in bruikleen zijn geweest bij de Gemeente en dat deze schilderijen thans op grond van erfrechtelijke verkrijging bij hem in eigendom berusten. De Gemeente betwist dit op grond van het verweer dat de akten geen geldige testamentaire making inhouden en, voor zover anders geoordeeld wordt, deze akten zijn herroepen in het testament Bredius (“Je casse, révoque et déclare pour non valable tous les testaments ou dispositions testamentaires que j’ai pu faire avant ce jour”). [eiser] heeft dat laatste bestreden onder meer omdat hij meent dat de akten niet als “dispositions testamentaires” kunnen worden beschouwd.

4.32.

Tussen partijen is terecht niet in geschil dat ook deze kwestie beoordeeld dient te worden naar Monegaskisch recht. Professor Grimaldi heeft ook over dit aspect van het Monegaskisch recht geadviseerd. Uit artikelen 836, 890 en 891 van de Code Civil van Monaco volgt dat een legaat kan worden herroepen door een notariële akte dan wel door een volgens de geldende voorschriften opgesteld testament van latere datum dan het legaat houdende een duidelijke herroeping van dat legaat. Naar Monegaskisch recht is geldig een zogenaamd holografisch testament, te weten een testament dat geheel met de hand is geschreven, gedateerd en ondertekend door de erflater persoonlijk. Ten aanzien van de datering geldt, dat indien die niet expliciet in het holografisch testament is opgenomen, het testament geldig blijft indien de datering gereconstrueerd kan worden.

4.33.

De rechtbank is van oordeel dat het testament Bredius een duidelijke, expliciete herroeping van zijn eerdere testamenten bevat. De vóór 26 april 1944 bevestigde akten maakten, als herroeping van (een) eerder(e) testament, onderdeel uit van (een) eerder(e) testament(en) van Bredius en zijn door de herroeping in het testament van Bredius (van 26 april 1944) daarmee (eveneens) herroepen. Het Monegaskisch recht staat niet toe deze akten als herroepingen van het eerst daarna bij testament uit 1944 verleden legaat aan de Gemeente te beschouwen. Dit betekent dat in ieder geval ook de schilderijen met briefjes daterend van vóór 26 april 1944, te weten “Portret van een schilder” van S. van Hoogstraten, “Landschap van A. van de Velde, “Hondvan A. Cuyp en “Figuren in maanlandschapvan N. Knupfer onder het legaat aan de Gemeente vallen.

4.34.

Van de akten die op “Schildersateliervan H. Pot en op “Lachende man(Spaanse school) zijn aangebracht is (nog) niet duidelijk wanneer zij zijn aangebracht.

De betwiste stelling van [eiser] dat ze ná 26 april 1944 zijn aangebracht mist iedere onderbouwing, terwijl deze stelling - gezien de jaartallen die zijn geplaatst op de overige akten - niet direct aannemelijk is. Daar komt bij dat de Gemeente, onbestreden door [eiser] , heeft gesteld dat Bredius na het verlijden van zijn testament niet meer in Nederland is geweest. De rechtbank concludeert dat onder die omstandigheden ervan moet worden uitgegaan dat de akte op het schilderij “Schildersatelier” van Pot, waarvan duidelijk is dat deze geen jaartal bevat, niet ná 26 april 1944 is aangebracht. Dit betekent dat dit schilderij onder het legaat aan de Gemeente valt.

4.35.

Van de akte op “Lachende man(Spaanse school) is nog niet zeker of deze een jaartal bevat of niet. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank in dit vonnis niet oordelen dat dit schilderij niet onder het legaat aan de Gemeente valt en eigendom van [eiser] is. Namens de Gemeente is tijdens de comparitie van partijen (nr 4.3, pleitnota) naar voren gebracht dat als kennisname van deze akte in zijn geheel zal uitwijzen dat deze akte is aangebracht ná 26 april 1944, dit schilderij aan [eiser] zal worden overgedragen. De rechtbank gaat om praktische redenen ervan uit dat partijen in onderling overleg een ter zake kundige persoon in bijzijn van partijen de akte zullen laten verwijderen. Slechts indien op de akte een datum te lezen valt van 26 april 1944 of later zal de Gemeente het schilderij aan [eiser] dienen over te dragen omdat dan vast staat dat hij daarvan de eigenaar is. Dit laatste geldt ook indien op de akte slechts het jaartal “1945” of “1946” staat (maar dus niet indien daarop slechts “1944” staat, omdat dan niet met voldoende zekerheid te reconstrueren valt dat het briefje van 26 april 1944 of later dateert).

