Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11193

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
C/09/536474 / HA ZA 17-780
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kwalificatie van rechtsverhouding; overeenkomst van opdracht; bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/536474 / HA ZA 17-780

Vonnis van 19 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

procesadvocaat mr. A. van Hees te Amsterdam,

behandelend advocaat mr. O. van Rijswijk te Gouda,

tegen

BURGERZ BEHEER B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. R. Charité te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en Burgerz genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 juli 2017 met 7 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 30 augustus 2017 met 6 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 22 november 2017 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de brief van 15 januari 2018 van mr. Van Hees met 2 producties;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 13 februari 2018, met mondeling tussenvonnis, tevens proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 februari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 24 mei 2018, tevens proces-verbaal van de comparitie gehouden op 24 mei 2018;

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor tevens akte houdende aanvullende producties en expliciet bewijsaanbod van [eiser] van 27 juni 2018;

  • -

    de antwoordconclusie na getuigenverhoor tevens houdende akte overlegging aanvullende producties van Burgerz van 25 juli 2018.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 13 februari 2018 is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [eiser] heeft daarvan gebruik gemaakt bij brief van 27 februari 2018. Deze brief maakt onderdeel uit van het procesdossier en de rechtbank wijst vonnis met inachtneming van de opmerkingen van [eiser] op het proces-verbaal.

1.3.

Het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 24 mei 2018 is eveneens buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

1.4.

De getuigen zijn gehoord in aanwezigheid van de rechter die dit vonnis wijst.

1.5.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en Burgerz hebben samengewerkt op het gebied van de inkoop en keuring van vlees en de productie van hamburgers voor de restaurants van Burgerz. [eiser] keurde en selecteerde het vlees, controleerde het vetpercentage en hielp mee bij het maken van hamburgers. De runderen werden aan Burgerz geleverd door de heer [A] (hierna: [A] ).

2.2.

Op 13 september 2011 heeft Burgerz aan [eiser] en [A] per e-mail onder meer het volgende bericht:

“Onderwerp: ‘Runder business

Hi guys,

na vanmiddag een rondje gebeld te hebben om de draad weer op te pakken, hier een beschrijving van de situatie to-date:

Primaire doelstelling: cost effectief, consistent kwaliteitsvlees te leveren aan Burgerz

Secundaire doelstelling: een verdienmodel te ontwikkelen om cost effectief, consistent kwaliteitsvlees te leveren aan Burgerz, Dap & co en derden (consument en zakelijk)

Scenarios:

1. Vlees BV koopt runderen, mest ze op een verantwoorde manier af en laat ze stress-vrij slachten. Het vlees van de voorvoet wordt aan Burgerz geleverd tegen een concurrerende prijs, het (dure) vlees van de achtervoet wordt tegen een concurrerende prijs geleverd aan Dap & co en al dan niet bewerkt (gehakt of worst) verkocht op de vrije markt aan consumenten (webwinkel) en restaurants.

Vlees BV maakt winst tgv met name de marges op het dure vlees en investeert dat in het opzetten van een ‘eigen kudde’ van bij boeren gestalde en door die boeren gemeste runderen. Op de lange termijn zal Vlees BV tgv de lagere inkoopprijs van de ‘eigen’ runderen een hogere marge kunnen realiseren.

- primaire doelstelling behaald

- secundaire doelstelling behaald

2. [X] koopt Lakenvelder runderen, laat ze stress-vrij slachten en verkoopt Burgerz het burger vlees

- primaire doelstelling behaald, want de prijs voor dit vlees zal in de orde van €5-6/kg zijn, ongeveer de huidige prijs, terwijl de kwaliteit beter zal zijn

- secundaire doelstelling niet behaald, want [X] verkoopt het dure vlees en behoud de marges. De marges op het burgervlees zullen niet voldoende zijn om de kosten te dragen

3. Omdat [X] inmiddels een claim heeft gelegd op de Lakenvelders en deze runderen dus niet meer beschikbaar zijn voor Vlees BV, een partnership sluiten met [X] waarin we [X] mede-aandeelhouder maken van Vlees BV. Vlees BV voert scenario 1 uit beginnende met de Lakenvelders en kan vervolgens uitgroeien naar andere rassen.

- primaire doelstelling behaald, want de prijs voor dit vlees zal in de orde van €5-6/kg zijn, ongeveer de huidige prijs, terwijl de kwaliteit beter zal zijn

- secundaire doelstelling ook behaald, want Vlees BV verkoopt het dure vlees en behoud de marges. Omdat Vermanining mede eigenaar is van Vlees BV, uiteindelijk minder te verdelen tussen andere aandeelhouders, maar tgv de inkoop en afzet kanalen van [X] een snellere groei, met minder risico.

Overigens als besproken, zie ik het huidige team als aandeelhouders in Vlees BV, met mijzelf als investeerder en [A] en [1] betaald met aandelen voor de investering in tijd.

We zien elkaar dinsdag om 15:00 uur bij [A] en [2] zou kijken of hij ook kan komen.

Ik hoor graag jullie feedback.”

2.3.

Op 13 september 2011 heeft [eiser] per e-mail het volgende aan Burgerz en [A] geantwoord:

“Ik denk dat ik me het lekkerst voel met optie 1.

Optie 2. spreekt voor zich. Niks dus.

