Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10950

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
NL18.15263
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel aa, opvolgende aanvraag, n-o, geen nieuwe elementen of bevindingen. geen Bahaddar-toets, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15263


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gerritsen).


Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.15264, plaatsgevonden op 4 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Chaker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Egyptische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1994.

2. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 18 juli 2017 afgewezen. Het door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard op 3 november 2017, welke uitspraak is bevestigd door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 december 2017. Het besluit van 18 juli 2017 staat daardoor in rechte vast.

3. Op 6 juli 2018 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Verweerder heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 18 juli 2017. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.

4. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759). Nieuwe elementen of bevindingen zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd.

5. Eiser voert de volgende stellingen en stukken aan om te onderbouwen dat zich nieuwe elementen of bevindingen voordoen. Eiser stelt zich vooraleerst op het standpunt dat hij ten tijde van zijn vorige asielprocedure psychische problemen had die ten onrechte niet zijn onderkent. Hetgeen hij tijdens zijn voorgaande procedure wel of juist niet heeft verklaard, kan thans niet worden tegengeworpen. Verder beroept eiser zich op zijn betrokkenheid bij het Franse vreemdelingenlegioen, en meent hij daarom niet naar Egypte te kunnen terugkeren. Ten slotte beroept eiser zich op zijn Twitterberichten, die maken dat terugkeer naar Egypte niet mogelijk is.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft geteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Dat thans sprake is van psychische problematiek staat niet ter discussie. Eiser heeft echter middels zijn stellingen en zijn medische documenten niet aannemelijk gemaakt dat deze psychische problematiek ook al aanwezig was tijdens de voorgaande procedure. hierbij merkt de rechtbank op dat gedurende die procedure op geen enkele wijze is gebleken van psychische problemen, zowel niet tijdens de gehoren als daarna in de rechterlijke fase. Met de thans overgelegde medische informatie is evenmin aannemelijk gemaakt dat eiser ten tijde van de voorgaande procedure reeds psychische problemen had die het voor hem onmogelijk maakten correct en volledig te verklaren. De problemen waar eiser zich thans op beroept dateren voorts allemaal van voor de totstandkoming van de besluitvorming in de voorgaande procedure. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze gestelde problemen niet tijdens de voorgaande procedure naar voren gebracht hadden kunnen worden. Dat eiser dit heeft nagelaten komt voor eigen rekening en risico. Het feit dat eiser aanwezig is op Twitter en hierop berichten post, is reeds bij de voorgaande procedure betrokken en daarmee evenmin als nieuw feit aan te merken.

7. De slotsom is dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

8. In artikel 83.0a Vw, zoals dat luidt per 20 juli 2015, is bepaald dat indien beroep is ingesteld tegen een besluit dat een gelijke strekking heeft als een besluit dat eerder ten aanzien van de indiener van het beroepschrift is genomen, dit besluit, ook bij het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden of een relevante wijziging van het recht, zal worden beoordeeld als ware het een eerste afwijzing indien hier wegens bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden, de noodzaak toe bestaat.

8.1

Bij de beoordeling of bedoelde bijzondere omstandigheden zich voordoen, dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van de Afdeling naar aanleiding van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake Bahaddar. Uit deze jurisprudentie volgt dat dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden zich voordoen, indien hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling een refoulementverbod zou schenden, als neergelegd in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De rechtbank dient te beoordelen of zich dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden voordoen aan de hand van hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd en het standpunt van verweerder daarover in het desbetreffende besluit. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2483).

8.2.

In paragraaf C1/4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bepaald dat als sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, verweerder de opvolgende asielaanvraag niet afwijst als niet-ontvankelijk.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen, welke herhaald en ingelast is beschouwd in het betreden besluit, het standpunt heeft ingenomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee zou kunnen worden geoordeeld dat de aanvraag van eiser niet niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard. Nu de aanvraag van eiser niet op grond van artikel 4:6 van de Awb is afgedaan, is de Bahaddar-exceptie niet van toepassing. In het bestreden besluit heeft verweerder geen aanleiding gezien om hiertoe een nader standpunt in te nemen of een nadere motivering te geven.

Verweerder heeft dit verder niet nader gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het kader van onderhavige procedure, gelet op hetgeen door eiser is aangevoerd, ten onrechte niet voldoende gemotiveerd heeft getoetst aan de Bahaddar-exceptie, die bij niet-ontvankelijkverklaring op grond van het niet bestaan van nieuwe elementen of bevindingen, eveneens van toepassing is. Gelet hierop acht de rechtbank het beroep van eiser gegrond. De rechtbank ziet hierin reden om het bestreden besluit te vernietigen en zal hierna bezien of er, gelet op de nadere motivering die verweerder ter zitting heeft gegeven op dit punt, reden is om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb.

8.4.

Ter zitting heeft verweerder zich in het kader van de Bahaddar-exceptie desgevraagd op het nadere standpunt gesteld dat niet gebleken is op grond van hetgeen is aangevoerd en ingebracht door eiser dat bijzondere feiten of omstandigheden zich voordoen.

8.5.

De rechtbank is van oordeel dat door verweerder ook ter zitting onvoldoende is gemotiveerd waarom er geen sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Bahaddar. Daarbij is van belang dat eiser in onderhavige procedure stukken heeft overgelegd waaruit mogelijk zou blijken dat hij gediend heeft in het Franse vreemdelingenlegioen. Door eiser is voorts gemotiveerd gesteld dat hij, gelet hierop, het risico loopt zijn Egyptische nationaliteit te verliezen en dat in Egypte voorts het dienen van een vreemde natie kan leiden tot de doodstraf. Nu verweerder in het bestreden besluit noch ter zitting heeft aangegeven waarom bovenstaande, indien geloofwaardig, niet onder de Bahaddar-exceptie zou vallen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.


9. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.002,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, met een waarde per punt van € 501,-).

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.002,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.