Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
C/09/15/446 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur na toelating WSNP onbetaald? Verhuurder is als nieuwe schuldeiser geen schuldeiser als bedoeld in art. 353 Fw. Schone lei geen invloed op rechten nieuwe schuldeiser. Informatie van verhuurder bij de beoordeling betrokken. Geen nieuwe schuld.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 352
Faillissementswet 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/15[0006 R

Vonnis van 18 september 2018

in de zaak van:

[schuldenares],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende [adres, postcode en woonplaats],

schuldenares,

advocaat: mr. M.B. Brouwer.

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 25 juni 2015 is ten aanzien van schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. W.J. Don tot rechter-commissaris en van M. Smit (Sociaal.nl Schuldsanering BV) kantoorhoudende te Purmerend, tot bewindvoerder.

1.2

De bewindvoerder heeft op de voet van artikel 351a van de Faillissementswet (Fw.) schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.3

Op 29 mei 2018 heeft de rechtbank zowel de bewindvoerder als schuldenares bericht dat op 2 juli 2018 de zitting als bedoeld in artikel 352, eerste lid, Fw. pro forma zal plaatsvinden.

1.4

Op 18 juni 2018 heeft de rechter-commissaris van [Z], de verhuurder van wie schuldenares woonruimte huurt, een brief ontvangen waarin laatstgenoemde stelt dat sprake is van een nieuwe schuld ter hoogte van € 10.936,74. De vordering zou zien op onbetaalde huurpenningen over het jaar 2017.

1.5

Op 28 juni 2018 is de bewindvoerder om een reactie op de brief verzocht en is zij geïnformeerd dat, gelet op die brief, de pro-formabehandeling van 2 juli 2018 geen doorgang zal vinden en dat de behandeling zal worden aangehouden tot een nader te bepalen datum. De bewindvoerder heeft bij bericht van 3 juli 2018 haar reactie aan de rechter-commissaris gezonden.

1.6

Naar aanleiding van het schrijven van de bewindvoerder van 3 juli 2018 heeft de rechter-commissaris bericht dat zij aanleiding ziet om de behandeling ex artikel 352 Fw. inhoudelijk te laten plaatsvinden.

1.7

Op 28 augustus 2018 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw. plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen en gehoord:

- schuldenares, bijgestaan door haar advocaat, mr. Brouwer;

- J. Hoogland, namens de bewindvoerder;

- de verhuurder.

1.8

Op 30 augustus 2018 heeft de rechtbank van de verhuurder een brief ontvangen waarin onder andere wordt verzocht om de uitspraak aan te houden tot de kantonrechter uitspraak heeft gedaan over het geschil tussen schuldenares en de verhuurder. Nu dit verzoek is ontvangen na sluiting van de behandeling en het geen grond voor heropening bevat, wordt het verzoek afgewezen. (De inhoud van) het verzoek zal verder buiten beschouwing worden gelaten.

1.9

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

Positie verhuurder

2.1

Ter zitting is komen vast te staan dat verhuurder geen vordering op schuldenares heeft die ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling al bestond of die behoort tot een andere in artikel 299 Fw. In zoverre is het geen vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt; het gaat bij deze vordering om een ‘nieuwe schuld’, verhuurder is een nieuweschuldeiser.

2.2

Voorts merkt de rechtbank op dat artikel 39 Fw. – op grond waarvan een huurschuld die tijdens faillissement ontstaat een boedelschuld is – in artikel 313 Fw. noch in enige andere bepaling op de wettelijke schuldsaneringsregeling van overeenkomstige toepassing is verklaard. De huurschuld die volgens de verhuurder tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling zou zijn ontstaan en onbetaald is gebleven, is derhalve evenmin een boedelschuld.

2.3

Uit het voorgaande volgt dat de verhuurder geen schuldeiser is met een vordering die door de schuldsanering of de eventueel daar uit voortvloeiende schone lei geraakt wordt. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of deze nieuweschuldeiser een schuldeiser in de zin van art. 353 Fw. is.

2.4

In de tekst noch het systeem van de wet is een aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat het begrip schuldeiser van art. 353 Fw. ook de nieuweschuldeisers omvat. Voor die laatsten geldt immers dat hun belangen en rechten niet worden geraakt door het al dan niet verlenen van de schone lei: zij behouden de verhaalsmogelijkheden die ze hadden.

2.5

Hoogstens heeft de schone lei tot gevolg dat de kring van schuldeisers slinkt, zodat de nieuweschuldeiser de verhaalsmogelijkheden met minder andere schuldeisers moet delen. In dit geval valt op dat de verhuurder bepleit dat er geen schone lei zou mogen volgen. Hij pleit daarmee tegen zijn eigen financiële belangen. Zou hij, anders dan uit voorgaande voortvloeit, wél enige uit zijn belang voortvloeiende bevoegdheid hebben, dan heeft het er alle schijn van dat die hier wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is toegekend.