4.36.

Het oordeel dat de akten geen invloed hebben op de omvang van het legaat aan de Gemeente is in lijn met de zienswijze van de direct betrokkenen bij de afwikkeling van de nalatenschap Bredius, waaronder [X] . Dit blijkt uit de correspondentie over de wijze waarop de bruikleen en de bewaargeving van [X] is afgewikkeld. De rechtbank wijst in het bijzonder naar de onder 2.39 aangehaalde brief van de directeur van de Dienst voor de schone kunsten aan [X] van 12 november 1965 en de daarop gevolgde brief van deze directeur van 14 maart 1966 (vgl 2.40). Deze correspondentie, die erop gericht was een situatie te bereiken waarin “in de toekomst over uw bruikleen aan het museum” en “uw bewaargeving”, “geen misverstanden meer zijn” bevat zelfs geen aanwijzing voor een door [X] gepretendeerd bruikleen ten aanzien van de schilderijen waarop een akte bevestigd was, hetgeen betekenis heeft omdat hij reeds in 1948 schriftelijk op de hoogte was gesteld van de akten en de schilderijen waarop deze waren bevestigd (vgl. 2.32).

Conclusie ten aanzien van legaat

4.37.

De rechtbank concludeert dat het (gehele) deel van de collectie Bredius dat zich in het Brediushuis bevond ten tijde van het overlijden van Bredius onder het legaat aan de Gemeente viel. Dit heeft tot gevolg dat de op producties 114, 117, 120 en 121 bij dagvaarding gegronde vorderingen onder 3.1. sub 8, 9, 10 en 11 zullen worden afgewezen, alsook de onder 3.1 sub 7 opgenomen vorderingen betreffende de schilderijen met de akten.

De collectie [X]

4.38.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de Gemeente nog onder zich heeft, althans nooit heeft geretourneerd, kunstvoorwerpen uit de eigen collectie van [X] die [X] destijds aan haar in bruikleen, althans in bewaargeving heeft gegeven en die [eiser] op grond van zijn erfgenaamschap in eigendom heeft verkregen van [Y sr] . Zoals tussen partijen terecht niet in geschil is, dient deze beoordeling te geschieden naar Nederlands recht.

4.39.

[eiser] betoogt dat, ten gevolge van de ondermaatse wijze waarop de Gemeente de zich in het Brediushuis bevindende kunstobjecten geadministreerd heeft, geen eenduidige administratie van de [collectie X] bestaat. Hij stelt dat het, onder die omstandigheid, ervoor moet worden gehouden dat de op de als producties 166, 100 en 134 in het geding gebrachte lijsten door dr. [de externe onderzoeker] vermelde, niet geretourneerde schilderijen en schetsen, porselein en andere kunstobjecten geacht moeten worden tot de [collectie X] te behoren. Voor zover met betrekking tot die kunstobjecten geen schriftelijke bruikleen- of bewaargevingsovereenkomst is opgemaakt, moet het ervoor worden gehouden dat deze objecten stilzwijgend in bruikleen zijn gegeven aan de Gemeente.

4.40.

De Gemeente verweert zich met de stelling dat alle op schrift gestelde bruiklenen en bewaargevingen zijn afgewikkeld omstreeks de sluiting van het museum Bredius in 1985 en betwist dat de overige op de hiervoor genoemde lijsten vermelde kunstobjecten eigendom van [X] zijn en dus ook dat deze aan haar in stilzwijgende bruikleen zijn gegeven.

4.41.

