Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11204

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
NL17.15232
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cubaanse, homoseksueel, asielrelaas geloofwaardig maar niet zwaarwegend genoeg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15232


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gerritsen).


Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Cubaanse nationaliteit. Hij heeft op 10 november 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en als gevolg hiervan in zijn land van herkomst problemen heeft ondervonden. Op straat wordt hij al vanaf zijn schooltijd afkeurend aangekeken en nageroepen. Op 21 augustus 2017 is eiser hard aangepakt door de politie op een feest, nadat er een vechtpartij was uitgebroken. Eiser heeft hierdoor last van zijn blindedarm gekregen en moest direct geopereerd worden. Daarnaast heeft eiser van de politie drie boetes gekregen omdat hij zich te extravagant had gekleed en opgemaakt. Eiser heeft deze boetes betaald.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen als ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) identiteit en nationaliteit;

2) homoseksuele geaardheid;

3) problemen naar aanleiding van zijn geaardheid.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit alsmede over zijn geaardheid en de problemen naar aanleiding van zijn geaardheid geloofwaardig geacht.

De door eiser ondervonden problemen worden echter onvoldoende zwaarwegend geacht. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe

– samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aan hem opgelegde boetes en de mishandeling door de politie vanwege zijn seksuele geaardheid zwaarwegend genoeg zijn om te worden aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel als een schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser stelt dat hij tegen de voornoemde schendingen geen bescherming kan vragen bij de hogere autoriteiten. Hiertoe verwijst eiser naar de algemene landeninformatie, waaronder een brief van VluchtelingenWerk van 22 november 2017, die hij reeds bij zijn zienswijze heeft overgelegd.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. De rechtbank stelt voorop dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig is geacht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het asielrelaas voldoende zwaarwegend is om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

7.1.

De rechtbank overweegt dat homoseksualiteit in Cuba niet bij wet strafbaar is gesteld en dat verweerder in het bestreden besluit verwijst naar algemene landeninformatie waaruit niet blijkt dat LHBT-ers in Cuba te maken hebben met blootstelling aan ernstig geweld, ernstig discriminerende maatregelen van overheidswege of strafbepalingen gericht op LHBT-ers. Hoewel uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat de situatie voor LHBT-ers in de praktijk verbetering behoeft en dat discriminatie ook door de autoriteiten nog steeds voorkomt, volgt hieruit niet dat LHBT-ers uit Cuba op basis van hun geaardheid als zodanig reeds zijn aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of lopen bij terugkeer om die reden een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Discriminatie door de autoriteiten en/of medeburgers kan leiden tot gegronde vrees voor vervolging indien sprake is van substantiële discriminatie waardoor het leven onhoudbaar is geworden. Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), merkt verweerder discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als een daad van vervolging, indien de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Niet is gebleken dat hier in het geval van eiser sprake van is. Evenwel wordt erkend dat eiser jarenlang negatief is bejegend door de maatschappij, maar hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat de situatie onhoudbaar is geworden. Hierbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser openlijk voor zijn geaardheid heeft kunnen uitkomen. Eiser heeft zich extravagant gekleed, heeft feesten bezocht, is relaties met mannen aangegaan en is op straat met homoseksuele vrienden samengekomen. Bovendien heeft eiser steun van zijn familie, in het bijzonder zijn moeder, gekregen. Eiser heeft gewerkt als verkoper in een koffiezaak en thuis (illegaal) als kapper, heeft een middelbare schoolopleiding gevolgd, heeft huisvesting gehad en is in zijn levensonderhoud voorzien. Medische zorg is eiser ook niet ontzegd.

7.3.

De rechtbank overweegt dat eiser vermoedt dat de politie hem drie boetes heeft opgelegd en dat hij door een agent is mishandeld vanwege zijn seksuele geaardheid. Nu dit vermoeden niet nader is onderbouwd, staat niet vast dat dit inderdaad de reden is geweest waarom de boetes zijn opgelegd en de mishandeling heeft plaatsgevonden. Dat uit openbare bronnen zou blijken dat de Cubaanse politie plekken aanpakt die bekend staan als homo-ontmoetingsplaatsen, wat hier verder ook van zij, maakt nog niet dat eiser juist vanwege zijn geaardheid is mishandeld. Eiser was immers aanwezig op een feest waar een gevecht was uitgebroken. Derhalve is het mogelijk dat eiser tegen de grond is gewerkt omdat de agent veronderstelde dat eiser bij het gevecht betrokken was. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij juist vanwege zijn homoseksuele geaardheid problemen heeft gehad met de politie. Eiser heeft overigens in zijn leven slechts drie boetes opgelegd gekregen. Van stelselmatige vervolging door de autoriteiten, nog los van de reden van oplegging van de boetes, is dan ook geen sprake. Van eiser mag bovendien verwacht worden dat hij de bescherming van de (hogere) autoriteiten inroept. Eiser heeft verklaard dat hij geen aangifte van de mishandeling heeft gedaan noch een klacht heeft ingediend of beroep heeft ingesteld tegen de opgelegde boetes, omdat hij geen bescherming kan vragen bij de hogere autoriteiten. Hoewel uit de door eiser overgelegde brief van VluchtelingenWerk van 22 november 2017 naar voren komt dat er zorgen zijn met betrekking tot de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht in Cuba, dat discriminatie van LHBT-ers door de politie voorkomt en dat de politie waarschijnlijk slechts beperkt bereid is om onderzoek te doen in gevallen waarin seksuele minderheden worden lastiggevallen, is hieruit niet gebleken dat het doen van aangifte of het indienen van een klacht bij de autoriteiten bij voorbaat kansloos zou zijn. Nu eiser niet heeft aangetoond dat de autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen beschermen, had van eiser verwacht mogen worden dat hij de bescherming van de autoriteiten had ingeroepen.

7.4.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank ook niet gebleken dat eiser bij uitzetting naar Cuba een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.

8. Eiser komt dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.