Optie 3. voor mijn gevoel is het risico bij optie 1 al niet zo groot, ik zie dan ook geen voordeel met een klein beetje minder risico. Als blijkt dat de betere delen daadwerkelijk luxer zijn moet de afzet niet heel ingewikkeld zijn. Bovendien ben ik geen voorstander van snelle groei.”

2.4.

In 2013 heeft Burgerz aan [eiser] aangeboden om hem € 15,-- per uur te betalen voor zijn werkzaamheden voor Burgerz. [eiser] heeft dit aanbod niet aanvaard.

2.5.

Bij akte van uitgifte van aandelen van 31 december 2013 heeft [eiser] 928 stemrechtloze aandelen B in Burgerz met een nominale waarde van € 1,-- per aandeel verkregen.

2.6.

Op 29 januari 2014 heeft de broer van [eiser] , de heer [B] (hierna: [B] ) aan [eiser] per e-mail onder meer het volgende bericht:

“Vorige week hadden we het over jouw nieuwe business (de hamburger zaak).

Lijkt me een mooi initiatief. Hier in Amsterdam zijn ook een aantal van dat soort restaurants (de burgermeester).

Loopt goed als ik [3] en [4] moet geloven.

Begreep ik nu goed van je dat je je hebt laten betalen met aandelen?

Zorg ervoor dat dit is voor reeds gedane arbeid. Dus voor werkzaamheden die je de afgelopen jaren hebt verricht.

Moet je goed met […] documenteren anders zou de waardestijging door de fiscus ook nog wel eens gezien kunnen worden als verkapt inkomen uit toekomstig werk en ik weet niet hoe dat zit.”

2.7.

Op 29 januari 2014 heeft [eiser] daarop per e-mail het volgende geantwoord:

“Klopt was de betaling voor de afgelopen periode op basis van de afspraak om voor 25 euro per uur ongeveer 4 uur per week aan de gang te gaan.

Is niet veel maar wel een mooie bijverdienste.”

2.8.

Op 28 mei 2014 heeft [A] per e-mail het volgende aan [eiser] bericht:

“Deze agenda punten wil ik volgende week bespreken in het overleg, heb jij nog aanvullingen zo ja voeg ze toe dan zal ik het doorsturen naar [5] .

(…)

Punten voor de agenda:

  • -

    waar staat Burgerz nu en wat is de visie van Burgerz geschetst in een tijdslijn.

  • -

    Wat wordt er van ons verwacht ( [1] en [A] )

  • -

    Hoe houden we elkaar op de hoogte (communicatie)

  • -

    Welke werkzaamheden zijn er, door wie wordt dat gedaan en welke vergoeding staat daar tegenover.

  • -

    Eventueel andere werkzaamheden in de productieruimte. zo ja, welke vergoeding staat daar tegenover.”

2.9.

Op 28 mei 2014 heeft [eiser] daarop per e-mail geantwoord dat hij daar niets aan toe te voegen had. Op 30 mei 2014 heeft [A] de e-mail met de agendapunten doorgestuurd aan Burgerz.

2.10.

In 2015 en 2016 hebben [eiser] en [A] , buiten de samenwerking met Burgerz om, op foodfestivals burgers verkocht vanuit een foodtruck.

2.11.

Op 10 maart 2016 heeft Burgerz aan [eiser] per e-mail het volgende bericht:

“Verder gaan we binnenkort 5% verkopen aan het franchise adviesbureau Customerfactory. Hiervoor krijgen we € 15.000 plus twee jaar lang een korting op het uurtarief van € 55/uur voor max 12 uur per week.

De 5% vertegenwoordigd dan een maximale waarde van: € 15.000 + (2 jaar * 52 weken * 12 uur per week * € 55) = € 15.000 + € 68.640 = € 83.640

Als we er van uitgaan dat we 50% van de korting gebruiken spreken we nog steeds over € 50.000.

Het is natuurlijk zo maar een waardebepaling en de feitelijke waarde wordt bepaald door wat iemand er voor betaald.

(…)

Ook laat het zien dat je inschatting van 2000 uur tegen € 25/uur gereflecteerd wordt in deze getallen.”

2.12.

Op 6 januari 2017 heeft [eiser] per brief onder meer het volgende aan Burgerz bericht:

“In het telefoongesprek van woensdag jongstleden (04-01-2017) heb je tot mijn grote spijt aangegeven dat je afscheid van mij en [A] gaat nemen waar het gaat om onze inzet voor de firma.

Op mijn vraag of dit ook consequenties had voor mijn aandeelhouderschap gaf je te kennen dat dit wat jou betreft niet het geval was. Op mijn vraag of je mijn pakket over wilde nemen, gaf je aan dat je daarvoor niet in de markt bent en al helemaal niet voor het bedrag dat je in de mail van 10 maart zelf schetste.

Omdat ik een minderheidsbelang heb, en mijn inzet voor de firma door jou wordt beëindig, zijn we naar mijn oordeel aangekomen op het volgende punt. Ik blijf gewoon aandeelhouder in de firma en mijn inzet van de afgelopen vijf jaar wordt door de firma vergoed.

Voor deze vergoeding zou ik een factuur kunnen sturen danwel een achterstallige looneis in kunnen dienen voor het werk dat ik sinds danwel in opdracht danwel in dienstverband heb sinds 28-7-2011 verricht. Ik zal mij beraden op de route die ik, de situatie in ogenschouw nemende, het best kan bewandelen en je hier op korte termijn over berichten. Weet wel dat indien de conclusie is dat mijn werkzaamheden door de wet als dienstverband worden aangemerkt, beëindiging daarvan eerst kan plaatsvinden met inachtneming van de wettelijke voorschriften en je ook gedurende die termijn het reguliere loon moet betalen.

