Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10910

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
7025285 RL EXPL 18-14232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffen loonstop. AVG - Bekendheid met gegevens is geen grond voor het niet verstrekken van stukken. Daaruit volgt dat de betrokkene ook om een kopie kan vragen van stukken die al eerder (ooit eens) zijn verstrekt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft eiser dan ook een rechtmatig belang bij afgifte van de stukken in zijn personeelsdossier die hem niet reeds na zijn verzoek in april 2018 zijn verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1020
JAR 2018/246
Prg. 2018/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

kvo

Rolnr.: 7025285 RL EXPL 18-14232

31 augustus 2018

Vonnis ex artikel 254 Rv van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,

tegen

de besloten vennootschap Asta Leisure Group B.V.,

gevestigd te Den Haag,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. R.G.M. Michels.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “ [eiser] ” en “Asta”.

1 Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding in kort geding van 1 augustus 2018;

  • -

    de wijziging van eis, ter griffie ingekomen op 14 augustus 2018;

  • -

    de in het geding gebrachte producties.

Op 17 augustus 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [eiser] in persoon, bijgestaan door mr. Fakiri, en namens Asta [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , bijgestaan door mr. Michels. Mr. Michels heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

[eiser] is per 17 november 2012 in dienst getreden bij Asta.

2.2

Op 9 februari 2017 is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt. [eiser] heeft zijn

werkzaamheden hierna geleidelijk weer opgebouwd tot 25 uur per week, maar in augustus 2017 is hij opnieuw volledig uitgevallen.

2.3

Op 20 november 2017 is door het UWV een deskundigenoordeel gegeven omtrent de

re-integratie-inspanningen van de werkgever. Hierin concludeert het UWV – voor zover relevant – als volgt:

“(…) Naar het lijkt is de aanvankelijke re-integratie niet verlopen zoals door de bedrijfsarts werd geadviseerd en werd sneller op een andere locatie opgebouwd dan afgesproken. Het loon van werknemer werd stopgezet toen hij zich tijdens deze opbouwfase weer volledig ziek meldde, zonder dat door een bedrijfsarts beoordeeld was of de volledige ziekmelding plausibel was.

Bovengenoemde heeft geleid tot een arbeidsconflict. (…)

Van werkgever mag worden verwacht dat door middel van mediation door een onafhankelijke derde gewerkt wordt aan het oplossen van het conflict.

(…)

De door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen zijn niet voldoende. (…)”

2.4

Door Asta wordt [mediator] ingeschakeld als mediator. Op 22 februari 2018

bericht zij aan partijen, na met beide partijen een kennismakingsgesprek te hebben gevoerd, dat zij vanuit een eigen afweging heeft besloten de mediation niet te zullen starten.

2.5

Op 22 maart 2018 vindt een kennismakingsgesprek met een nieuwe mediator plaats,

waarbij aanwezig zijn [eiser] en [betrokkene 2] . Op 22 maart 2018 bericht deze mediator – voor zover relevant – het volgende:

“(…) Ik had jullie graag als mediator geholpen bij het oplossen van de problemen. Helaas is het mediationtraject niet opgestart (…)”

2.6

Op 27 maart 2018 bericht [eiser] aan de mediator – voor zover relevant – het

volgende:

“(…) Na overleg met mij advocaat wil ik er graag op terug komen om het gesprek op te starten. (…)”

2.7

Op 28 maart 2018 bericht Asta aan [eiser] in een brief – voor zover relevant – het volgende:

(…) Eerder hebben wij getracht om een mediation traject (bij Maljaars Mediation) op te starten. Deze mediator zag zich genoodzaakt om die opdracht terug te geven.

(…)

De mediator van Resultmediation heeft, na overleg vooraf met jou en ondergetekende, een afspraak gemaakt op 22 maart 2018 om de mediation te kunnen starten.

Tijdens deze afspraak is vast komen te staan dat jij dit aangeboden mediationtraject (wederom) hebt geblokkeerd, doordat jij de voorgelegde mediationovereenkomst weigerde te ondertekenen. (…)

Wij stellen vast dat jij de op jouw rustende re-integratieverplichtingen niet nakomt.

Daarom kondigen wij middels deze brief aan dat wij de loondoorbetaling aan jou met ingang van 22 maart 2018 zullen stopzetten.

