Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11091

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
09/819444-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het onttrekken van twee minderjarige kinderen aan het wettig gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0745
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/819444-16

Datum uitspraak: 27 juli 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 1] (Irak),

adres: [adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 juni 2017 , waarna op 4 juli 2017 het onderzoek ter terechtzitting is heropend en geschorst, teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat het tenlastegelegde feit in Egypte respectievelijk Irak strafbaar is. Uiteindelijk is het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak hervat op 13 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van hetgeen de officier van justitie mr. J. van Schoonderwoerd-den Bezemer Wolters en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman

mr. W.N. Sardjoe, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op (een of meer tijdstippen in) of omstreeks 1 augustus 2016 tot en met 13 december 2016 te Zoetermeer en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of Hurgada en/of Caïro, althans in Egypte en/of te Bagdad, althans in Irak, (telkens) opzettelijk (een) minderjarige(n), te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige(n) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige(n) uitoefende, (te weten [aangeefster] ), immers heeft verdachte (in strijd met de afspraken) die [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] langer dan afgesproken meegenomen naar Egypte en/of meegenomen naar Irak

(en aldus voornoemde minderjarige(n) buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [aangeefster] gebracht en/of gehouden), zulks terwijl voornoemde minderjarige(n) (telkens) beneden de twaalf jaren oud was/waren en/of heeft hij daarbij een list gebezigd, te weten het doen voorkomen alsof hij voornoemde kinderen mee zou nemen op vakantie.

3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie (rechtsmacht)

3.1

Inleiding

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de onttrekking van zijn minderjarige kinderen [slachtoffer] en [slachtoffer 2] aan het wettig gezag, dat mede door hun moeder [aangeefster] werd uitgeoefend. De verdachte zou die voornoemde minderjarigen langer dan afgesproken naar Egypte en/of Irak hebben meegenomen. Hij zou daarbij een list hebben gebruikt door het te doen voorkomen alsof hij voornoemde kinderen zou meenemen op vakantie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederland geen rechtsmacht heeft op basis van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat – kort gezegd – geen sprake is geweest van onttrekking aan het ouderlijk gezag; noch in Nederland, noch in Egypte.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat Nederland evenmin rechtsmacht heeft op basis van artikel 5 Sr, omdat – kort gezegd – de ten laste gelegde handelingen niet strafbaar zijn naar Egyptisch recht, zodat niet is voldaan aan de voor vervolging noodzakelijke dubbele strafbaarheid.

De raadsman komt dan ook tot de conclusie dat Nederland geen rechtsmacht heeft, zodat de officier van justitie volgens hem niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

3.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit deels in Nederland heeft plaatsgevonden, zodat Nederland op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht heeft. Zij betoogt dat de feitelijke gedragingen van de verdachte weliswaar in het buitenland hebben plaatsgevonden, maar dat het directe gevolg van die gedragingen in Nederland is ingetreden. Immers, zo redeneert de officier van justitie, door die gedragingen is het door de moeder van voornoemde minderjarigen in Nederland uit te oefenen ouderlijk gezag aangetast. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht d.d. 2 januari 2012 (ECLI:NL:RBUTR:2012:BV0457). Subsidiair heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat Nederland rechtsmacht heeft op grond van de artikel 5 Sr, nu het feit waarvan de verdachte wordt verdacht ook strafbaar is naar Egyptische en Irakees recht.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr?

Het in artikel 2 Sr neergelegde territorialiteitsbeginsel brengt met zich dat Nederland rechtsmacht heeft indien de verdenking een (deels) in Nederland gepleegd strafbaar feit betreft. De Nederlandse wet kent geen voorschrift voor het bepalen van de plaats waar een feit is gepleegd (hierna: ‘locus delicti’). Om die reden is er vanuit de rechtswetenschap een aantal gangbare theorieën in het leven geroepen om de locus delicti te kunnen bepalen. Eén van die theorieën is de leer van het constitutieve gevolg.

Volgens de leer van het constitutieve gevolg wordt het delict (mede) daar gepleegd, waar het wordt voltooid door het intreden van het constitutieve gevolg. Deze leer is echter uitsluitend bruikbaar bij delicten waarbij de gedraging en het gevolg van die gedraging afzonderlijke bestanddelen van het delict zijn (bijvoorbeeld een doodslag die is gepleegd in het buitenland maar waarbij het slachtoffer in Nederland is overleden). Bij het aan de verdachte ten laste gelegde delict (onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag als bedoeld artikel 279 Sr) valt de gedraging bestanddeelmatig samen met het gevolg daarvan; zij kunnen in die zin niet los van elkaar worden gezien. De leer van het constitutieve gevolg is in deze situatie daarom niet bruikbaar.