Voor de vaststelling van het bedrag zal ik het uurtarief hanteren dat jij destijds gebruikte om aan te tonen dat mijn inzet reflecteerde in de waarde van de aandelen.”

2.13.

Op 20 januari 2017 heeft Burgerz per e-mail gereageerd op de stellingen in de brief van [eiser] . Bij brief van 3 maart 2017 heeft [eiser] Burgerz onder meer een termijn gesteld voor betaling van de volgens [eiser] achterstallige vergoeding voor zijn werkzaamheden, en Burgerz aangezegd dat zij bij gebreke van betaling in verzuim zou geraken.

2.14.

[eiser] was gedurende de hele periode dat hij werkzaamheden voor Burgerz verrichtte, volledig arbeidsongeschikt en ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Burgerz veroordeelt tot betaling van een bedrag aan [eiser] – voor de door hem voor Burgerz vanaf 28 juli 2011 tot en met 6 september 2016 verrichte werkzaamheden – van:

primair: het afgesproken opdrachtsloon van € 25,-- per uur (exclusief BTW) x 1932 uur = € 48.300,-- (oftewel € 58.443,-- inclusief BTW) minus € 928,-- aan eerder uitbetaalde aandelen, derhalve een resterend totaalbedrag inclusief BTW van

€ 57.515,--; of

subsidiair: een door de rechtbank vast te stellen redelijk opdrachtsloon inclusief BTW; of

meer subsidiair: een door de rechtbank vast te stellen gebruikelijk arbeidsloon conform artikel 7:618 BW;

Burgerz veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een door de rechtbank vast te stellen bedrag aan verbeurde wettelijke rente over het hiervoor onder vordering ‘a’ vastgestelde bedrag, te berekenen vanaf 1 april 2017, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen dag, tot en met de dag van het uitspreken van het vonnis;

Burgerz als de in het ongelijk gestelde partij veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de door [eiser] gemaakte kosten in deze procedure;

bepaalt dat alle bedragen op grond van de voorgaande vorderingen waartoe Burgerz wordt veroordeeld binnen veertien dagen na de uitspraakdatum van het vonnis aan [eiser] moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan Burgerz vanaf de vijftiende dag wettelijke rente daarover van rechtswege aan [eiser] verschuldigd zal zijn;

Burgerz als de in het ongelijk gestelde partij veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een door de rechtbank te bepalen bedrag aan nakosten indien betekening van het vonnis niet nodig zal zijn danwel tot betaling van een door de rechtbank te bepalen bedrag aan nakosten indien betekening van het vonnis wel nodig zal blijken te zijn.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij in de periode van 28 juli 2011 tot en met 6 september 2016 in totaal 1932 uur voor Burgerz heeft gewerkt. Hij heeft daarvoor eind 2013 eenmalig een betaling in de vorm van 928 aandelen B in Burgerz ontvangen. [eiser] en Burgerz zijn aan het begin van hun samenwerking overeengekomen dat Burgerz hem € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou betalen. De juridische grondslag waarop [eiser] en Burgerz hebben samengewerkt is een overeenkomst van opdracht die mondeling is overeengekomen. Burgerz is [eiser] op grond van die overeenkomst nog een bedrag van € 57.515,-- verschuldigd, dan wel, subsidiair, een redelijk opdrachtsloon. Meer subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst op grond waarvan Burgerz hem een gebruikelijk arbeidsloon verschuldigd is.

3.3.

Burgerz heeft aangevoerd dat partijen gezamenlijk een zakelijke activiteit hebben ontwikkeld, waarbij [eiser] 5% van de aandelen in Burgerz kreeg als vergoeding voor zijn investering in tijd. Partijen zijn geen andere vergoeding dan de vergoeding in aandelen overeengekomen, noch hebben partijen een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst gesloten. Tot slot beroept Burgerz zich op verjaring van de vordering van [eiser] voor zover deze betrekking heeft op een vergoeding voor werkzaamheden verricht tot 6 januari 2012.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Kwalificatie van de rechtsverhouding

4.1.

Over de kwalificatie van hun rechtsverhouding verschillen partijen van mening. Gelet op de grondslagen van de vorderingen en het verweer dat daartegen is gevoerd, staat ter beoordeling of de rechtsverhouding tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht of een andere (al dan niet in de wet benoemde) overeenkomst.

4.2.

Van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 lid 1 BW is sprake wanneer de ene partij, de werknemer zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Een overeenkomst van opdracht is volgens artikel 7:400 BW de overeenkomst, waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.

4.3.

Voor de kwalificatie is van belang wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Niet één enkel kenmerk is beslissend, maar de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden moeten in hun onderling verband worden bezien (vgl. o.m. ECLI:NL:HR:1997:ZC2495 (Groen/Schoevers)).

4.4.