De Gemeente heeft bij antwoord bruikleenakten en bewaargevings-overeenkomsten in het geding gebracht. Het gaat om:

a) de bruikleenakte nummer 20 van 20 september 1947 (productie 66 bij antwoord, de herbevestiging van de op 27 maart 1922 overeengekomen bruikleen, vgl. 2.7);

b) de bruikleenakte betreffende een gobelin (wandkleed) van 26 september 1961 (productie 68 bij antwoord);

c) de 1e aanvulling op de bruikleenakte nummer 20 van 8 november 1965 (productie 91 bij antwoord), houdende een bewijs van teruggave van de inhoud van de in de bruikleenakte van 27 maart 1922 bedoelde kast III en de teruggave van een aantal stukken porselein die in de hieronder genoemde 2e aanvulling in bruikleen zijn gegeven;

d) de 2e aanvulling van 9 maart 1966 (productie 93 bij antwoord), houdende de bruikleen van 169 porseleinen voorwerpen die waren aangetroffen in een kast op een zolderkamer in het Brediushuis en 64 porseleinen voorwerpen die waren aangetroffen in een kast van het Kostuummuseum;

e) de 3e aanvulling van 24 november 1966 (productie 97 bij antwoord), houdende de bruikleen van de “2 vogels (1 haan en 1 kip)”;

f) de 4e aanvulling van 4 november 1966 (productie 98 bij antwoord), houdende de teruggave van 3 grote vazen met bloem- en vogelmotief en een groot wandbord;

g) de 5e aanvulling van 29 juni 1971 (productie 102 bij antwoord), houdende de teruggave van 60 porseleinen objecten;

h) de 6e aanvulling van 30 oktober 1972 (productie 105 bij antwoord), houdende de teruggave van het tafeltje met doorgesneden vaas;

i) de 7e aanvulling van 13 juni 1973 (productie 111 bij antwoord, de “Lakenhal-bewaargeving”) en voorts nog

j) de bewaargeving van 29 kunstwerken van Van Konijnenburg van 21 februari 1964 (productie 72 bij antwoord).

Tussen partijen is uiteindelijk niet meer in geschil dat de hiervoor onder i) en j) genoemde bewaargevingen zijn afgewikkeld doordat de daarin genoemde schilderijen en tekeningen in 1984 en 1985 aan (de rechtsvoorgangers van) [eiser] zijn geretourneerd.

4.42.

De stelplicht en de bewijslast van de volledige afwikkeling van teruggave van de op schrift gestelde bruiklenen rust, nu de Gemeente de bruikleen van de daarin genoemde kunstobjecten erkent, op de Gemeente.

4.43.

De rechtbank stelt voorop dat de opschriftstelling van de bruiklenen, gezien de onder de feiten opgenomen correspondentie tussen [X] / [Y sr] enerzijds en de Gemeente anderzijds, voldoende zorgvuldig is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente de teruggave van de op schrift gestelde bruiklenen –in voldoende mate heeft toegelicht en dat [eiser] de stellingen van de Gemeente op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden.

4.44.

Het volgende is daartoe redengevend:

(i) Van een groot deel van de teruggaven zijn, door [eiser] niet bestreden, teruggavebewijzen in het geding gebracht die door [X] of [Y sr] zijn ondertekend. Hierbij doelt de rechtbank op de bij antwoord in het geding gebrachte producties 86, 118 en 119 (waarvan de laatste twee dateren van ná de onder 2.51 aangehaalde brief van [Y sr] van 5 maart 1984), alsmede op de hiervoor beschreven 1e, 4e, 5e en 6e aanvulling op bruikleenakte nummer 20.

(ii) Voorts stelt de Gemeente dat de afwikkeling voor het overige blijkt uit het onder 2.50 aangehaalde briefje, in combinatie met de als productie 117 bij antwoord overgelegde lijsten, te weten twee exemplaren (“A” en “B”) van een rond 1980 uitgevoerde, tussentijdse inventarisatie van de bruiklenen van [X] , aangevuld met een lijst met de werken van de Lakenhal-bewaargeving en een lijst met vijf kisten met porselein, waarop de teruggaven zijn gemarkeerd met een kruisje achter de omschrijving van het desbetreffende kunstobject.

