Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11186

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5554
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

13b Opiumwet; sluiting woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 18/5554

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster 1] en [verzoekster 2], te [plaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. O.P. Kuit),

tegen

de burgemeester van Gouda, verweerder

(gemachtigde: J. van der Pol).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder, in het kader van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet, verzoeker [verzoekster 1] een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat de woning gelegen aan het [adres] te [plaats] met ingang van 22 augustus 2018 wordt gesloten voor de duur van negen maanden.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft toegezegd de werking van het primaire besluit op te schorten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Verzoekers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 Verzoekers zijn de bewoners van de woning [adres] te [plaats].

3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de bestuurlijke rapportage van de politie van 2 mei 2018 voldoende is komen vast te staan dat op 26 april 2018 in de woning van verzoekers verdovende middelen zijn aangetroffen. Gelet het feit dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs (waaronder in totaal 395,10 gram speed, behorend tot lijst I van de Opiumwet) groter was dan de gedoogde hoeveelheid voor eigen gebruik (van 0,5 gram), is volgens verweerder aannemelijk dat de aangetroffen hoeveelheid drugs bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verweerder was dan ook bevoegd tot sluiting van de woning.

Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige situatie zoals bedoeld in de indicatorenlijst behorend bij de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet gemeente Gouda (hierna: de Beleidsregels). Verweerder heeft vastgesteld dat in dit geval de in de indicatorenlijst genoemde indicatoren a, b, d, e , f, i en m van toepassing zijn.

4 Verzoekers hebben aan hun verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag gelegd dat zij medisch niet in staat zijn te verhuizen naar een andere woning. Hun huisarts heeft hierover verklaard, doch verweerder heeft ten onrechte nagelaten een geneeskundig adviseur van de gemeente bij de kwestie te betrekken.

Ook hebben verzoekers betoogd dat verweerder geen spoedeisend belang heeft bij de sluiting, aangezien eerst op 7 augustus 2018 is besloten tot sluiting, terwijl verweerder op 2 mei 2018 in bezit was van de bestuurlijke rapportage van de politie. Niet is gebleken dat na 26 april 2018 nog drugs in de woning aanwezig zijn geweest of verhandeld zijn of dat er klachten zijn geweest over overlast van omwonenden. Gedwongen verhuizing zal schade toebrengen aan hun gezondheid. Gezien de verklaringen daarover van de huisarts, had verweerder advies moeten vragen aan een onafhankelijk medisch adviseur.

5 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet komt verweerder de bevoegdheid toe een woning te sluiten als in de aan dat artikel genoemde voorwaarden wordt voldaan. In dit geval is de door de politie aangetroffen hoeveelheid harddrugs aan te merken als een handelshoeveelheid. Op grond van vaste jurisprudentie mag verweerder er bij een dergelijke hoeveelheid harddrugs vanuit gaan dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking van drugs. Gelet op voornoemd artikel komt verweerder daarom in beginsel de bevoegdheid toe de woning van verzoekers te sluiten.

Verweerder komt hierbij beleidsvrijheid toe, waardoor de voorzieningenrechter de invulling van verweerder van zijn beleidsregels terughoudend moet toetsen.

Bij een woningsluiting dient wel een belangenafweging plaats te vinden tussen het algemeen belang enerzijds en het belang van de betrokkenen (bewoners) anderzijds.

Verweerder heeft zich naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een ernstige situatie zoals bedoeld in de indicatorenlijst behorend bij de Beleidsregels. Door verzoekers is niet bestreden dat de in de indicatorenlijst genoemde indicatoren a (hoeveelheid), b (handel in georganiseerd verband), d (verboden wapenbezit), e (vermoeden van verwijtbaarheid), f (vermoeden dat betrokkene in kringen verkeert van personen met antecedenten), i (gevaar voor de omgeving, risico omwonenden) en m (overige feiten die duiden op drugshandel in georganiseerd verband) van toepassing zijn.

Verweerder heeft verzoeker op 22 mei 2018 een voornemen tot sluiting doen toekomen en hem in staat gesteld daarop zijn zienswijze te geven. Verzoeker heeft op 25 mei 2018 een zienswijze ingediend. Bij brief van 8 juni 2018 heeft verweerder verzocht om een medische verklaring van verzoekers. Op 14 juni 2018 hebben verzoekers een tweetal verklaringen overgelegd van de huisarts.

Gezien het vorenstaande, kan niet worden gezegd dat door het enkele tijdsverloop tussen de constatering van de overtredingen en het besluit tot sluiting van 7 augustus 2018, dit laatste besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

In de verklaringen van de huisarts van 13 juni 2018 wordt over verzoeker [verzoekster 1] gezegd dat deze ‘een medische voorgeschiedenis heeft en niet stabiel is. Uithuiszetting/ dakloos zijn zou zijn situatie kunnen verslechteren’. Over zijn echtgenote stelt de huisarts dat ‘uithuiszetting om medische redenen haar niet verstandig lijkt en haar gezondheid daardoor zou kunnen verslechteren’.

Verweerder heeft op 8 juli 2018 telefonisch contact gehad met de huisarts. Uit dit gesprek heeft verweerder de conclusie getrokken dat ‘uithuiszetting met hun medische achtergronden niet onmogelijk is, nu zij geen aangepaste woning hebben en in staat zijn te verhuizen naar een andere woning’.

Verzoekers hebben kort voor de zitting een nieuwe verklaring van de huisarts overgelegd van 18 augustus 2018. Deze stelt daarin onder meer dat ‘de stressklachten bij beiden, met name bij mevrouw, dermate ziekmakend zijn dat zij verweerder vraagt van ontruiming af te zien’.

De voorzieningenrechter overweegt dat het feit dat verzoekers door de sluiting tijdelijk elders zullen moeten verblijven een omstandigheid is die door de wetgever is onderkend en meegewogen bij het opstellen van de bepaling van artikel 13b van de Opiumwet. Dat tijdelijke sluiting stress oplevert voor verzoekers valt niet te ontkennen, maar de voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat de nu ontstane stresssituatie bovenal het gevolg is van de – door hem niet ontkende - illegale activiteiten van [verzoekster 1] in en vanuit de woning. Uit de door verzoekers overgelegde verklaring van zijn huisarts blijkt niet dat

[verzoekster 1], gelet op zijn gezondheidssituatie, de komende maanden afhankelijk is van verblijf in zijn woning. Evenmin is gebleken dat zijn echtgenote voor wat betreft haar gezondheid, gebonden is aan juist deze woning.

Voorts hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat (tijdelijke) alternatieve woonruimte niet voorhanden is.

Verweerder heeft daarom zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er een groter gewicht wordt toegekend aan het met de sluiting van de woning gediende algemeen belang, dan aan de belangen van verzoekers om in de woning te kunnen blijven wonen.

6 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

17 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.