Dit kader levert voor het onderhavige geval het volgende beeld op:

- [eiser] en Burgerz hebben geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt. Het uitgangspunt dat [eiser] bij de samenwerking stelt te hebben gehad, was dat hij de werkzaamheden voor Burgerz verrichtte op grond van een overeenkomst van opdracht. Zijn zelfstandigheid stond daarbij naar eigen zeggen voorop. Volgens hem was de intentie van partijen het voorkomen van een arbeidsrelatie. Voorts beschouwde [eiser] zijn werkzaamheden voor Burgerz als een ‘volgende stap terug naar een weer volwaardige deelname aan de arbeidsmarkt’. Burgerz stond, blijkens haar e-mail van 13 september 2011, een zakelijke samenwerking voor ogen waarbij [eiser] aandelen zou ontvangen voor de tijd die hij investeerde. Burgerz ging er van uit dat [eiser] de samenwerking aanging om ondanks zijn arbeidsongeschiktheid maatschappelijk actief te kunnen blijven. De uitgangspunten die partijen hadden bij het aangaan van hun samenwerking, vormen derhalve geen aanwijzing voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.

- [eiser] heeft vervolgens gedurende een aantal jaren werkzaamheden verricht ten behoeve van Burgerz. Deze werkzaamheden bestonden, in ieder geval gedurende een bepaalde periode, uit het wekelijks, op afgesproken dagen en tijden, keuren en selecteren van vlees, het controleren van het vetpercentage en het meehelpen bij het maken van hamburgers. In de wijze waarop [eiser] uitvoering gaf aan zijn werkzaamheden was hij volledig vrij. Hij kon zijn werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht van Burgerz uitvoeren. Niet gesteld of gebleken is dat voor [eiser] specifieke instructies golden voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. [eiser] handelde geheel zelfstandig bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Met partijen is de rechtbank derhalve van oordeel dat tussen hen geen gezagsverhouding bestond. Uit het voorgaande volgt tevens dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht die in iets anders bestonden dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.

- [eiser] was als aandeelhouder aanwezig bij de aandeelhoudersvergaderingen van Burgerz.

- [eiser] ondernam buiten de samenwerking met Burgerz andere activiteiten, zoals het verkopen van burgers vanuit een foodtruck op foodfestivals.

- Partijen twisten over de vraag welke vergoeding [eiser] voor zijn werkzaamheden zou ontvangen. De beoordeling van dat geschil volgt hierna. Voor de beoordeling van de rechtsverhouding overweegt de rechtbank het volgende. Als partijen hebben afgesproken dat [eiser] € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden betaald zou krijgen, zoals [eiser] stelt, zou dat als loon kunnen worden aangemerkt. Als partijen uitsluitend hebben afgesproken dat [eiser] eenmalig 928 aandelen zou ontvangen als vergoeding voor zijn investering in tijd, zoals Burgerz stelt, zou dat een aanwijzing kunnen zijn dat partijen niet hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten.

- Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] een vergoeding kreeg gedurende ziekte of vakantie. Evenmin gesteld of gebleken is dat Burgerz loonbelasting en premies sociale verzekering heeft ingehouden en afgedragen.

- [eiser] stelt dat hij gedurende de samenwerking heeft bijgehouden hoeveel uren hij voor Burgerz heeft gewerkt, doch hij heeft zijn urenregistratie nooit aan Burgerz laten zien of door Burgerz laten goedkeuren.

- [eiser] was gedurende de hele periode dat hij werkzaamheden voor Burgerz verrichtte, volledig arbeidsongeschikt en ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4.5.

Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en Burgerz niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst, maar dat deze moet worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht. Het beroep van [eiser] op het rechtsvermoeden uit artikel 7:610a BW leidt niet tot een ander oordeel. Er was tussen partijen geen onduidelijkheid over de aard van de arbeidsrelatie en de door partijen bedoelde aard van de arbeidsrelatie valt niet onder de relaties waartegen het rechtsvermoeden bescherming moet bieden. [eiser] stelt weliswaar dat er een feitelijke economische machtssituatie was waar Burgerz misbruik van maakte en waartegen [eiser] zou moeten worden beschermd, maar heeft daartoe, in het licht van het gemotiveerde verweer van Burgerz, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld.

4.6.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiser] voor zover deze is gebaseerd op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, niet toewijsbaar is, omdat een grondslag ontbreekt. Dit betreft de meer subsidiaire vordering zoals aangehaald in r.o. 3.1 onder a. tot betaling van een door de rechtbank vast te stellen redelijk arbeidsloon conform artikel 7:618 BW.

Vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser]

4.7.

Artikel 7:405 lid 1 BW bepaalt dat een opdrachtnemer die de overeenkomst in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, recht heeft op loon. Deze regel is niet van dwingend recht; partijen kunnen er dus van afwijken. Ook met een niet beroeps- of bedrijfsmatig handelende opdrachtnemer kan derhalve overeengekomen worden dat hij recht heeft op loon. Is niets afgesproken over de hoogte van het loon, dan bepaalt art. 7:405 lid 2 BW dat het loon op de gebruikelijke wijze, of anders volgens de redelijkheid moet worden vastgesteld.

4.8.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] een vergoeding zou ontvangen voor zijn werkzaamheden, kan in het midden blijven of [eiser] de overeenkomst in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan. Aangezien partijen wel van mening verschillen over de vraag welke vergoeding [eiser] voor zijn werkzaamheden zou ontvangen, dient, voor de beoordeling van de primaire en subsidiaire vorderingen zoals aangehaald in r.o. 3.1 onder a., de vraag te worden beantwoord wat partijen zijn overeengekomen over de vergoeding die [eiser] voor zijn werkzaamheden zou ontvangen.