Deze loonstop blijft van kracht zolang jij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan re-integratieverplichtingen, die er gelden bij (langdurige) arbeidsongeschiktheid. (…)”

2.8

De mediator heeft op 5 april 2018 per e-mail – met kopie aan Asta – aan [eiser] bericht:

(…) Ik heb jouw wens om mediation op te starten op 27 maart overgebracht aan [betrokkene 3] [ [functie] van Asta – noot kantonrechter]. Ik heb aangegeven dat ik beschikbaar ben. Het is vervolgens aan jullie beiden om het mediationtraject in te gaan. Ik hoor graag als jullie beiden het traject op willen starten (…)”

Het mediationtraject is vervolgens niet van start gegaan.

2.9

Op 18 juni 2018 is door het UWV een deskundigenoordeel afgegeven omtrent de re-

integratie-inspanningen van de werknemer. Na met zowel de werkgever als de werknemer gesproken te hebben concludeert het UWV – voor zover relevant – als volgt:

“(…) Werknemer moet meewerken aan reintegratie, als dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht. (…) Per geschildatum 22 maart 2018 kan niet worden gesteld dat er sprake is van niet meewerken aan reintegratie. Het traject heeft hoogstens enkele dagen stilgelegen omdat werknemer de mediationovereenkomst wilde bespreken met zijn advocaat. (…) Dit lijkt mij een plausibele reden en werknemer heeft dit ook tijdens het gesprek d.d. 22 maart 2018 kenbaar gemaakt. De mediator is na enkele dagen door werknemer geïnformeerd dat de mediation kan worden voortgezet. Er is dus geen sprake geweest van weigering tot medewerking, alleen van zorgvuldigheidshalve overleg in samenspraak met de mediator. De inspanningen van de werknemer zijn voldoende geweest. (…)”

2.10

Bij brief van 21 maart 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] aan Asta verzocht om een kopie van het personeelsdossier van [eiser] . Hij heeft vervolgens kopieën ontvangen van de arbeidsovereenkomst van [eiser] , van het ziekteverzuimreglement van Asta en van haar vergunning op grond van de Drank- en Horecawet.

2 Vordering, grondslag en verweer

3.1

[eiser] vordert na wijziging van eis bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om Asta te veroordelen om binnen 3 werkdagen na het in deze te wijzen vonnis:

  1. de loonstop op te heffen;

  2. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het brutoloon over de maanden maart tot en met 2018 ad € 7.280,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en Asta te gebieden om de arbeidsovereenkomst van [eiser] te respecteren en het loon van [eiser] maandelijks tijdig te voldoen;

  3. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging van € 3.640,-;

  4. aan [eiser] over te leggen de door hem gevraagde, maar nog niet ontvangen stukken uit zijn personeelsdossier en een opgave van de gegevens die Asta van [eiser] verwerkt, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke zal blijven, tot een maximum van € 10.000,-;

met veroordeling van Asta in de kosten van deze procedure, nakosten en wettelijke rente over de nakosten daaronder begrepen.

3.2

[eiser] legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Asta heeft op ondeugdelijke gronden een loonstop doorgevoerd. [eiser] ontvangt hierdoor al maanden geen loon en kan niet langer in zijn levensonderhoud voorzien. Hij moet geld lenen van vrienden om in zijn basisbehoeften te kunnen voorzien. [eiser] heeft derhalve spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering. Hij heeft tegenover Asta gedurende zijn ziekte recht op doorbetaling van € 1.456,- bruto per maand, te weten 70% van zijn brutoloon. Er is geen sprake van dat [eiser] niet mee zou werken aan mediation. Tijdens het gesprek van 22 maart 2018 heeft hij aangegeven de mediationovereenkomst met zijn advocaat te willen bespreken. Dit heeft hij gedaan en op 27 maart 2018 heeft hij aangegeven dat de mediation kan worden opgestart. Vervolgens kondigt de werkgever op 28 maart 2018 zonder enige waarschuwing een loonstop aan, omdat [eiser] niet zou meewerken aan mediation. Daar is geen sprake van. Voor zover er al sprake van zou zijn dat [eiser] niet aan zijn re-integratieverplichtingen voldeed, dan heeft hij hier na de e-mail van 27 maart 2018 wel aan voldaan. Bovendien is het [eiser] ook onduidelijk wat Asta van hem verwacht. Op 14 april 2018 stelt zij ineens nadere voorwaarden, inhoudende dat [eiser] de kosten van de mediation zelf dient te dragen. Deze voorwaarde is niet opgenomen in de brief van 28 maart 2018 en is bovendien onredelijk. Nu de loonstop ten onrechte is opgelegd, vordert [eiser] betaling van het achterstallige salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

In het kader van de op te starten mediation is het daarnaast van belang dat [eiser] over alle stukken in zijn personeelsdossier bezit. Op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) heeft [eiser] het recht om deze stukken toe ontvangen. Asta weigert desondanks deze stukken aan [eiser] te verstrekken.