4.45.

[eiser] heeft al deze lijsten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarbij overweegt de rechtbank dat er geen enkele aanwijzing is dat [Y sr] na het tekenen van het meest recente teruggavebewijs (productie 119: 13 mei 1985) nog bij de Gemeente te kennen heeft gegeven dat de bruiklenen nog niet afgewikkeld waren, terwijl hij daarvoor eerder, getuige zijn brief van 5 maart 1985 (vgl. 2.51), wel oog had. Voorts is opmerkelijk dat [Y sr] in zijn door [eiser] als productie 56 overgelegde brief aan de Gemeente van

1 juni 1994 - waarvan de Gemeente de verzending overigens betwist - wel uitgebreid zijn standpunt uiteenzet over de niet-tentoongestelde kunstobjecten uit de collectie Bredius (namelijk dat die aan hemzelf zijn gaan toebehoren en dat hij die in bruikleen wil geven aan de Gemeente), maar met geen woord rept over enige niet-afgewikkelde bruikleen uit de [collectie X] . Hierover wordt, zoals de Gemeente terecht aanvoert, evenmin gerept in de brief van 20 maart 2013 van de toenmalige advocaat van [eiser] , mr. A.M. van der Vliet, waarmee [eiser] zijn claim op de Gemeente heeft ingeleid. Dit is opmerkelijk gezien de nauwe betrokkenheid van [eiser] bij het museum Bredius vanaf in ieder geval 1998 tot zijn aftreden uit het stichtingsbestuur in 2014 en zijn door hemzelf benadrukte intensieve gesprekken over de [collectie X] met [X] en [Y sr] .

4.46.

In dit verband overweegt de rechtbank voorts dat [eiser] weliswaar in algemene termen stelt dat niet alle schriftelijk vastgelegde bruikleen is afgewikkeld, maar geen enkel kunstobject noemt waaromtrent aanwijzingen zijn dat zij zich nog in het museum Bredius bevinden, door de Stichting aan een derde in bruikleen zijn gegeven, of zich om enige andere reden onder een derde zouden bevinden, terwijl hij zelf geen enkele openheid van zaken wenst te geven over hetgeen hij als erfgenaam heeft ontvangen aan teruggegeven bruikleen uit de [collectie X] .

4.47.

In het licht van het onder 4.45 en 4.46 overwogene, kan [eiser] bij zijn betwisting van de als productie 117 bij antwoord overgelegde lijsten “A” en “B” en het onder 2.50 aangehaalde briefje niet volstaan met de enkele, niet nader toegelichte stelling dat deze lijsten door de Gemeente “- achteraf - in elkaar […] zijn gezet”, de tegenwerping dat uit de lijsten niet valt af te leiden dat ieder individueel porseleinen object uit de kasten is overgedragen, nu alleen een kruisje is gezet bij de betreffende kasten en de inhoud van één kast reeds in kisten was ingepakt en de niet (voldoende) geconcretiseerde tegenwerping dat de lijsten niet zorgvuldig genoeg alle in bruikleen gegeven objecten vermelden. De rechtbank komt dan ook met betrekking tot de op schrift gestelde bruiklenen en bewaargevingen tot de slotsom dat deze zijn afgewikkeld. Dit heeft in ieder geval tot gevolg dat de vordering 3.1. sub 5 met betrekking tot de in productie 100 bij dagvaarding genoemde kunstobjecten moet worden afgewezen.

Stilzwijgende bruiklenen?

4.48.