€ 25,-- per uur?

4.9.

[eiser] stelt dat partijen aan het begin van hun samenwerking zijn overeengekomen dat Burgerz hem € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou betalen. Op grond van artikel 150 Rv rust op [eiser] de stelplicht en de bewijslast van deze afspraak.

4.10.

Uit de correspondentie waarop [eiser] een beroep doet ter onderbouwing van de door hem gestelde afspraak, blijkt niet dat partijen hebben afgesproken dat Burgerz [eiser] € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou betalen. Zo volgt uit de e-mails van 29 januari 2014 tussen [eiser] en zijn broer, [B] , weliswaar dat [eiser] er van uitging dat hij betaald kreeg ‘op basis van de afspraak om voor 25 euro per uur ongeveer 4 uur per week aan de gang te gaan’, maar uit die e-mails volgt ook dat [eiser] met zijn instemming werd uitbetaald in aandelen, en niet in geld. Ook uit de e-mail van 28 mei 2014 waarin [A] agendapunten voor de board meeting aan [eiser] voorstelt, volgt niet dat partijen hebben afgesproken dat Burgerz [eiser]

€ 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou betalen. Uit de zin “(…) Welke werkzaamheden zijn er, door wie wordt dat gedaan en welke vergoeding staat daar tegenover” volgt eerder dat daarover juist geen (duidelijke) afspraken waren gemaakt. [eiser] heeft zelf ter comparitie verklaard dat hij op de boardmeeting ‘niet expliciet over de uitbetaling van € 25 ,-- heeft gesproken’ en dat hij [C] ook nadien niet heeft gesproken over de vergoeding. Evenmin blijkt een afspraak over € 25,--, anders dan [eiser] stelt, uit de zin in de e-mail van Burgerz aan [eiser] van 10 maart 2016 die [eiser] aanhaalt: “Ook laat het zien dat je inschatting van 2000 uur tegen € 25/uur gereflecteerd wordt in deze getallen.” Deze zin zegt iets over een inschatting die [eiser] kennelijk had gemaakt, maar niets over een afspraak tussen partijen. Tot slot blijkt uit de brief van 6 januari 2017 van [eiser] aan Burgerz niet dat tussen partijen de afspraak bestond dat Burgerz [eiser] € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou betalen. Integendeel, uit de brief lijkt eerder te volgen dat [eiser] pas op het moment dat hem duidelijk werd dat Burgerz zijn aandelen niet wilde overnemen, het standpunt innam dat hij een vergoeding in geld zou moeten krijgen voor zijn werkzaamheden. Ook de zin (in diezelfde brief): “Voor de vaststelling van het bedrag zal ik het uurtarief hanteren dat jij destijds gebruikte om aan te tonen dat mijn inzet reflecteerde in de waarde van de aandelen.” wijst erop dat er tot op dat moment geen afspraak tussen partijen bestond over een vergoeding in geld voor de werkzaamheden van [eiser] .

4.11.

Anderzijds blijkt uit de e-mail van 13 september 2011 van Burgerz aan [eiser] en [A] , waarmee Burgerz de door [eiser] gestelde afspraak gemotiveerd betwist, ook niet dat partijen een andere afspraak hebben gemaakt. Burgerz schrijft in die e-mail: “Overigens als besproken, zie ik het huidige team als aandeelhouders in Vlees BV, met mijzelf als investeerder en [A] en [1] betaald met aandelen voor de investering in tijd.” Hieruit blijkt weliswaar dat Burgerz betaling in aandelen voorstelt, maar niet dat partijen daarover een afspraak hebben gemaakt.

4.12.

Burgerz voert verder aan dat zij met [A] is overeengekomen om hem, in plaats van aandelen, € 15,-- per uur te betalen voor zowel zijn werkzaamheden tot en met 2013, als voor zijn werkzaamheden vanaf 1 januari 2014. Burgerz heeft dit ook aan [eiser] aangeboden, maar hij heeft dat aanbod niet aanvaard. [eiser] heeft vervolgens aandelen gekregen. Volgens Burgerz had [eiser] moeten begrijpen dat de betaling in aandelen in de plaats kwam van een betaling in geld. [eiser] betwist dat dit duidelijk was of dat dit hem op grond van de afspraak tussen Burgerz en [A] duidelijk had moeten zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit een afspraak tussen Burgerz en [A] , zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan worden afgeleid wat de afspraak over de vergoeding was tussen Burgerz en [eiser] .

4.13.

Nu op grond van het voorgaande niet is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat Burgerz [eiser] € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou betalen, en op grond van artikel 150 Rv op [eiser] de stelplicht en de bewijslast rust van de door hem gestelde afspraak, heeft de rechtbank [eiser] , conform het door hem gedane aanbod, bij mondeling vonnis van 13 februari 2018 toegelaten tot bewijslevering van de door hem gestelde afspraak over de vergoeding voor zijn werkzaamheden.

Getuigenverklaringen

4.14.

[eiser] heeft [A] en [B] als getuigen doen horen. Burgerz heeft in contra-enquête als getuige doen horen mevrouw [getuige 1] , dochter van [C] en tevens directeur van Funky Food Group B.V. (de vennootschap die bestuurder is van Burgerz), en de heer [getuige 2] , productiekok bij Burgerz.

4.15.