Ten laste is gelegd dat de onttrekking aan het wettig gezag gestalte heeft gekregen door gedragingen van de verdachte in Egypte en/of Irak. Gelet hierop, en bij gebreke van andere aanknopingspunten, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat aan de verdachte een delict ten laste is gelegd dat (geheel) in het buitenland is gepleegd. Zij is dan ook van oordeel dat Nederland geen rechtsmacht toekomt op grond van artikel 2 Sr.

Rechtsmacht op grond van artikel 5 Sr?

Op grond van artikel 5 Sr heeft Nederland rechtsmacht ter zake van misdrijven tegen een Nederlander, voor zover op dat misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf, onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, terwijl het feit is gepleegd met een list en ten aanzien van minderjarigen beneden de twaalf jaar, zou zijn gepleegd tegen [aangeefster] , die de Nederlandse nationaliteit heeft. Op dat misdrijf is een gevangenisstraf van ten hoogste negen jaar gesteld. Het is tevens een feit waarop door de Egyptische en Irakese wet straf is gesteld (artikelen 284 en 292 van het Egyptische Wetboek van Strafrecht respectievelijk artikel 382 van de Iraakse Penal Code No. 111 of 1969). Aan alle vereisten van artikel 5 Sr is dus voldaan.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat Nederland op grond van artikel 5 Sr rechtsmacht toekomt. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich in een situatie van overmacht (noodtoestand) bevond en dat daarmee de wederrechtelijkheid aan de gedraging is komen te vervallen.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Het bewijs

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.

Aangeefster [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ) heeft aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag. Zij heeft verklaard dat zij de verdachte toestemming had gegeven om hun kinderen, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , van 1 augustus 2016 tot en met 14 augustus 2016 mee te nemen naar Egypte.2.In december 2016 zag [aangeefster] een foto van een vliegticket waarmee de verdachte vermoedelijk met de kinderen op 13 december 2016 van Cairo naar Schiphol zou vliegen.3 De verdachte is op 13 december 2016 omstreeks 14.30 uur op de luchthaven Schiphol aangehouden.4

Uit de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank d.d. 11 maart 2016 blijkt dat de verdachte en [aangeefster] gezamenlijk het wettig gezag over hun minderjarige kinderen, genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats 2] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] te [geboorteplaats 2] , uitoefenden.5

De verdachte heeft ter terechtzitting van 20 juni 2017 verklaard dat hij met toestemming van [aangeefster] de kinderen heeft meegenomen op vakantie naar Egypte en dat hij en de kinderen langer dan was afgesproken in Egypte zijn gebleven.6

Tussenconclusie

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte en [aangeefster] gezamenlijk het wettig gezag over hun beide kinderen uitoefenden en dat de verdachte voornoemde minderjarigen, die beiden beneden de twaalf jaar oud waren, langer dan hij met [aangeefster] had afgesproken in Egypte heeft gehouden, waardoor [aangeefster] haar gezag over de kinderen niet kon uitoefenen zoals ze bevoegd was dat te doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte de minderjarigen heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarigen gestelde gezag. Dat de verdachte daarbij een list zou hebben gebezigd, acht de rechtbank niet bewezen. Het feit dat de verdachte en de minderjarigen gedurende de onttrekking enkele malen telefonisch contact zouden hebben gehad met [aangeefster] – zoals door de verdediging naar voren is gebracht – heft de wederrechtelijkheid van de onttrekking niet op.

Overmacht

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake was van overmacht, gelet op hetgeen verdachte heeft aangevoerd omtrent de feitelijke gang van zaken na zijn aankomst in Caïro Het zou niet veilig zijn geweest in Caïro, waar de verdachte met de kinderen verbleef, en de verdachte is daarom met hen naar Hurghada gegaan. Daar waren mensen met een mes op de verdachte afgekomen en die mensen hebben de paspoorten afgepakt en gedreigd één van de kinderen te vermoorden. Om de paspoorten terug te krijgen, moest de verdachte, naar hij heeft betoogd, geld betalen en het heeft tijd gekost dat geld bij elkaar te krijgen..

De rechtbank stelt vast dat het door de verdachte geschetste scenario op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting op geen enkele wijze aannemelijk is geworden. Het beroep op overmacht zal daarom worden verworpen.