[eiser] stelt voorts dat hij (door erfopvolging) eigenaar is geworden van de in productie 166 bij dagvaarding opgenomen schilderijen en schetsen en van de in productie 134 bij dagvaarding opgenomen inventaris, welke schilderijen, schetsen en inventaris volgens hem ten tijde van het overlijden van Bredius tot de [collectie X] (en niet tot de collectie Bredius) behoorden. [eiser] stelt dat deze eigendommen stilzwijgend in bruikleen zijn gegeven en door de Gemeente als zodanig zijn aanvaard. De Gemeente betwist dit alles. De rechtbank is van oordeel dat de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van dit eigendom en deze stilzwijgende, niet op schrift gestelde bruikleen op [eiser] rusten op grond van de in artikel 150 Rv vervatte hoofdregel van bewijslastverdeling. Voor een afwijking van deze hoofdregel acht de rechtbank geen gronden aanwezig.

4.49.

In de eerste plaats maakt [eiser] aanspraak op (de door de verzekeraar uitgekeerde som van 250.000 euro in verband met de brandschade aan) het schilderij “Berglandschap” van (een navolger van) Hercules Seghers. [eiser] heeft ter onderbouwing van deze aanspraak gewezen op historische bronnen waaruit de verkrijging in eigendom door [X] van dit schilderij in 1914 blijkt.

Het betreft een brief van [X] aan Bredius van 19 maart 1914 (productie 2 bij dagvaarding), een vermelding in een tentoonstellingscatalogus van Kunstzaal Kleykamp uit maart 1915 (productie 4 bij dagvaarding), een vermelding in een artikel van de hand van [X] in het tijdschrift Oud Holland uit 1915 (productie 144 bij dagvaarding) en krantenartikelen uit 1915 (producties 148 en 149 bij dagvaarding). Voorts wijst [eiser] in dit verband op een brief van conciërge [G] van (vermoedelijk) 3 april 1930 (productie 130 bij dagvaarding), waarin is opgenomen: “De heer [H] belde me op en vroeg of ik nog wist in welk jaar m. [X] den Seeghers gekocht had”. Voorts wijst [eiser] op de vermelding in de catalogus Blankert van maart 1978 (vgl. 2.43): “Herk.: door [X] gekocht op veil. Londen […] ( [X] 1915) / In 1915 in verz. [X] (blijkens cat. tent. 1915)”.

De Gemeente betwist dat dit schilderij ooit eigendom is geweest van [X] en, als dat al wel zou moeten worden aangenomen, dat dit ten tijde van het overlijden van Bredius nog het geval was. De Gemeente betwist bovendien het bestaan van een (stilzwijgende) bruikleen ten aanzien van dit schilderij.

De Gemeente wijst er onder meer op dat geen enkele op zichzelf staande bron (van ná 1915) het eigendom van [X] bevestigt.

4.50.

De rechtbank van is oordeel dat [eiser] het eigendom van [X] van het schilderij “Berglandschap” ten tijde van het overlijden van Bredius, alsmede een latere (stilzwijgende) bruikleen van dit schilderij aan de Gemeente onvoldoende heeft geadstrueerd. De rechtbank wijst, met de Gemeente, ten eerste erop dat vaststaat dat dit schilderij op 23 maart 1922, tezamen met andere kunstwerken, door Bredius in bruikleen is gegeven aan de Gemeente (vgl. 2.5) en dat dit schilderij, anders dan het schilderij “De Bedelaar”, dus niet vier dagen later in bruikleen is gegeven door [X] (vgl. 2.7). De brief van conciërge [G] van (vermoedelijk) 3 april 1930 doet aan deze omstandigheid niet af, omdat daarin niets is opgenomen betreffende het eigendom van het schilderij op dat moment (doch slechts een bevestiging vormt van de omstandigheid dat [X] het gekocht had in 1915). Dat laatste geldt ook voor de door [eiser] aangevoerde vermelding in de catalogus Blankert.

4.51.

