Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10949

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
NL18.15286
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15286


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).


Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Chaker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is afkomstig uit Gaza-stad. Hij is van Palestijnse afkomst. Vanaf 2007 heeft eiser problemen ondervonden met Hamas, wegens zijn activiteiten bij Fatah. In de periode van 2007 tot 2014 is eiser verschillende malen opgepakt, gedetineerd en ondervraagd. In 2016 was eiser met anderen bezig een activiteit voor kinderen te organiseren. Tijdens de planning zijn mensen van Hamas binnengetreden en hebben zij eiser verboden deze activiteiten verder op te pakken. Eiser is met twee anderen verhaal gaan halen bij het kantoor van Hamas. Toen de sfeer daar grimmig werd is eiser vertrokken, maar is een van de mannen waarmee eiser was, [persoon X], opgepakt. Een dag later kwam [persoon X] een van de Hamasleden op straat tegen en heeft een gevecht plaatsgevonden, waarbij [persoon X] het Hamaslid zou hebben neergeslagen. Later bleek het Hamaslid hieraan te zijn overleden. Hamas is gelet hierop op zoek naar eiser, omdat Hamas denkt dat eiser betrokken is bij de dood van dit Hamaslid.

2. Verweerder heeft de volgende relevante elementen aan het relaas van eiser ten grondslag gelegd.

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. de door eiser ondervonden problemen met Hamas.

Verweerder acht de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De door eiser aangevoerde problemen met Hamas die volgens eigen zeggen aanleiding hebben gevormd voor zijn vertrek, acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zich niet direct bij aankomst in Nederland heeft gemeld en hiervoor geen verschoonbare reden heeft aangevoerd. Eiser kan ook geen geslaagd beroep doen op het Vluchtelingenverdrag, omdat hij valt onder de uitzonderingsgrond van artikel 1D van dat verdrag, aldus verweerder.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Voor zover van belang wordt in het navolgende ingegaan op hetgeen namens eiser tegen het bestreden besluit is aangevoerd.

4. Eiser voert aan dat, nu Hamas geen bevoegde autoriteit is, Bureau documenten niet heeft kunnen concluderen dat het document van 21 december 2009 niet bevoegd is afgegeven. Verweerder had hier nader onderzoek naar moeten verrichten.

De rechtbank overweegt dat het door eiser overgelegde document van 21 december 2009 is opgemaakt door Hamas. Bureau documenten heeft geconcludeerd dat er onregelmatigheden zijn aangetroffen wat betreft de opmaak en afgifte van het document en dat hierdoor kan worden geconcludeerd dat het document waarschijnlijk niet is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instantie. Uit deze bewoording blijkt reeds dat het document is vergeleken met vergelijkbare bij Bureau documenten bekende documenten. Dit volgt eveneens uit het feit dat de andere door eiser overgelegde documenten niet op opmaak en authenticiteit konden worden beoordeeld vanwege het ontbreken van referentiemateriaal. De door eiser opgeworpen stelling dat niet Hamas, doch de Palestijnse autoriteit bevoegd is, doet niet af aan de conclusie van Bureau documenten. Verweerder heeft, gelet hierop, geen nader onderzoek hoeven doen naar het door eiser overgelegde document.

5. Eiser bestrijdt dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen en meent dat zijn relaas geloofwaardig is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het relaas van eiser met betrekking tot zijn gestelde problemen met Hamas ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser inconsistente verklaringen heeft afgelegd. In zijn vrije relaas heeft eiser uitgebreid verklaard over een ontvoering op de dag nadat hij met zijn twee vrienden naar het hoofdgebouw van Hamas is gegaan om verhaal te halen nadat er een inval had plaatsgevonden. Later heeft eiser verklaard dat deze ontvoering al veel eerder zou hebben plaatsgevonden. Niet valt in te zien dat eiser over een zo relevant aspect van zijn reden voor vertrek niet eenduidig zou hebben kunnen verklaren. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser weinig informatie heeft kunnen geven over het incident dat de reden heeft gevormd voor zijn vertrek. Ook het feit dat eiser zelf in het geheel niet betrokken is geweest bij het incident heeft verweerder in dit licht niet ten onrechte tegengeworpen. Eiser heeft niet afdoende kunnen aangeven waarom juist hij gezocht zou worden voor dit incident. Reeds gelet op voorgaande tegenwerpingen heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser niet geloofwaardig te achten is.

6. Eiser meent voorts dat hij geen bescherming van de UNWRA kan inroepen voor zijn problemen.

6.1.

Volgens artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag is dit verdrag niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoger Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke redenen ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit verdrag vallen.

Het beleid van verweerder voor toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag is vervat in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Hieruit blijkt, voor zover hier van belang, het volgende:

Verweerder gaat na of de staatloze Palestijnse vreemdeling gedwongen werd het betreffende gebied te verlaten. Hiervan is sprake als wordt voldaan aan één van beide hieronder genoemde voorwaarden:

de staatloze Palestijnse vreemdeling bevond zich persoonlijk in een situatie van ernstige onveiligheid zodat voldaan is aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bescherming;

het is voor het UNRWA onmogelijk de staatloze Palestijnse vreemdeling in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee het UNWRA belast is zodat voldaan is aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bijstand.

6.2.

De rechtbank overweegt dat, nu verweerder de problemen van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht heeft, geen sprake is geweest van een gedwongen vertrek uit Gaza-stad, waardoor artikel 1D van het Vluchtelingverdrag onverminderd op hem van toepassing is. Dat eiser niet door de UNWRA beschermd zou kunnen worden, heeft hij niet aannemelijk gemaakt.

7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder niet inhoudelijk is ingegaan op de door eiser aangehaalde rapporten, waarmee hij zijn beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag voor bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft onderbouwd en dat het beroep reeds hierom gegrond is.

Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op het bestreden besluit, met daarin een verwijzing naar het voornemen, waarin onder verwijzing naar recente landeninformatie is geconcludeerd dat in Gaza geen sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dat geweld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat hiermee afdoende is onderbouwd waarom de door eiser aangehaalde artikelen geen grond vormen hieromtrent anders te oordelen.

8. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

9. Eiser is ten slotte van mening dat het feit dat hij zich niet direct bij aankomst in Nederland heeft gemeld bij de autoriteiten geen afbreuk doet aan zijn inhoudelijke asielrelaas.

Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn indien de vreemdeling de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst;

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte bij de beoordeling van de aanvraag van eiser betrokken dat eiser pas enkele dagen na zijn aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd en zijn aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen. Indien eiser van mening was dat hij te vrezen had voor vervolging, mocht van hem verwacht worden dat hij meteen de bescherming van de Nederlandse autoriteiten had gevraagd. Verweerder heeft daarom terecht artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw aan eiser tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt niet.

10. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.