[A] heeft weliswaar verklaard dat [eiser] en Burgerz in zijn aanwezigheid hebben afgesproken dat [eiser] zijn uren zou bijhouden ‘en dat er een uurtarief van € 25,-- voor [eiser] tegenover stond,’ maar [A] heeft niet verklaard dat partijen afspraken hebben gemaakt over de uitbetaling aan [eiser] . Integendeel, [A] heeft verklaard dat vanaf het begin duidelijk was dat [A] en [eiser] hun uren nog niet uitbetaald zouden krijgen, en dat ze daarna zouden ‘kijken hoe het verder zou gaan met de uitbetaling van de uren, hoeveelheden vlees en de werkzaamheden in uren.’ De stelling van [eiser] dat partijen hebben afgesproken dat Burgerz [eiser] € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou betalen, wordt derhalve niet door de getuigenverklaring van [A] onderschreven.

4.16.

[A] heeft verder verklaard dat de afspraak met Burgerz over het bijhouden van uren en het uurtarief dat daar tegenover stond, werd gemaakt na een paar maanden proefdraaien, ongeveer in februari (2012, zo begrijpt de rechtbank), op de slachtplaats van [D] in [plaats] . [eiser] heeft ter comparitie echter gesteld dat hij dacht dat dit gesprek in café ‘De drie haringen’ plaatsvond, en dat hij dacht dat dat in de zomer van 2011 was. [C] heeft gesteld dat hij zich geen gesprek in café ‘De drie haringen’ kan herinneren, en dat partijen het misschien wel over een uurloon van € 25,-- hebben gehad, maar dat Burgerz daarmee nooit akkoord is gegaan. Op dit punt spreken de verklaringen van [A] , [eiser] en Burgerz elkaar dus tegen.

4.17.

Nu de getuigenverklaring van [A] noch voor wat betreft de inhoud van de afspraak, noch voor wat betreft de tijd en plaats van totstandkoming van de afspraak, overeenkomt met hetgeen [eiser] daarover heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de getuigenverklaring van [A] geen bewijs kan opleveren van de door [eiser] gestelde afspraak.

4.18.

Bij de beoordeling van de getuigenverklaring van [B] stelt de rechtbank voorop dat [B] niet aanwezig was bij het maken van de door [eiser] gestelde afspraak met Burgerz over de vergoeding voor zijn werkzaamheden, zodat [B] daarover niet uit eigen waarneming kan verklaren. [B] heeft verklaard dat hij omstreeks eind 2013 van [eiser] heeft gehoord dat [eiser] € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou kunnen declareren. Tijdens een later gesprek vertelde [eiser] dat hij zou worden uitbetaald in aandelen, en dat dat een betaling zou zijn voor de inspanningen van de afgelopen tijd. Naar dit laatstgenoemde gesprek verwees [B] in zijn e-mail aan [eiser] van 29 januari 2014, aldus de verklaring van [B] . De rechtbank concludeert dat zowel uit de (in r.o. 2.6 en 2.7 aangehaalde) e-mails van 29 januari 2014 als uit de getuigenverklaring van [B] blijkt dat [eiser] heeft ingestemd met een betaling in aandelen voor (in ieder geval) zijn werkzaamheden tot en met 2013. De e-mails en de verklaring van [B] leveren geen bewijs van de door [eiser] gestelde afspraak voor zover het zijn werkzaamheden tot en met 2013 betreft.

4.19.

Over de periode vanaf 1 januari 2014 heeft [B] verklaard dat hij eind 2015, begin 2016 met [eiser] heeft gesproken over de waarde van de aandelen en een vergoeding voor zijn werkzaamheden, maar dat hij niet weet of [eiser] in die periode nog met Burgerz heeft gesproken over een vergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank levert de verklaring van [B] dan ook evenmin bewijs op van de door [eiser] gestelde afspraak voor zover het zijn werkzaamheden na 1 januari 2014 betreft.

4.20.

Gelet op hetgeen hiervoor in 4.14 tot en met 4.19 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] er niet in is geslaagd te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat Burgerz hem € 25,-- per uur voor zijn werkzaamheden zou betalen. Dat betekent dat de vordering van [eiser] die is gebaseerd op het bestaan van een overeengekomen uurtarief van € 25 niet toewijsbaar is, omdat een grondslag ontbreekt. Dit betreft de primaire vordering zoals aangehaald in r.o. 3.1 onder a. tot betaling van een bedrag van € 57.515,-- .

Andere vergoeding?

4.21.

Nu de primaire (en meer subsidiaire) vorderingen zoals aangehaald in r.o. 3.1 sub a. zullen worden afgewezen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de subsidiaire vordering tot betaling van een door de rechtbank vast te stellen redelijk opdrachtloon op grond van artikel 7:405 lid 2 BW. Indien partijen niets hebben afgesproken over de hoogte van het loon, dan bepaalt art. 7:405 lid 2 BW dat het loon op de gebruikelijk wijze, of anders volgens de redelijkheid moet worden vastgesteld. Eerst moet dus worden bezien of partijen iets (anders dan betaling van € 25,-- per uur) hebben afgesproken over de vergoeding voor [eiser] .

4.22.

