Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10914

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
NL18.13095
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, asiel, asielrelaas ongeloofwaardig, dan wel onvoldoende zwaarwegend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.13095


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Timmer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Mol).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) afgewezen. Voorts is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.13096, plaatsgevonden op 31 juli 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 28 juni 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is de afgelopen jaren elk jaar - als zijn in Zwitserland woonachtige belagers hun verlof doorbrengen in Turkije - mishandeld vanwege een langlopende vete (bloedwraak). Omdat hij een Koerd is, wordt hij door de autoriteiten niet beschermd. Ook is hij, omdat hij Koerd is, in 2013 betrokken geweest bij een vechtpartij in een winkelcentrum. Voorts is hij verbaal aangevallen en wordt er op hem neergekeken omdat hij verkiezingswaarnemer is geweest voor de HDP (Democratische Partij van de Volkeren, een partij die opkomt voor minderheden zoals de Koerden). Verder heeft hij vier verkeersboetes gekregen die hij niet kan betalen. Hierdoor kan hij in de gevangenis terecht komen. Hij heeft de boetes gekregen, omdat hij een Koerd is en een Koerdische tekst op zijn autoraam had, aldus eiser.

3. Verweerder heeft met toepassing van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. Als relevante elementen van het asielrelaas van eiser worden door verweerder onderscheiden:

- bloedwraak;

- discriminatie Koerden;

- verbale aanvallen na waarnemerschap verkiezingen voor HDP;

- vechtpartij in 2013;

- vier verkeersboetes en dreigende gevangenisstraf.

Verweerder heeft de bloedwraak en de vier verkeersboetes en dreigende gevangenisstraf ongeloofwaardig, maar de overige elementen geloofwaardig geacht.

Ten aanzien van eiser is er volgens verweerder geen sprake van een situatie van vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de discriminatie jegens Koerden niet dermate intensief is dat er kan worden gesproken van vervolging. Er bestaat evenmin reden om te veronderstellen dat hij problemen zal krijgen vanwege het waarnemerschap voor de HDP, aangezien eiser verder geen politiek profiel heeft. Uit algemene landeninformatie blijkt voorts niet dat verkeersregels dermate discriminerend worden toegepast dat er sprake zou zijn van vervolging van Koerden. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico op ernstige schade loopt, als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aldus verweerder.

4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte zijn verklaringen over de bloedwraak en de verkeersboetes ongeloofwaardig heeft geacht. In eisers verklaringen lag het accent op de bloedwraak niet op de ernst van de mishandeling. Voorts is verweerder niet ingegaan op hetgeen hij in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht over de politie in Turkije en de handhaving van de wetten door de politie. De verkeersboetes heeft eiser met een uitdraai uit e-Devlet (site van de Turkse overheid) onderbouwd.

Eiser betoogt verder dat verweerder het bestreden besluit ten aanzien van de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte elementen onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo heeft verweerder erop gewezen de situatie in Turkije ambtshalve te volgen, maar dat de situatie niet dermate ernstig is dat aan eiser een verblijfsvergunning dient te worden verleend. Verweerder is er echter op grond van artikel 10, vierde lid, van de Procedurerichtlijn toe gehouden de asielzoeker toegang te verlenen tot de nauwkeurige en actuele informatie die wordt verzameld, aldus eiser. Eiser stelt verder dat verweerder ten onrechte de inhoud van het EASO Coi Query Response over Koerden en HDP-leden niet kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken.

Voorts betoogt eiser dat verweerder zijn aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiser heeft aan verweerder geen valse informatie of documenten verstrekt over zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft alleen gebruik gemaakt van een vals visum. Niet valt in te zien dat eiser in de asielprocedure hierdoor in een gunstigere positie is gebracht, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Met betrekking tot de bloedwraak heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het weinig plausibel is dat eiser elk jaar door zijn belagers (broers) zou worden mishandeld, wanneer zij hem tegenkomen. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat Aksaray, de plaats waar eiser woont, meer dan 185.000 inwoners telt. Het is niet zonder meer aannemelijk dat zij elkaar in een stad van dergelijk formaat elk jaar tegenkomen. Daarbij mocht verweerder van eiser duidelijker verklaringen over de periode van verlof van de broers verwachten ook al heeft hij blijkens het FMMU rapport moeite met exacte data. Reeds gelet hierop heeft verweerder de bloedwraak niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht en bestond er voor verweerder geen aanleiding om in het bestreden besluit in te gaan op de handhaving van de wetten door de politie in Turkije.

5.2

Ter zitting heeft verweerder onbetwist opgemerkt dat twee van de vier vermelde boetes op de print van e-Devlet, zien op boetes wegens het niet voldoen van de motorrijtuigenbelasting. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hiermee het bestaan van de vier boetes niet heeft aangetoond. Voorts valt niet in te zien waarom eiser die boetes niet zou kunnen betalen als hij wel € 3.500 voor een vervalst visum en zijn reis kon betalen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat aan eiser de boetes discriminatoir zijn opgelegd noch dat eiser ontoerekenbaar een vervangende gevangenisstraf boven het hoofd hangt.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 10, vierde lid, van de Procedurerichtlijn erop gericht dat de rechterlijke instanties van partijen de informatie krijgen die zij nodig hebben om de zaak te beoordelen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat leden van de HDP in het landgebonden beleid ten aanzien van Turkije niet als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep worden genoemd en dat het aan eiser is, indien hij van mening is dat dit ten onrechte is of dat hij wel groot risico op ernstige schade dan wel vervolging loopt, dit met rapporten te onderbouwen. Het door eiser in dat kader overgelegde EASO Coi Query Response van 12 juli 2018 is daartoe onvoldoende. Dit rapport bevat alleen een lijst met artikelen en bronnen. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het aan eiser is om aan te tonen uit welke passages kan worden opgemaakt dat hij heeft te vrezen. Verweerder heeft er ter zitting bovendien op gewezen dat dit rapport geen aanleiding is geweest het beleid ten aanzien van Turkije aan te passen en dat eiser geen lid is van de HDP, maar alleen marginaal betrokken is geweest tijdens de verkiezingen als waarnemer. Ook deze grond faalt.

6. Voorts dient de rechtbank te beoordelen of verweerder de aanvraag op goede gronden niet alleen als ongegrond, maar ook als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

6.1

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een aanvraag als kennelijk ongegrond worden afgewezen indien de vreemdeling verweerder heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.

6.2

Verweerder geeft als grond voor de tegenwerping van voornoemd artikellid dat eiser heeft geprobeerd toegang te verkrijgen met een vals Schengenvisum. Pas nadat hem de toegang is geweigerd, heeft eiser asiel aangevraagd. Niet in geschil is dat eiser gebruik heeft gemaakt van een vals visum. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiser meermaals een machtiging tot voorlopig verblijf heeft aangevraagd en dat eerder een visum door de Duitse autoriteiten is afgewezen. Ook heeft eiser tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard met het oog op gezinshereniging naar Nederland te zijn gekomen, aldus verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser door deze informatie achter te houden heeft geprobeerd een negatieve invloed op de beoordeling van zijn verblijfsaanvraag te voorkomen. Gelet op voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag van eiser in redelijkheid op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.