Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11277

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8573
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is belastingplichtig voor de aanslag precarioheffing.

De uitleg die eiseres geeft aan artikel 3 van de Verordening is niet juist. De rechtbank sluit zich (onder meer) aan bij het arrest van het Gerechtshof Amsterdam (5 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3644)

en in gelijke zin de conclusie van de A-G van 28 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:778.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt, dat eiseres reeds op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening belastingplichtig is, waarbij is verwezen naar Gerechtshof Amsterdam, 12 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2023. Eiseres is immers niet een door de minister aangewezen netbeheerder. En evenmin is eiseres daarmee op één lijn te stellen.

Eiseres kan worden begrepen onder het begrip “andere gevallen” van het tweede lid van artikel 3. In hetgeen eiseres in de onderhavige zaak heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-10-2018
V-N Vandaag 2018/2192
FutD 2018-2808
V-N 2018/66.24.12
NTFR 2018/2643
NLF 2018/2273 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/8573

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.E. Troll),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een aanslag precariobelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 november 2017 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend die telkens in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018.

Eiseres en haar gemachtigde, zijn met bericht daarvan aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. R.P.M.M. Mols en drs. F. Westerman.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is netbeheerder in de zin van artikel 10, negende lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 2, achtste lid, van de Gaswet. Eiseres beheert de onder, op of boven de gemeentegrond van de gemeente [gemeente] (hierna: de gemeente) aanwezige netten die worden gebruikt voor het transport en de levering van elektriciteit en gas. Eiseres beschikt over de economische eigendom van de door haar beheerde gas- en elektriciteitsnetten.

2. Met dagtekening 18 april 2017 is aan eiseres een aanslag precariobelasting opgelegd naar een te betalen bedrag van € 2.936.250.

3. In zijn vergadering van 15 december 2016 heeft de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen 2017 (Verordening) vastgesteld. De Verordening is op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt in het Gemeenteblad van 23 december 2016.

Geschil
4. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd aan eiseres.

Eiseres beantwoordt de in geschil zijnde vraag ontkennend en voert daartoe, kort en zakelijk weergegeven het volgende aan:

a. Eiseres is ten onrechte als belastingplichtige aangemerkt.

Eiseres voert daartoe aan dat zij geen belastingplichtige is op grond van artikel 3, eerste dan wel tweede lid, van de Verordening. Zij betoogt dat zij niet is aangewezen door de Minister van Economische Zaken (de Minister), zodat zij niet onder het eerste lid valt. De instemming van de Minister bij de aanwijzing door de eigenaar van het net kan niet op één lijn worden gesteld met een aanwijzing. Eiseres kan daarmee ook niet als (impliciet) aangewezen netbeheerder onder het eerste lid worden geschaard. Aangezien eiseres door de eigenaar op grond van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 is aangewezen als netbeheerder valt eiseres ook niet onder het tweede lid. Het tweede lid ziet, aldus eiseres, alleen op andere gevallen waarin niet op grond van de Gaswet 1998 of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen.

b. De aanslag is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur genomen.

c. Verweerder heeft ten onrechte geweigerd de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten te vergoeden.

Eiseres concludeert tot gegrond verklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Eiseres verzoekt om de zaak terug te wijzen voor een nieuwe beslissing en aan [eiseres] compensatie toe te kennen ten bedrage van de aanslag.

5. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken en stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

6. Tussen partijen is de hoogte van de opgelegde aanslag en de wijze waarop deze is berekend op zich niet in geschil.

Beoordeling van het geschil

7. De Verordening luidt, voor zover hier van belang:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening.

Artikel 3 Belastingplicht

1. Ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen, wordt de precariobelasting geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder.

2. In alle andere gevallen wordt de precariobelasting geheven van degene die de buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel

(…)

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van bekendmaking.

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.

(…)”

8. Artikel 10 Elektriciteitswet 1998 luidt, voor zover hier van belang:

“1 Het landelijk hoogspanningsnet omvat de netten die bestemd zijn voor transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 110 kV of hoger en die als zodanig worden bedreven, met uitzondering van het net op zee, en landsgrensoverschrijdende netten met wisselstroom.

2 Onze Minister wijst op verzoek een naamloze of een besloten vennootschap voor tien jaar als netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet aan. Bij het verzoek wordt een besluit van de Autoriteit Consument en Markt overgelegd waaruit blijkt dat is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 10a, vierde lid, en 10b.

(…)

9 Degene aan wie een ander net toebehoort dan het landelijk hoogspanningsnet of een landsgrensoverschrijdend net, wijst voor het beheer van dat net een of meer naamloze of besloten vennootschappen als netbeheerder aan.

10 Een aanwijzing als bedoeld in het negende lid geldt voor een periode van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop Onze Minister heeft ingestemd met de aanwijzing op grond van artikel 12, tweede lid.

(…)”.

9. Artikel 2 van de Gaswet luidt, voor zover hier van belang:

“1 Onze Minister wijst op verzoek een naamloze of een besloten vennootschap voor tien jaar als netbeheerder van het landelijk gastransportnet aan. Bij het verzoek wordt een besluit van de Autoriteit Consument en Markt overgelegd waaruit blijkt dat is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2c en 3b, vierde lid.