Vast staat dat [eiser] bij akte van uitgifte van aandelen van 31 december 2013, 928 stemrechtloze aandelen B in Burgerz met een nominale waarde van

€ 1,-- per aandeel heeft verkregen. Het betoog van [eiser] , dat de aandelen niet rechtsgeldig zouden zijn overgedragen, gaat niet op, gelet op de akte van statutenwijziging van 31 december 2013, waaruit de naamswijziging van Scotia Holding B.V. in Funky Food Group B.V. volgt. Partijen zijn het erover eens dat deze aandelen een vergoeding vormden voor de werkzaamheden van [eiser] voor Burgerz. De vraag is echter of deze aandelen, zoals [eiser] stelt, slechts een gedeeltelijke betaling voor zijn werkzaamheden waren, of dat dit, zoals Burgerz als verweer aanvoert, de betaling was voor alle werkzaamheden van [eiser] , zowel in het verleden (tot en met 31 december 2013) als in de toekomst (vanaf 1 januari 2014).

4.23.

Zoals reeds in r.o. 4.18 is overwogen, blijkt uit de e-mails van [eiser] en zijn broer van 29 januari 2014 dat [eiser] heeft ingestemd met een betaling in aandelen voor (in ieder geval) zijn werkzaamheden tot en met 2013, en dat de aandelen voor die periode dus niet slechts een eerste aanbetaling waren. Dit wordt ook bevestigd door [B] , die als getuige heeft verklaard: “Het zou ook een betaling zijn voor de inspanningen van de afgelopen tijd.” De rechtbank concludeert daaruit dat ook volgens [eiser] zelf, de aandelen de enige betaling waren voor (in ieder geval) zijn werkzaamheden tot en met 2013. Voor zover de vordering van [eiser] betaling van uren gemaakt tot en met 2013 betreft, dient deze dan ook te worden afgewezen.

4.24.

Resteert de vraag of de aandelen tevens, zoals Burgerz stelt, de betaling waren voor de werkzaamheden van [eiser] na 1 januari 2014. De rechtbank dient hiertoe de mondelinge afspraak tussen partijen over de betaling in aandelen uit te leggen. Vooropgesteld kan worden dat het, evenals dit ten aanzien van schriftelijk vastgelegde overeenkomsten het geval is, voor de uitleg van een bepaling in een mondelinge overeenkomst aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het Haviltex-criterium). In deze maatstaf ligt besloten dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meer of minder relatief gewicht kan worden gehecht aan objectieve aanknopingspunten – zoals de taalkundige betekenis – respectievelijk de subjectieve betekenis die partijen zelf aan de bewoordingen mogen toekennen. Daarbij is het aan de rechter om, teneinde niet buiten de rechtsstrijd te treden, de door ieder van partijen ter adstructie van de door haar voorgestane uitleg aangevoerde feiten en omstandigheden te wegen (vgl. o.m. ECLI:HR:2009:BG5263 (conclusie A-G Rank-Berenschot) en ECLI:NL:HR:2009:BI6319).

4.25.

De rechtbank is van oordeel dat de afspraak tussen partijen over de betaling in aandelen moet worden uitgelegd in die zin dat de aandelen geacht moeten worden de enige vergoeding te zijn voor de werkzaamheden van [eiser] gedurende de gehele periode van de samenwerking. De rechtbank neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden die [eiser] en Burgerz hebben aangevoerd, in aanmerking.

4.26.

Het uitgangspunt van [eiser] bij het maken van de afspraak over de betaling in aandelen was, zo stelt hij, dat hij er gezien de financiële draagkracht van [C] op kon vertrouwen dat het wel goed zou komen met de vergoeding voor zijn werkzaamheden. Hij had de vergoeding voor zijn werkzaamheden niet nodig voor zijn levensonderhoud omdat hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, en heeft om die reden ook nooit facturen aan Burgerz gestuurd, maar hij was overigens ‘vanuit het UWV rechtens vrij (…) om te werken zoveel hij wil’. Burgerz stelt voorts dat zij er van uitging dat [eiser] in beginsel geen inkomsten in geld mocht of wilde ontvangen omdat hij een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. De rechtbank constateert dat partijen verschillende uitgangspunten hadden bij het maken van hun afspraak over de betaling in aandelen, welke uitgangspunten zij kennelijk niet met elkaar hebben besproken. Met Burgerz is de rechtbank echter van oordeel dat, nu het genieten van inkomen uit arbeid in beginsel gevolgen kan hebben voor de hoogte van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, Burgerz redelijkerwijs mocht aannemen dat [eiser] in verband met zijn uitkering geen inkomsten in geld mocht of wilde ontvangen. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer nu [eiser] in 2013 een aanbod van Burgerz om te worden uitbetaald in geld, heeft afgeslagen. Kennelijk lag dit, zoals [eiser] thans stelt, in zijn situatie toch anders, maar het had dan op de weg van [eiser] gelegen om aan Burgerz duidelijk te maken dat hij, ondanks zijn volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten in geld mocht en wilde ontvangen, in plaats van er stilzwijgend op te vertrouwen dat het wel goed zou komen.

4.27.