Met zijn argumenten onderstreept de verhuurder het standpunt van schuldenares dat hij om persoonlijke redenen nu met de beweerdelijk onbetaalde vordering op de proppen komt.

Gebruik informatie verhuurder

2.6

Nu vastgesteld is dat de verhuurder geen belanghebbende is en geen positie in deze procedure heeft, dient de vraag zich aan of de door de hem aangedragen informatie gebruikt mag worden bij het oordeel over de tekortkomingen. Hoewel – anders dan art. 350 Fw. over de tussentijdse beëindiging – art. 354 Fw. niet het woord ambtshalve bevat valt niet in te zien waarom de informatie buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Het artikel houdt geen beperking in van de bronnen van informatie over de nakoming van de verplichtingen door een schuldenaar. Daarbij komt dat informatie over nieuwe schulden die door de bewindvoerder wordt aangeleverd altijd bij de beoordeling wordt betrokken. Dat de verhuurder-nieuweschuldeiser zich niet tot de bewindvoerder, maar tot de rechter-commissaris wendde vormt geen relevant onderscheid.

Beoordeling tekortkomingen: toetsingskader

2.7

De rechtbank dient ten slotte te beoordelen of schuldenares gedurende de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing was, tekort is geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenares kan worden toegerekend. Het ontstaan van een nieuwe schuld is een tekortkoming.

2.8

De rechtbank is niet geroepen om in deze procedure enige afdwingbare betalings- verplichting van schuldenares jegens de verhuurder vast te stellen. Het systeem van stelplicht en bewijslast, zoals dat in civiele dagvaardingszaken stelt, is bij de hiervoor bedoelde beoordeling dan ook niet leidend, maar kan die beoordeling in- of aanvullen. Dat kan ook onbezwaarlijk zo zijn, nu een oordeel over een nieuwe schuld in het kader van artikel 354 Fw. de rechtspositie van de nieuweschuldeiser niet raakt.

Beoordeling tekortkomingen

2.9

De bewindvoerder heeft zich ter zitting, in lijn met haar eerdere bericht, op het standpunt gesteld dat haar niet van tekortkomingen in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is gebleken.

2.10

Ter zitting is erkend dat tussen schuldenares en verhuurder een huurovereenkomst bestaat. Ook staat tussen partijen vast dat in de periode waarin volgens verhuurder de huur niet betaald is huur betaald moest worden. Schuldenares zegt dat die op verzoek van verhuurder contant is voldaan en dat zij het geld met toestemming van de bewindvoerder heeft opgenomen van haar rekening. Een kwitantie heeft zij nimmer gevraagd. Verhuurder betwist de betaling. De rechtbank weegt voorts mee dat verhuurder schuldenares niet eerder op de onbetaalde huur aansprak – terwijl hij op een recent uitblijven van huur direct per e-mail reageerde. Ook is gebleken dat de gepretendeerde vordering eerst aan het licht kwam toen het niet-zakelijke deel van de relatie tussen schuldenares en verhuurder bekoeld was. Dat er persoonlijke redenen bij de verhuurder spelen is gelet op hetgeen onder 2.5 werd overwogen aannemelijk.

2.11

Alles afwegende staat in dit geval onvoldoende vast dat tijdens de schuldsanerings-regeling een nieuwe schuld is ontstaan. Van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is dan ook niet gebleken.

Die vaststelling heeft tot gevolg dat het einde van de schuldsaneringsregeling voor schuldenares de schone lei met zich zal brengen.

Vergoeding bewindvoerder

2.12

De rechtbank ontkomt niet aan de indruk dat de omstandigheid dat de bewindvoerder heeft ingestemd met contante betaling, maar heeft verzuimd erop toe te zien dat telkens een kwitantie werd gegeven, heeft bijgedragen aan de intussen ontstane onduidelijkheid over de nieuwe schuld. Juist in de schuldsaneringsregeling zou girale betaling uitgangspunt moeten zijn en moet met (toestemming voor) uitzonderingen terughoudend en in elk geval voorzichtig worden omgegaan.

2.13

Een en ander is voor de rechtbank grond om de rechter-commissaris te vragen zich uit te laten over een korting op de vergoeding van de bewindvoerder en de bewindvoerder te horen op haar vergoedingsverzoek en hetgeen de rechter-commissaris de rechtbank zal berichten. De vergoeding zal bij nadere beschikking worden vastgesteld.

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat schuldenares niet toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenares zijn geëindigd op 25 juni 2018;

- stelt het vastrecht vast op € 617,-, voor zover de boedel toereikend is;

- stelt de vergoeding van de bewindvoerder bij nadere beschikking vast.

Gewezen door mr. G.H.M. Smelt, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2018 in tegenwoordigheid van C.D. Woodley, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.