Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11352

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8209
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nareis Eritrea. Toetsing volgens nieuw kader. Geschil ziet op aantonen familieband. Enkel traditionele akte, geen substantieel bewijs nu akte slechts is ondertekend door eiseres en getuigen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/8209

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuys).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis asiel afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Eritrese nationaliteit. Op 16 december 2014 heeft mevrouw [referente] (hierna: referente) namens eiser een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel ingediend. Eiser en referente stellen gehuwd te zijn. Ter onderbouwing hebben zij een traditionele huwelijksakte overgelegd. Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft de akte onderzocht en geconcludeerd dat geen oordeel over de echtheid van het document gegeven kan worden nu het een traditioneel document betreft waarvoor geen vergelijkingsmateriaal voor handen is.

2. Samengevat weergegeven heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat niet is vast komen te staan dat eiser tot het gezin van referente heeft behoord. De door referente overgelegde traditionele huwelijksakte is onderzocht door Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, maar er kon niet worden vastgesteld dat het document bevoegd is afgegeven en opgemaakt en ook niet of het document inhoudelijk juist is. Gelet op het onderzoeksresultaat kan de huwelijksakte niet dienen als ondersteunend bewijs voor het gestelde huwelijk. Referente is in staat gesteld om met verklaringen de gezinsband aannemelijk te maken. Deze verklaringen zijn echter vaag, bevreemdingwekkend en tegenstrijdig. Gelet op die verklaringen en het feit dat eiser en referente slechts één week hebben samengewoond is volgens verweerder ook geen sprake van een duurzame, exclusieve relatie die op één lijn valt te stellen met een huwelijk.

3. Eiser en referente kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en hebben hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. De aanvraag behoort te worden ingewilligd nu wel degelijk sprake is van een rechtsgeldig huwelijk nu een traditionele huwelijksakte is overgelegd. Onder verwijzing naar uitspraken van een drietal deskundigen (te weten [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3] stellen eisers dat een traditioneel huwelijk niet alleen rechtsgeldig is als dat huwelijk is geregistreerd door de lokale overheid. Ook verwijst eiser naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van respectievelijk 20 april 2017 (AWB 17/806), 8 februari 2017 (AWB 16/27273) waarin wordt gesteld dat de enige bron dat religieuze huwelijksaktes door de Eritrese autoriteiten niet worden erkend als officiële huwelijksakte een rapport van EASO van mei 2015 betreft, waarbij voor deze stelling in het rapport ook nog eens gebruik is gemaakt van een vertrouwelijke bron die dus niet te verifiëren valt. Voor zover de staatssecretaris eisers als ongehuwd aanmerkt, menen eisers dat wel degelijk sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Dat de feitelijke samenwoning niet uitgebreid is geweest, komt doordat referente heeft moeten vluchten. Ook is volgens eiser in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat en waarom er geen sprake is van tegenstrijdigheden in de verklaringen van referente. Tot slot zijn eisers van mening dat de hoorplicht is geschonden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Per 1 januari 2018 hanteert verweerder nieuw beleid voor de beoordeling van nareisaanvragen. Uit de uitspraken van 16 mei 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), blijkt dat verweerder bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen dit nieuwe beleid reeds als vaste gedragslijn hanteert.1

4.2

Dit houdt in dat verweerder voor het aantonen van de identiteit van een vreemdeling en de gestelde familierelatie met een referent primair officiële documenten eist. Voor het aantonen van de identiteit eist hij specifiek daarvoor bestemde documenten zoals een paspoort of een identiteitskaart. Als bewijs van de gestelde familierechtelijke relatie aanvaardt hij in beginsel geboorteakten en huwelijksakten, mits die zijn opgenomen in het register van de burgerlijke stand van het desbetreffende land. Als een vreemdeling geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit of de gestelde familierelatie met een referent aan te tonen, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling of die vreemdeling de door hem gestelde identiteit of familierelatie aannemelijk heeft gemaakt. Dit doet verweerder ongeacht of sprake is van bewijsnood aan de zijde van de vreemdeling. Overgelegde onofficiële documenten kunnen daarom voor verweerder aanleiding vormen om aanvullend onderzoek te bieden. Verweerder eist voor het aanbieden van aanvullend onderzoek in deze situatie in de eerste plaats dat die vreemdeling substantieel bewijs van de gestelde familierelatie heeft overgelegd in de vorm van één of meer onofficiële documenten over die familierelatie. In de tweede plaats eist verweerder dat hij de identiteit van die vreemdeling kan vaststellen of aannemelijk achten. Een vreemdeling die geen officiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd, moet daarom aannemelijk maken dat hij dergelijke identiteitsdocumenten niet kan overleggen of substantieel bewijs in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overleggen. Het vaststellen of aannemelijk achten van de identiteit is volgens verweerder immers een basisvereiste voor verlening van een mvv, omdat hij onder meer moet beoordelen of de desbetreffende vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde en of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In geval van een contra-indicatie ziet verweerder evenwel af van het aanbieden van aanvullend onderzoek.

4.3

De Afdeling heeft in de uitspraken van 16 mei 2018 de nieuwe vaste gedragslijn in overeenstemming met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn geacht. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook volgens de nieuwe gedragslijn beoordelen.

4.4

De identiteit van eiser is tussen partijen niet in geschil. De rechtbank dient daarom te beoordelen of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij met referente gehuwd is.

4.5

Eisers hebben een traditionele huwelijksakte overgelegd. Deze akte is weliswaar onderzocht, maar het bleek niet mogelijk om een oordeel over de echtheid van het document te geven vanwege het ontbreken van referentiemateriaal. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte geen aanvullend onderzoek naar de gestelde familierechtelijke relatie aangeboden. De traditionele huwelijksakte is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als substantieel bewijs voor het huwelijk te kunnen gelden. Dit geldt des te meer nu onduidelijk is wie de akte heeft opgesteld, nu iedere stempel ontbreekt en de akte slechts is ondertekend door eisers en enkele getuigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet de waarde aan de akte heeft hoeven hechten die eiser en referent daaraan gehecht zouden willen zien.

4.6

Daarbij komt dat eisers evenmin met verklaringen aannemelijk gemaakt dat sprake is van een huwelijk. Zo zijn door referente vage en bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd over eisers huidige activiteiten en weet zij vrijwel niets over zijn broers en zussen te vertellen, ondanks het feit dat eiser en referente elkaar al lange tijd kennen, samen naar school gingen en in dezelfde buurt woonden. Ook heeft referente bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd over de periode tussen 2007 en 2012 waarin gescheiden werd geleefd. In die periode zouden eisers beiden een kind met een ander hebben gekregen, en vervolgens elkaar weer gevonden te hebben en te zijn gehuwd op 7 januari 2012. Over de voorbereidingen van het gestelde huwelijk is echter eveneens vaag verklaard, evenals over de periode na het huwelijk waarbij eiseres na een week zou zijn vertrokken naar Ethiopië op zoek naar de biologische vader van haar kind en eiser naar Oeganda zou zijn gegaan. Tot slot zou er in de periode tussen het vertrek van referente en haar aankomst in Nederland nauwelijks contact zijn geweest.

5. Verweerder heeft in hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven te zien haar te horen over haar bezwaar.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie onder andere ECLI:NL:RVS:2018:1508 en ECLI:NL:RVS:2018:1509.