Burgerz heeft zowel aan het begin van de samenwerking als bij het maken van de afspraak over de betaling in aandelen aan [eiser] aangegeven dat Burgerz onvoldoende winst maakte om [eisers] uren uit te kunnen betalen. Dit wordt bevestigd door [A] , die als getuige heeft verklaard dat vanaf het begin duidelijk was dat [A] en [eiser] hun uren nog niet uitbetaald zouden krijgen, en dat ze daarna zouden ‘kijken hoe het verder zou gaan met de uitbetaling van de uren, hoeveelheden vlees en de werkzaamheden in uren.’ Verder is betaling in aandelen, zoals Burgerz onweersproken heeft gesteld, een gebruikelijke vorm van vergoeding bij een start up zoals Burgerz. In lijn met het voorgaande ligt de e-mail van Burgerz van 13 september 2011 aan [eiser] en [A] : “Overigens als besproken, zie ik het huidige team als aandeelhouders in Vlees BV, met mijzelf als investeerder en [A] en [1] betaald met aandelen voor de investering in tijd.” [eiser] heeft in zijn antwoord op deze e-mail (zie r.o. 2.3) niet gereageerd op het voorstel van Burgerz om te worden betaald in aandelen en heeft, zoals de rechtbank in r.o. 4.18 heeft overwogen, ingestemd met een betaling in aandelen voor in ieder geval zijn werkzaamheden tot en met 2013. Ter comparitie heeft [eiser] erkend dat hij bij het maken van de afspraak over de betaling in aandelen niet expliciet heeft gevraagd om uitbetaling van zijn gewerkte uren in geld. Ook in de board meeting van mei 2014 heeft hij daar niet expliciet over gesproken. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] op een ander moment aan Burgerz duidelijk heeft gemaakt dat de aandelen wat hem betreft slechts een gedeeltelijke betaling waren, en dat hij daarnaast, naar zijn mening, recht had op een betaling in geld. Nu dit een aanvullende voorwaarde van de zijde van [eiser] was met betrekking tot de overeengekomen betaling in aandelen, had het op de weg van [eiser] gelegen om deze voorwaarde expliciet met Burgerz af te spreken, temeer nu hij een eerder aanbod tot uitbetaling in geld had afgeslagen, maar [eiser] heeft dat nagelaten.

4.28.

De nominale waarde van de aandelen die [eiser] in Burgerz heeft verkregen, bedroeg op het moment van verkrijging, 31 december 2013, € 1,-- per aandeel. Partijen hielden er beiden rekening mee dat de aandelen in waarde zouden kunnen stijgen, zo blijkt uit de in r.o. 2.11 aangehaalde e-mail van Burgerz aan [eiser] van 10 maart 2016.

4.29.

De e-mail van 28 mei 2014 waarin [A] agendapunten voor de board meeting aan [eiser] voorstelt, en met name uit de zin “(…) Welke werkzaamheden zijn er, door wie wordt dat gedaan en welke vergoeding staat daar tegenover.” wijst er op dat moment geen andere afspraken bestonden dan de reeds bestaande afspraken over de vergoeding van de werkzaamheden van [eiser] (aandelen) en [A] (€ 15,-- per uur). Niet in geschil is dat er tijdens de board meeting geen nadere afspraken over vergoedingen zijn gemaakt, en evenmin is in geschil dat partijen tussen mei 2014 en maart 2016 partijen niet meer over een vergoeding hebben gesproken. In maart 2016 hebben [eiser] en Burgerz per e-mail gecorrespondeerd over de waarde van de aandelen van [eiser] . Aanleiding was de echtscheiding van [eiser] , in het kader waarvan zijn aandelen gewaardeerd dienden te worden. Uit de in r.o. 2.11 aangehaalde e-mail van 10 maart 2016 van Burgerz aan [eiser] kan niet worden geconcludeerd dat er tussen partijen een afspraak bestond over een vergoeding voor werkzaamheden, anders dan de aandelen. Tussen maart 2016 en januari 2017 hebben partijen ook niet over een vergoeding gesproken. Tot slot refereert [eiser] in zijn brief van 6 januari 2017 niet aan een tussen partijen bestaande afspraak over een vergoeding voor zijn werkzaamheden. Zoals in r.o. 4.10 is overwogen, wijst deze brief er op dat tussen partijen geen afspraak bestond over een vergoeding in geld.

4.30.

De rechtbank komt tot de conclusie dat in alle door partijen aangevoerde communicatie tussen hen in de periode van januari 2014 tot januari 2017, steeds alleen de aandelen aan de orde kwamen als vergoeding voor [eisers] werkzaamheden. Nadat [eiser] in 2013 een aanbieding om vergoed te worden in geld heeft afgeslagen, is nergens meer expliciet gesproken of geschreven over een vergoeding in geld naast de vergoeding in aandelen. In de gegeven omstandigheden betekent dit dat [eiser] in redelijkheid niet mocht verwachten, dat Burgerz hem, naast de vergoeding in aandelen, een vergoeding in geld verschuldigd was. Gelet op de vorenstaande weging van de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden, brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst tussen partijen naar het oordeel van de rechtbank mee dat de aandelen geacht moeten worden de enige vergoeding te zijn voor de werkzaamheden van [eiser] gedurende de gehele periode van de samenwerking.

4.31.

Gelet op al het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Het verjaringsverweer van Burgerz behoeft geen bespreking meer.

Nevenvorderingen

4.32.

Nu de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal afwijzen, bestaat ook geen grond voor toewijzing van de nevenvorderingen.

4.33.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Burgerz worden begroot op € 5.683,-- (€ 1.924 aan griffierecht en € 3.759,-- aan salaris advocaat (3,5 punten x tarief IV ad € 1.074,--)).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Burgerz tot op heden begroot op € 5.683,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.

type: 2520

coll: 1328