3.3

Asta voert gemotiveerd verweer, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

3 Beoordeling

Loonstop

4.1

Op grond van artikel 254 Rv kan een vordering in kort geding enkel worden toegewezen indien daarbij een spoedeisend belang bestaat. Asta betwist dat daar in dit geval sprake van is. [eiser] krijgt al sinds 1 april 2018 geen loon meer uitbetaald, terwijl pas op 11 juli 2018 een dagvaarding is uitgebracht. Inmiddels zijn er vijf maanden verstreken en dit brengt Asta in de veronderstelling dat [eiser] voor de bekostiging van zijn normale levensonderhoud klaarblijkelijk niet afhankelijk is van loondoorbetaling. Dit verweer slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de aard van de vordering reeds een spoedeisend belang. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor het voorzien in zijn levensonderhoud afhankelijk is van dit salaris. Van een spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] is de kantonrechter aldus genoegzaam gebleken.

4.2

Asta voert daarnaast aan dat de loonstop terecht is opgelegd en dat de vordering daarom dient te worden afgewezen. [eiser] heeft bewerkstelligd dat tot tweemaal toe een door Asta georganiseerd mediation is mislukt. [eiser] heeft inderdaad op 27 maart 2018 laten weten toch aan mediation deel te willen nemen, maar gezien de voorgaande gebeurtenissen heeft Asta hier geen vertrouwen meer in. Door Asta zijn tot tweemaal toe nodeloos kosten gemaakt en het kan in redelijkheid niet meer van Asta worden verlangd dat zij een derde mediationpoging zal wagen. Het lag nu op de weg van [eiser] om zijn bereidheid om mee te werken aan zijn re-integratie te tonen door zelf mediation te organiseren, maar [eiser] heeft geen enkel initiatief getoond. Nu [eiser] niet meewerkt aan mediation is zijnerzijds sprake van een belemmering van de genezing van [eiser] waardoor Asta gerechtigd was en is om de loondoorbetaling stop te zetten, aldus Asta. De kantonrechter overweegt als volgt. Indien een werkgever een loonstop aankondigt, dan dient zij daarbij duidelijk aan te geven wat de redenen voor die loonstop zijn. In de brief van 28 maart 2018 wordt [eiser] verweten dat hij niet meewerkt aan mediation en dat hij daarom niet voldoet aan zijn re-integratieverplichtingen. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat indien [eiser] mee zal werken aan mediation, hij (weer) aan zijn re-integratieverplichtingen zal voldoen en de loonstop zal worden opgeheven. Dat [eiser] deze mediation zelf dient te organiseren, en ook nog eens zelf dient te bekostigen, zijn geen voorwaarden die Asta aan de loonstop ten grondslag heeft gelegd. Voor zover deze voorwaarden al redelijk zouden zijn, geldt dat deze, gezien het voorgaande, geen reden kunnen vormen om de loonstop te handhaven.

[eiser] heeft op 27 maart 2018 aangegeven aan mediation te willen meewerken, zodat hij op dat moment aan zijn re-integratieverplichtingen voldeed. Dat is diezelfde dag aan Asta gemeld. Voor zover de loonstop voor die tijd al terecht is opgelegd, geldt dat deze na 27 maart 2018 weer opgeheven had moeten worden. Asta heeft gesteld dat de loonstop per 1 april 2018 is ingegaan, en niet per 22 maart 2018, en ter zitting is dit door [eiser] ook erkend. Vóórdat de loonstop is ingegaan voldeed [eiser] dus al aan zijn re-integratieverplichtingen. Nu de loonstop is ingegaan per 1 april 2018, kan in het midden blijven door wiens toedoen er in de periode tussen 22 maart 2018 en 27 maart 2018 geen mediation heeft plaatsgevonden. Dit leidt ertoe dat Asta de loonstop niet had mogen doorvoeren en dat de vordering onder 3.1.a. zal worden toegewezen.