Voorts is de rechtbank met de Gemeente van oordeel dat bijzonder gewicht dient te worden toegekend aan de omstandigheid dat dit schilderij expliciet wordt genoemd in de, aan (de vertegenwoordiger van) [X] gezonden toelichting bij het raadsbesluit van 16 december 1946 (vgl. 2.25) als zijnde één van de schilderijen van Bredius die de Gemeente ten gevolge van het legaat aan de Gemeente “de hare” kan noemen. Er is geen enkele aanwijzing dat [X] zich hiertegen heeft verzet. Daar komt nog bij dat [X] op geen enkel moment na het overlijden van Bredius heeft aangedrongen op vastlegging van een bruikleen of bewaargeving van dit schilderij, terwijl een dergelijke vastlegging wel (op verzoek van [X] , althans [Y sr] ) is geschied voor “De Bedelaar”, de schilderijen van Van Konijnenburg en de schilderijen van [X] uit de “Lakenhal-bewaargeving”. Het gaat er bij de rechtbank niet in dat [X] wel ten aanzien van deze schilderijen op vastlegging stond en bovendien bij afzonderlijke brief op vastlegging stond van minder prominente kunstobjecten als de “twee kippen” (vgl. 2.44) en niet op vastlegging stond van de bruikleen van een prominent schilderij als “Berglandschap”. Onder deze omstandigheden kan nadere bewijslevering niet aan de orde zijn en kan de rechtbank concluderen dat het schilderij “Berglandschap” onder het legaat aan de Gemeente valt. De onder 3.1 sub 3 weergegeven vordering zal worden afgewezen.

4.52.

[eiser] maakt voorts aanspraak op het eigendom van een aantal andere schilderijen en tekeningen, aanvankelijk opgenomen in de als productie 96 bij dagvaarding overgelegde lijst van 60 kunstwerken, welke lijst, nadat bij antwoord onomstotelijk was aangetoond dat een groot aantal daarop genoemde werken (voornamelijk die uit de Van Konijnenburg- en de Lakenhalbewaargeving) reeds was geretourneerd aan de rechtsvoorgangers van [eiser] , is teruggebracht tot de als productie 116 overgelegde lijst van 34 kunstwerken. Deze kunstwerken zijn volgens [eiser] in (stilzwijgende) bruikleen aan de Gemeente gegeven en nooit geretourneerd. De Gemeente betwist (voor een deel van de geclaimde werken) de eigendom van [eiser] alsmede (voor alle werken) het bestaan van een (stilzwijgende) bruikleen of bewaargevingsovereenkomst en stelt dat het ervoor moet worden gehouden dat alle eventueel in het verleden door [X] voor eigen risicio opgeslagen eigen kunstwerken weer bij hem of zijn rechtsopvolgers zijn teruggekeerd. Ook in dit verband geldt dat de rechtbank van oordeel is dat de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van dit eigendom en deze stilzwijgende, niet op schrift gestelde bruikleen op [eiser] rusten op grond van de in artikel 150 Rv vervatte hoofdregel van bewijslastverdeling en dat voor een afwijking van deze hoofdregel geen gronden aanwezig zijn.

4.53.

Ook bij de beoordeling van de stellingen van [eiser] in dit verband stelt de rechtbank voorop dat geen enkele aanwijzing ervoor bestaat dat [Y sr] ooit, al dan niet omstreeks de sluiting van het museum Bredius in 1985, aan de Gemeente te kennen heeft gegeven dat bepaalde (stilzwijgende) bruiklenen van schilderijen en tekeningen in eigendom bij [X] nog niet afgewikkeld waren. Dit heeft betekenis, aangezien met deze sluiting de mogelijkheid tot opslag van goederen in het Brediushuis die [X] in het verleden was geboden, tot een einde zou komen. Voorts is het opmerkelijk dat [X] wel ten aanzien van weinig prominente kunstobjecten schriftelijke vastlegging van bruikleen wenste (vgl. “twee kippen” onder 2.54), maar dat niet zou hebben gedaan ten aanzien van werken van bijvoorbeeld Rembrandt en Rubens. [Y sr] heeft voorts in zijn brief van 1 juni 1994 niet gerept over enige niet-afgewikkelde bruikleen uit de [collectie X] , net zo min als [eiser] dat heeft laten doen in de brief van 20 maart 2013 waarmee hij zijn claim op de Gemeente heeft ingeleid. Ook in dit verband ziet de rechtbank de stellingen van [eiser] tegen de achtergrond dat hij zelf geen enkele openheid van zaken wenst te geven over hetgeen door hem als erfgenaam is ontvangen aan teruggegeven bruikleen uit de [collectie X] . Dit is gezien de zojuist beschreven vermindering van eis ten aanzien van (60-34=) 26 van de 60 aanvankelijk geclaimde kunstwerken geen ondergeschikt gegeven.