Pleegperiode

Voor wat betreft de pleegperiode heeft de rechtbank de datum 14 augustus 2016 als begin van de onttrekking aan het ouderlijk gezag aangemerkt, omdat de verdachte pas vanaf dat moment in strijd met de gemaakte afspraken heeft gehandeld door niet terug te keren naar Nederland.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 14 augustus 2016 tot en met 13 december 2016 schuldig heeft gemaakt aan het onttrekken van zijn twee minderjarige kinderen aan het wettig gezag van hun moeder.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij in de periode van 14 augustus 2016 tot en met 13 december 2016 in Egypte opzettelijk minderjarigen, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarigen gestelde gezag, te weten [aangeefster] , immers heeft verdachte in strijd met de afspraken die [slachtoffer] en [slachtoffer 2] langer dan afgesproken meegenomen naar Egypte en aldus voornoemde minderjarigen buiten het bereik en de invloedssfeer van die [aangeefster] gebracht en gehouden, zulks terwijl voornoemde minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 juni 2017, gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met Mohamed en de kinderen [slachtoffer] en [slachtoffer 2] . Ter terechtzitting van 13 juli 2018 heeft de officier van justitie bij deze vordering gepersisteerd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht in geval van een bewezenverklaring de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ouderlijk gezag omvat het recht en de plicht van de ouder om zijn of haar kind op te voeden en te verzorgen. Het belang van het kind staat hierin centraal en behoort door een ieder te worden gerespecteerd. De verdachte heeft zijn toen respectievelijk zesjarige dochter [slachtoffer] en driejarige zoon [slachtoffer 2] langer dan was afgesproken meegenomen naar Egypte en hen gedurende een periode van vier maanden bij zich gehouden, zonder dat hij daarvoor de toestemming van hun moeder had, die eveneens het ouderlijk gezag over de kinderen heeft. Daarmee heeft de verdachte in juridische zin het ouderlijk gezag doorkruist en heeft hij zijn eigen belang boven het belang van de kinderen geplaatst. Gedurende de periode dat de verdachte met de kinderen in Egypte verbleef, was hun lot voor hun moeder onbekend. Uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit hele gebeuren haar emotioneel heeft aangegrepen en dat zij voortdurend in onzekerheid verkeerde of zij haar kinderen ooit nog zou zien. Uiteindelijk heeft dit alles haar doen besluiten zelf actie te ondernemen en haar kinderen in Egypte op te zoeken.

De aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de ingrijpende gevolgen daarvan voor het slachtoffer rechtvaardigen in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt echter, ten voordele van de verdachte, bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de volgende omstandigheden.

Uit het strafblad van de verdachte van 20 juni 2018, blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Verder is uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte onlangs een eigen bedrijf is gestart, inmiddels een vast adres heeft en geen enkel contact meer heeft met het slachtoffer. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde feit bijna twee jaar geleden heeft plaatsgevonden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen redelijk strafdoel (meer) dient, zodat oplegging van een taakstraf van na te melden duur passend en geboden is. Naast die taakstraf zal een voorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, worden opgelegd om zo veel mogelijk te voorkomen dat de verdachte zich niet opnieuw schuldig zal maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit.

8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

Inleiding

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding van € 8.506,67, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voornoemd bedrag bestaat uit (vliegtickets ad € 272, 43 + verblijfkosten Egypte (hotel) ad

€ 734,24 =) € 1.006,67 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De behandeling van de vordering, voor zover die betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade, is niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het bedrag aan immateriële schade aanzienlijk te matigen tot een bedrag van

€ 1.000,-. Wat betreft het bedrag aan materiële schade heeft de raadsman zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, in zijn geheel toewijsbaar, omdat namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en de vordering tevens genoegzaam is onderbouwd door de benadeelde partij.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal naar billijkheid een vergoeding wegens immateriële schade toekennen, welke wordt begroot op een bedrag van € 1.500,-, en het meer gevorderde afwijzen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van in totaal (€ 1.006,67 +

€ 1.500,- =) € 2.506,67,-,

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 augustus 2016, omdat vast is komen te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 2.506,67,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [aangeefster] .

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 100 (honderd) DAGEN;

de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangeefster] een bedrag van € 2.506,67,-, bestaande uit € 1.006,67 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst af de overige gevorderde immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 2.506,67-, bestaande uit € 1.006,67 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan ten behoeve van [aangeefster] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.W. Mulder, voorzitter,

mr. J.W. du Pon, rechter,

mr. E.M.A. Vinken, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016217394, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer-Leidschendam/Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 82).

2 Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] , d.d. 5 augustus 2016, p. 18-19.

3 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 december 2016, p. 41 en 42.

4 Proces-verbaal van aanhouding, d.d. 13 december 2016, p. 8.

5 Een beslissing, in de wettelijke vorm opgemaakt door de Rechtbank Den Haag op 11 mei 2015, p. 36.

6 Proces-verbaal van de terechtzitting van 20 juni 2017, houdende de verklaring van de verdachte, 20 juni 2017.