4.3

Nu [eiser] heeft erkend dat de loonstop pas op 1 april 2018 is ingegaan, zal de vordering tot loondoorbetaling over de periode april tot en met augustus 2018 worden toegewezen .

4.4

[eiser] vordert daarnaast betaling van het toekomstige salaris. Deze vordering zal worden afgewezen. Het salaris over de periode na augustus 2018 is immers (nog) niet opeisbaar en op dit moment kan niet worden vastgesteld dat [eiser] recht heeft op dat salaris en dat Asta dat salaris dan niet aan [eiser] zal voldoen. Voor zover de vordering onder 3.1.b. ziet op de periode na augustus 2018 zal deze om die reden worden afgewezen.

Personeelsdossier

4.6

Het uitgangspunt van de AVG is het transparantiebeginsel: iedereen moet in de gelegenheid zijn om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren (overweging 63 van de AVG). Artikel 15 AVG geeft betrokkenen dan ook het recht op inzage en op een kopie van de persoonsgegevens zonder daaraan andere beperkingen te verbinden dan de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 12, derde lid, AVG bepaalt dat verzochte informatie in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek moet worden verstrekt. Artikel 41 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) noemt een beperkt aantal uitzonderingen waarin het recht op inzage geweigerd kan worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bescherming van de openbare veiligheid of de onafhankelijkheid van de rechter. Asta voert als verweer tegen de vordering tot afgifte van stukken uit het personeelsdossier aan dat de stukken waarvan [eiser] nu een kopie vraagt al eerder aan hem zijn verstrekt of dat hij met de gegevens die daarin staan bekend is of moet zijn (zoals bijvoorbeeld gegevens omtrent zijn ziekteverzuim en ziekteverloop). Dit behoort echter niet tot de uitzonderingen genoemd in artikel 41 UAVG. Bekendheid met gegevens is geen grond voor het niet verstrekken van stukken. Verder is in lid 3 van artikel 15 AVG vastgelegd dat voor het verstrekken van bijkomende kopieën geen andere kosten in rekening mogen worden gebracht dan een redelijke vergoeding op basis van de administratieve kosten. Daaruit volgt dat de betrokkene ook om een kopie kan vragen van stukken die al eerder (ooit eens) zijn verstrekt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] dan ook een rechtmatig belang bij afgifte van de stukken in zijn personeelsdossier die hem niet reeds na zijn verzoek in april 2018 zijn verstrekt. De kantonrechter is tevens van oordeel dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Hij heeft een conflict met zijn werkgever en het is voor hem van belang om te weten wat er in zijn personeelsdossier zit. Asta heeft de wettelijke termijn van één maand niet in acht genomen en zonder bevel van de kantonrechter is niet te verwachten dat zij [eiser] binnen een redelijke termijn zal geven waarop hij recht heeft. De vordering onder 3.1.d. zal dan ook als na te melden worden toegewezen. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, acht de kantonrechter aangewezen. De op te leggen dwangsom zal echter worden gematigd en gemaximeerd. Verder zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.7

De gevorderde wettelijke rente en de wettelijke verhoging zullen als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

4.8

Asta zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4 Beslissing

De kantonrechter, bij wege van voorlopige voorziening:

- veroordeelt Asta om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de loonstop op te heffen;

- veroordeelt Asta om binnen drie werkdagen betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen € 7.280,- bruto (te weten het salaris van € 1.456,- bruto per maand over de maanden april 2018 tot en met augustus 2018), te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt Asta om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] :
a. opgave te doen van de persoonsgegevens van [eiser] die zij heeft verwerkt;
b. over te leggen een kopie van de stukken waarin zij persoonsgegevens van [eiser] heeft verwerkt zoals deze blijken uit de onder a genoemde opgave – met uitzondering van de hiervoor onder 2.10 genoemde stukken –;
alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat Asta hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-;

- bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 4.6 is vermeld;

- veroordeelt Asta in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 577,01 waarvan € 400,- als het aan de gemachtigde van [eiser] toekomende salaris;

- veroordeelt Asta tot betaling van € 100,- aan nasalaris, voor zover [eiser] daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.D. Bellaart en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2018.