Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:11089

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
09/817862-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nederlands verblijfsdocument kan worden beschouwd als een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Politierechter

Parketnummer 09/817862-18

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis

De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

NN, geregistreerd als [proces-verbaalnummer] ,

zich ter terechtzitting noemende: [verdachte naam x] , 55 jaar oud en geboren in India,

thans gedetineerd.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 juni 2018.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D.Z. Peters, advocaat te Rijswijk, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2018 te ’s-Gravenhage opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Nederlands verblijfsdocument, nummer NLD45362001, op naam van [verdachte naam y] , door dit document aan de/een ambtenaar van politie te tonen ter legitimatie;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 juni 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Nederlands verblijfsdocument, nummer NLD45362001, op naam van [verdachte naam y] als ware het echt en onvervalst, door dit document aan de/een ambtenaar van politie te tonen ter legitimatie.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De verdachte is op 26 juni 2018 in de buurt van de [locatie] aangehouden toen werd gezien dat hij dronk uit een blik bier. Omdat de [locatie] door de burgemeester is aangemerkt als noodgebied, is het nuttigen van alcohol op die locatie niet toegestaan. Op verzoek (door middel van gebaren) van een verbalisant heeft de verdachte zijn portemonnee uit zijn broekzak gehaald en opengeslagen. Toen de verbalisant in die portemonnee een verblijfsdocument zag zitten, heeft de verdachte dit document, wederom op verzoek (door middel van gebaren) van de verbalisant, gepakt en aan de verbalisant overhandigd. Toen de verbalisant goed naar het document keek, viel een aantal dingen op waardoor het vermoeden ontstond dat dit document vals was. De tekst op het document was vaag, waardoor het leek alsof deze gekopieerd was. Het plastic voelde anders dan gebruikelijk aan. Verder week de foto af van wat de verbalisant gewend was.1

Het verblijfsdocument is onderzocht. Het bleek te gaan om een Nederlands verblijfsdocument met nummer NLD45362001 op naam van [verdachte naam y] , geboren op [geboortedatum] . Qua detaillering en gebruikte productie- en beveiligingstechnieken kwam het onderzochte verblijfsdocument niet overeen met een origineel verblijfsdocument van dit model. De ondergrondbedrukking is aangebracht door een printtechniek, terwijl de ondergrondbedrukking van een origineel verblijfsdocument van Nederland van dit model is aangebracht door middel van een druktechniek. De conclusie luidt dan ook dat het onderzochte verblijfsdocument van Nederland een vals exemplaar betreft.2

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij geen identiteitspapieren heeft, dat hij ongeveer 10 tot 12 jaar geleden van India naar Nederland is gekomen en dat hij de Nederlandse identiteitskaart ongeveer twee maanden geleden op de markt heeft aangeschaft.3 Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij begrijpt dat de markt niet de aangewezen locatie is om aan identiteitspapieren te komen.4

De gevoerde verweren

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat

  1. hij als analfabeet niet wist dat het een vals verblijfsdocument was en

  2. hij geen opzet had om gebruik te maken van dit verblijfsdocument, nu de verbalisant het initiatief nam tot het tonen ervan.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een Nederlands verblijfsdocument niet kan gelden als een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Bespreking van de gevoerde verweren

Met betrekking tot de vraag of een Nederlands verblijfsdocument kan gelden als een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht overweegt de politierechter als volgt.

Artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht benoemt de documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld. Daaronder vallen ook de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Uit artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat Onze Minister aan de vreemdeling die als gevolg van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in Nederland verblijft een document (of een schriftelijke verklaring) verschaft. Artikel 3.1, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 benoemt de documenten waaruit een rechtmatig verblijf als gevolg van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 blijkt. De modellen hiervan staan in bijlage 7 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De politierechter stelt vast dat het Nederlands verblijfsdocument dat de verdachte bij zich droeg overeenkomt met de modellen in bijlage 7.

Hieruit volgt dat het bij de verdachte aangetroffen Nederlands verblijfsdocument kan worden beschouwd als een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het bij de verdachte aangetroffen Nederlands verblijfsdocument vals was en dat de verdachte dit wist of in ieder geval moest weten. Het gaat om een verblijfsdocument dat de verdachte, die al 10 tot 12 jaar in Nederland woont, op de markt heeft gekocht (ook volgens hem zelf niet de aangewezen locatie om aan identiteitspapieren te komen) en dat zichtbare mankementen vertoont, terwijl de persoonsgegevens daarop niet overeenkomen met die van de verdachte.

Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van dit Nederlands verblijfsdocument. De verdachte liep op straat rond met het betreffende verblijfsdocument dat hij ongeveer twee maanden daarvoor had aangeschaft. Een verblijfsdocument heeft juist als eigenschap dat een vreemdeling daarover moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De verdachte heeft ook dit document laten zien toen hij werd aangehouden. Dat dat gebeurde op verzoek van een verbalisant doet daar niet aan af.

De politierechter acht derhalve het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de met voetnoten aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen heeft de politierechter de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

hij op 26 juni 2018 te ’s-Gravenhage opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Nederlands verblijfsdocument, nummer NLD45362001, op naam van [verdachte naam y] , door dit document aan een ambtenaar van politie te tonen ter legitimatie.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft een vals Nederlands verblijfsdocument op zak gehad en getoond toen hij werd aangehouden. Daarmee heeft verdachte het vertrouwen geschaad en ondermijnd dat in het maatschappelijke verkeer in identiteitspapieren dient te kunnen worden gesteld.

Niet is gebleken dat de verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden het uitgangspunt bij een dergelijk strafbaar feit. De politierechter ziet echter in de omstandigheid dat de verdachte een blanco strafblad heeft aanleiding om hiervan in zijn voordeel af te wijken. Dit dient er tevens toe om de verdachte in de toekomst ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

Gelet op het voorgaande zal de politierechter een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De politierechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

het opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 1 maand, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk wordt een die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Krans, politierechter,

in tegenwoordigheid van K.A.M. Boeije, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 5 juli 2018.

1 Proces-verbaal van aanhouding, p. 4-6.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 17-18.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 23-26.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting van 28 mei 2018.