4.54.

[eiser] baseert de eigendom van [X] met name op vermelding daarvan op de onder 4.26 reeds besproken getypte lijst met kunstvoorwerpen onder de kop “Eigendom van de Heer [X]”, die gevoegd zou zijn bij de handgeschreven brief van 18 augustus 1948 van mevrouw [C] (vgl. 2.32) en vermelding in de eerder genoemde catalogus van Kunstzaal Kleijkamp uit 1915. Ook in dit verband geldt weer dat vermelding in laatstgenoemde catalogus niet van bijzondere betekenis is voor de vraag of sprake was van eigendom van [X] ten tijde van het overlijden van Bredius (althans ten tijde van het overlijden van [X] zelf) mede in het licht van de door de Gemeente benadrukte omstandigheid dat in de catalogus van Blankert uit 1978 van zes van de 34 geclaimde kunstwerken is opgenomen dat [X] deze (op enig moment) heeft geschonken (“Herbergscène / Boerenherberg” van A. Brouwer, “Herbergscène” van W. Buitewegh, “Stalinterieur” - Hollandse School / Lambert Doomer, “Bacchus en Ariadne” van Rembrandt / Moyses van Uyttenbroeck, “Kop van een dode man” van Peter Paul Rubens / Cornelis de Vos en “Oude vrouw bij de snotneus / De naaister” van Gerard Terborch / Pieter Cornelis Slingelandt). Van de laatste drie werken was dit overigens ook al opgenomen in de catalogus Knuttel, althans de supplement-catalogus 1945. Aan vermelding op bedoelde getypte lijst kan om die reden evenmin doorslaggevende betekenis toekomen, waarbij nog komt dat onduidelijk is wanneer en op grond van welke bronnen deze lijst tot stand is gekomen. Voorts is in de catalogus van Knuttel van 1926, althans in de supplement-catalogus 1945 over de door [X] gevorderde kunstwerken “Schilderklasse” van J.J. Horemans, “Vrouwtje bij een karnton” van J.S. Monogrammist en “Danaë” - Hollandse School opgenomen: “niet meer aanwezig, is bij de heer [X]”. Ten slotte vermeldt de als productie 166 overgelegde lijst met geclaimde werken (nog steeds) het portret van Bredius van J. Boon, waarvan op grond van correspondentie kan worden vastgesteld dat het zich in ieder geval begin jaren negentig van de vorige eeuw bij [Y sr] bevond.

4.55.

Nu uit het voorgaande volgt dat [X] een deel van zijn schilderijen in de loop van de tijd heeft geschonken en van een deel van de niet door hem geschonken schilderijen met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze aan hem, althans [Y sr] , zijn geretourneerd, is de rechtbank met de Gemeente van oordeel dat aan het gegeven dat uit de onder 2.36 aangehaalde brief van [X] van 26 april 1955 kan worden afgeleid dat [X] in 1955 nog “eenige schilderijen” in het Brediushuis had staan, anders dan [eiser] betoogt, nauwelijks betekenis kan worden gehecht.

4.56.

In het licht van het voorgaande, gebaseerd op de gemotiveerde betwisting door de Gemeente, schiet de onderbouwing van de stellingen van [eiser] ten aanzien van de eigendom en de nog voortdurende stilzwijgende bruikleen zodanig te kort, dat nadere bewijslevering of het opdragen van enig nader onderzoek door de Gemeente niet aan de orde kan zijn. De vordering onder 3.1. sub 4 gegrond op productie 166 bij dagvaarding zal worden afgewezen.

4.57.

