Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10948

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
SGR 18/2215
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in de primaire fase de aanvraag inhoudelijk afgewezen. In bezwaar heeft verweerder artikel 4:6 Awb toegepast. De rechtbank is van oordeel dat deze handelwijze van verweerder in deze zaak in strijd is met het beginsel reformatio in peius.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/366 met annotatie van M.W. Venderbos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/2215

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Nijssen),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. M.L. Turnhout).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een indicatie banenafspraak afgewezen.

Bij besluit van 13 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 17 augustus 2018 nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser heeft op 11 oktober 2016 een indicatie banenafspraak aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 3 november 2016 afgewezen, omdat eiser het minimumloon kan verdienen. Verweerder heeft bij besluit van 7 maart 2017 het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit van 3 november 2016 ongegrond verklaard.

1.2.

Eiser heeft vervolgens op 24 juli 2017 opnieuw een indicatie banenafspraak aangevraagd. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft hij het ‘mentaal beter behandelplan 2015’, ‘mentaal beter behandelplan 2017’, ‘psychologisch onderzoek 2012’ en de ‘diagnose onderzoek 2013’ ingediend.

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser geen begeleiding naar werk krijgt van de gemeente.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om terug te komen op het primaire besluit.

4.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikken een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.3.

In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:6 van de Awb is het volgende te lezen:

Voor alle duidelijkheid zij er overigens op gewezen dat de bepaling, als deze wel van toepassing is, niet inhoudt dat het bestuursorgaan zelfstandig een eenmaal genomen beslissing moet heroverwegen. Het artikel komt aan de orde indien een belanghebbende om een nieuw besluit verzoekt. In dat geval geeft dit artikel het orgaan de bevoegdheid om een nieuwe aanvraag verkort af te doen als daarbij geen nieuwe gegevens of omstandigheden worden vermeld.” (Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 53, blz. 66).

4.4.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, ook als de rechtzoekende aan de herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerder afwijzende besluit. Voor het toetsingskader is van belang welke keuze het college in het voorliggende geval maakt.

Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet heeft toegepast. De rechtbank is van oordeel dat het primaire besluit een inhoudelijke afwijzing behelst. Hierin is namelijk opgenomen dat eiser geen indicatie banenafspraak krijgt, omdat hij geen begeleiding van de gemeente krijgt. De rechtbank volgt daarom niet de stelling van de gemachtigde van verweerder dat het primaire besluit geen inhoudelijke beoordeling is.

4.6.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het bestreden besluit het primaire besluit niet heeft herroepen. Verweerder heeft in het bestreden besluit de motivering van de afwijzing aangepast, in die zin dat de afwijzing is gebaseerd op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank is – gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3. is opgenomen over de wetsgeschiedenis van dit artikel en de voornoemde jurisprudentie van de CRvB – van oordeel dat in het onderhavige geval verweerder niet eerst in bezwaar de afwijzing kan baseren op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, nadat in de primaire fase een inhoudelijke afwijzing heeft plaatsgevonden. De CRvB heeft immers in zijn hiervoor aangehaalde uitspraak overwogen dat het bestuursorgaan - hier: het Uwv - bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, terwijl het bestuursorgaan er ook voor kan kiezen om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de herhaalde aanvraag af te wijzen. De rechtbank leidt uit die overweging van de CRvB af dat het bestuursorgaan deze keuze kan maken in de aanvraagfase. Daaruit volgt dan dat als het Uwv er in deze zaak in de primaire fase voor kiest om de herhaalde aanvraag op inhoudelijke gronden af te wijzen, op die keuze in bezwaar niet kan worden teruggekomen. Dat zou er immers toe leiden dat eiser door het instellen van bezwaar slechter af is. Gelet op het onder 4.4. weergegeven toetsingskader is de wijze van toetsing door de bestuursrechter immers beperkter bij een afwijzing op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb dan bij een inhoudelijke afwijzing. Daarnaast heeft de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb tot gevolg dat de in beroep overgelegde stukken buiten de beoordeling van de rechtbank vallen (vgl. de uitspraken van de CRvB van 3 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2244 en van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4388). De rechtbank is daarom van oordeel dat de handelwijze van verweerder in deze zaak in strijd is met het verbod van reformatio in peius.

5. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, dan wel een bestuurlijke lus toe te passen. Eiser heeft immers zowel in bezwaar als in beroep een aantal medische documenten overgelegd. Dit betreft onder meer een brief van een psycholoog van 8 maart 2017 en een rapport over de loonwaarde van eiser. Een verzekeringsarts zal deze documenten inhoudelijk moeten beoordelen en vaststellen of er voor eiser beperkingen uit zijn medische problematiek volgen, en welke dat dan zijn. Voorts zal een arbeidsdeskundige aan de hand daarvan moeten bepalen of eiser in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Gelet op dit nader onderzoek leent deze situatie zich niet voor een bestuurlijke lus.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

­ verklaart het beroep gegrond;

­ vernietigt het bestreden besluit;

­ draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

­ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- te vergoeden;

­ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.