(…)

8 Degene aan wie een ander net toebehoort dan het landelijk gastransportnet, wijst voor het beheer van dat net een of meer naamloze of besloten vennootschappen als netbeheerder aan.

9 Een aanwijzing als bedoeld in het achtste lid geldt voor een periode van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop Onze Minister heeft ingestemd met de aanwijzing op grond van artikel 4, tweede lid.

(…)”.

Belastingplicht

10. De vraag of eiseres op grond van artikel 3 van de Verordening als belastingplichtige kan worden aangemerkt, is eerder aan de orde geweest in een aantal uitspraken van de rechtbank Gelderland tussen eiseres en andere gemeentes, waarbij dezelfde tekst over belastingplicht aan de orde was. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3695, 9 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:59 en laatstelijk 5 juli 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2972. Ook het Gerechtshof Amsterdam (5 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3644) heeft in een vergelijkbare zaak tussen eiseres en de heffingsambtenaar van de gemeente Muiden uitspraak gedaan.

In rechtsoverweging 4.4.1. heeft het Hof het volgende overwogen:

“Wat beroepsgrond 4.2.1 betreft volgt het Hof belanghebbende in haar stelling dat zij op grond van lid 1 van artikel 3 van de Verordening niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt; zij is immers – naar tussen partijen niet in geschil is – niet een ‘door de minister aangewezen netbeheerder’. Het Hof kan belanghebbende echter niet volgen in haar stelling dat alsdan niet aan lid 2 wordt toegekomen. Uitgaande van de kennelijke bedoeling van de gemeentelijke wetgever, zoals die mede blijkt uit de (toelichting op) het door de heffingsambtenaar overgelegde voorstel van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Muiden tot invoering van het heffen van precariobelasting op kabels en leidingen, moet lid 1 redelijkerwijs worden begrepen als een bepaling die heffing mogelijk maakt van de ingevolge de Gaswet of de Elektriciteitswet door de minister aangewezen (landelijke) netbeheerders, en kunnen regionale netbeheerders zoals belanghebbende worden begrepen onder de ‘andere gevallen’ van lid 2, mits zij overigens voldoen aan de in dat artikellid voor belastingplicht gestelde eisen. Dat laatste is bij belanghebbende het geval nu zij als economisch eigenaar van de netwerken – de nutsleidingen ‘heeft’ in de zin van dat artikellid.”

11.
Uit deze uitspraken volgt dat de uitleg die eiseres geeft aan artikel 3 van de Verordening niet juist is. De rechtbank sluit zich aan bij voormelde uitspraken.

Zie hierover in gelijke zin de naar aanleiding van de hierboven vermelde uitspraak van het Hof genomen conclusie van de A-G van 28 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:778.

12. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt, dat eiseres reeds op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening belastingplichtig is, waarbij is verwezen naar Gerechtshof Amsterdam, 12 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2023. Eiseres is immers niet een door de minister aangewezen netbeheerder. En evenmin is eiseres daarmee op één lijn te stellen.

13. Eiseres kan worden begrepen onder het begrip “andere gevallen” van het tweede lid van artikel 3. In hetgeen eiseres in de onderhavige zaak heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.

14. Dit leidt tot de conclusie dat eiseres belastingplichtig is voor de precarioheffing over haar netwerken in de gemeente [gemeente] op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening.

Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur

15. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesteld dat verweerder, door de aanslag op te leggen en in stand te houden, heeft gehandeld in strijd met het rechtzekerheids- en of het vertrouwensbeginsel. De aanslag precariobelasting is opgelegd conform de bepalingen van de Verordening. Deze verordening is op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en bevat de voor de vaststelling van de aanslag benodigde bepalingen, waaronder bepalingen omtrent de belastingplichtige. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake. De omstandigheid dat eiseres in de veronderstelling verkeerde dat zij niet kan worden aangemerkt als belastingplichtige, maakt dit niet anders.

Dat in het verleden voor de onderhavige leidingen en buizen geen aanslagen precariobelasting werden opgelegd brengt niet mee dat daaraan het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat dit nimmer het geval zal zijn. De gemeentelijke regelgever heeft een autonome bevoegdheid om een gemeentelijke belasting in te voeren of te wijzigen. Daarvan is in dit geval gebruik gemaakt met de invoering door de gemeente van precariobelasting ingaande het jaar 2015.

16. Dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft eiseres weliswaar gesteld maar niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.

Kosten in de bezwaarfase

17. Op grond van artikel 7:15, lid 2, van de Awb worden kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit -in dit geval: de aanslag- wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Nu in de onderhavige procedure de aanslag niet is herroepen en de rechtbank, naar volgt uit al hetgeen hiervoor is overwogen, daartoe evenmin zal overgaan, is voor een kostenvergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar geen plaats.

Compensatie

18. Eiseres heeft verzocht om toekenning van compensatie ten bedrage van de bij haar in rekening gebrachte precariobelasting. Op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van -onder meer- een onrechtmatig besluit. Nu de aanslag terecht en overigens ook naar een juist bedrag aan eiseres is opgelegd, is er geen sprake van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, voorzitter, mr. M.A. Dirks en

mr. T.A. de Hek, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.