De onder 4.47 e.v. weergegeven overwegingen gelden mutatis mutandis ook ten aanzien van het door [eiser] gestelde eigendom van de in de als productie 134 bij dagvaarding opgenomen inventaris (gegrond op vermelding in de in die overwegingen genoemde getypte lijst) en de gestelde (stilzwijgende) bruikleen daarvan. Ook de op die lijst geënte vordering onder 3.1. sub 6 zal worden afgewezen.

Nader onderzoek?

4.58.

Uit het voorgaande blijkt dat het door de Gemeente vanaf 2013 uitgevoerde archiefonderzoek de rechtbank in staat heeft gesteld te beslissen over de vorderingen van [eiser] . Uit de beslissingen van de rechtbank volgt dat geen aanleiding bestaat tot het opdragen aan de Gemeente van nader onderzoek zoals [eiser] heeft gevorderd (zonder dit nadere onderzoek overigens te specificeren). Reeds om deze redenen zal de rechtbank de vordering tot nader onderzoek afwijzen, waarbij heeft te gelden dat het afbreken van het onderzoek

- als daarvan al sprake is geweest gezien de betwisting door de Gemeente - door de rechtbank niet onrechtmatig wordt geacht.

Ten slotte wordt in dit verband nog overwogen dat indien de Gemeente al gebonden zou zijn aan de inhoud van de “Richtlijnen en wenken voor het administratief beheer van museum-verzamelingen”, in 1950 opgesteld door de Vereniging van directeuren van Nederlandse musea, zoals [eiser] betoogt, en de Gemeente deze richtlijnen en wenken niet (geheel) zou hebben nageleefd, dat niet tot gevolg kan hebben dat om die reden moet worden uitgegaan van eigendom van [eiser] van (enig) ter discussie staand kunstobject.

Verklaring voor recht met betrekking tot de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last

4.59.

De rechtbank zal de door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht over de door hem gestelde inhoud van de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last afwijzen. Ten aanzien van de verklaring voor recht dat deze last in de weg staat aan het uitlenen van gelegateerde kunstvoorwerpen, geldt, zoals de Gemeente terecht betoogt, dat [eiser] bij die verklaring voor recht onvoldoende belang heeft.

De Gemeente heeft immers bij brief van 1 oktober 2014 de toestemming aan de stichting om kunstobjecten uit het museum Bredius aan derden in bruikleen te geven, ingetrokken. [eiser] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering betreffende deze verklaring voor recht. Evenmin zal de rechtbank voor recht verklaren dat bedoelde last inhoudt dat schilderijen uit de gelegateerde collectie Bredius niet zouden mogen worden samengevoegd en dat deze werken allemaal werkelijk tentoongesteld moeten worden in museum Bredius. De rechtbank vindt (ook in de stellingen van [eiser] ) geen aanknopingspunten voor een uitleg van de last in bedoelde zin. Over een Bredius voor ogen staand verbod op samenvoeging is niets naar voren gekomen en, zoals eerder is overwogen, was het reeds ten tijde van het verlijden van het testament Bredius een gegeven dat de collectie Bredius niet statisch was en niet geheel in het museum Bredius werd tentoongesteld (maar ten dele daarin werd opgeslagen). Hieruit volgt dat ook de onder 3.1 sub 2D gevorderde verklaring voor recht niet zal worden gegeven.

4.60.

Nu geen van de vorderingen van [eiser] zal worden toegewezen, bestaat evenmin grond voor toewijzing van zijn vordering betreffende buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De overige verweren van de Gemeente behoeven geen bespreking.

Proceskosten

4.61.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van de Gemeente gevallen, te vermeerderen met de door de Gemeente gevorderde rente. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 14.115 (€ 619 aan griffierecht en drieëneenhalf punt tegen tarief VIII van € 3.856 per punt).

4.62.

Voor een veroordeling in de door de Gemeente gevorderde nakosten bestaat geen grond, nu de proceskostenveroordeling voor die kosten een executoriale titel oplevert.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn onder 3.1 sub 2A weergegeven vordering en wijst de overige vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente gevallen en tot op heden begroot op € 14.115, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. I.A.M. Kroft en mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2018.