Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10863

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 14733
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nareis Eritrea. Identiteit niet aannemelijk. Gegevens overgelegde doc wijken af van verklaringen. Geen bewijsnood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/14733

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres 1], eiseres 1, V-nummer [V-nummer], mede namens

[eiseres 2], eiseres 2, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Dijcks).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis asiel afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens zijn verschenen de heer [persoon X] (hierna: referent) en tolk B. Habte. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres 1 stelt te zijn geboren op 1 juli 1995. Eiseres 2 stelt te zijn geboren op 28 februari 2014. Beiden stellen de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 19 november 2015 heeft referent namens eiseressen een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat beide eiseressen hun identiteit en de familieband met referent niet met documenten hebben onderbouwd. Ook is geen sprake van bewijsnood.

3. Eiseressen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en stellen zich op het standpunt dat de aanvraag voor een mvv in het kader van nareis ingewilligd dient te worden. Ter onderbouwing hebben eiseressen een kerkelijke huwelijksakte en een bewonerspas van eiseres 1, een doopakte en inentingskaart van eiseres 2, een foto van het huwelijk en een foto van eiseressen samen overgelegd. Het is opmerkelijk dat verweerder dergelijke documenten niet aanmerkt als bewijsstuk om de identiteit vast te stellen, omdat in andere beslissingen dergelijke documenten wel voldoende zijn geacht om de identiteit en familierechtelijke relatie vast te stellen. Verweerder veronderstelt dat alle Eritreeërs in het bezit zijn van documenten, maar dat is blijkens de overgelegde e-mailwisseling tussen Vluchtelingenwerk en professor [professor] niet juist. Eiseressen verkeren in bewijsnood ten aanzien van het verkrijgen van documenten, nu zij zich niet tot de Eritrese autoriteiten kunnen wenden en dit niet van hen noch van anderen namens hen kan worden gevergd. Eiseressen verwijzen naar artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2013 inzake het recht op gezinshereniging (de Gezinsherenigingsrichtlijn) en de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Voorts verwijzen eiseressen nog naar een artikel van het NRC van 9 juni 2016; het Tweede Kamer debat van 30 juni 2016 en de vragen van de Tweede Kamerleden Azmani en Sjoerdsma; een expert opinion van de Migration Law Clinic van de Vrije Universiteit Amsterdam, ‘The 'bewijsnood' policy of the Dutch immigration service: A correct interpretation of the Family Reunification Directive or an unlawful procedural hurdle?’, onder begeleiding van Prof. Pieter Boeles en Dr. Evelien Brouwer; het antwoord van verweerder op vraag 9 van het Tweede Kamerlid Van Dijk, Vergaderjaar 2016-2017, nummer 2249; een uitspraak van de rechtbank Zwolle van 12 oktober 2017 (AWB 17/8060) en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2017 (AWB 17/8783). Niet valt in te zien dat verweerder geen interview met eiseressen en referent heeft gehouden om de identiteit, nationaliteit en familierelatie vast te stellen. Tot slot zijn eiseressen van mening dat de hoorplicht is geschonden.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

(a.) de echtgenoot van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling.

5.2.

In zijn brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354) heeft verweerder zijn nieuwe vaste gedragslijn uiteengezet. Dit aangepaste beoordelingskader is van toepassing op zowel nieuwe als lopende aanvragen. In de uitspraken van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508, ECLI:NL:RVS:2018:1509, ECLI:NL:RVS:2018:1637, ECLI:NL:RVS:2018:1638, ECLI:NL:RVS:2018:1639 en ECLI:NL:RVS:2018:1640) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) deze gedragslijn in overeenstemming geacht met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De Afdeling begrijpt de nieuwe vaste gedragslijn van verweerder als volgt. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

5.3

De rechtbank overweegt dat eiseressen geen officiële identificerende documenten hebben overgelegd waaruit hun identiteit of nationaliteit blijkt. Verweerder heeft vervolgens conform de nieuwe gedragslijn de door eiseressen overgelegde onofficiële documenten bij zijn beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiseressen overgelegde indicatieve bewijsstukken niet voldoende overtuigend zijn om hun identiteit vast te stellen. De overgelegde kopie van de bewonerspas van eiseres 1 kan niet worden aangemerkt als substantieel bewijs nu de geboortedatum en geboorteplaats op de bewonerspas afwijken van de gegevens zoals die zijn opgegeven bij de aanvraag. Immers heeft referent bij de aanvraag ingevuld dat eiseres 1 is geboren in het jaar 1995 in de plaats Adi Mekeda, terwijl uit de overgelegde vertaling van de bewonerspas blijkt dat eiseres zou zijn geboren op [geboortedatum] 1992 in Dekitesfa. Daarnaast betreft de overgelegde bewonerspas een kopie, waardoor het document niet kan worden onderzocht op echtheid. De doopakte en de inentingskaart van eiseres 2 kunnen evenmin worden aangemerkt als substantieel bewijs, nu de geboortedatum op de doopakte niet overeenkomt met de geboortedatum op de inentingskaart en de geboortedatum die is doorgegeven bij de aanvraag. Daarnaast is de inentingskaart niet voorzien van een pasfoto en betreft het voorts een kopie, waardoor het document niet kan worden onderzocht op echtheid.

5.4

De rechtbank volgt eiseres 1 niet in haar standpunt dat zij niet in het bezit kan worden gesteld van documenten met betrekking tot haar identiteit en nationaliteit en dat derhalve sprake is van bewijsnood. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres niet heeft onderbouwd dat het voor haar persoonlijk onmogelijk is om over een identiteitsdocument te beschikken. Verweerder heeft terecht gewezen op het EASO rapport van mei 2015 en het Algemeen ambtsbericht Eritrea van 6 februari 2017, waarin staat dat alle Eritreeërs boven de 18 jaar in het bezit moeten zijn van een identiteitskaart. Eiseres heeft niet uitgelegd wat de reden is dat zij geen identiteitsdocument aan heeft gevraagd en heeft verkregen, ondanks dat het vanaf 18 jaar verplicht is een dergelijk document te bezitten. Eiseres heeft niet concreet toegelicht hoe zij zonder officiële identiteitsdocumenten heeft geleefd in Eritrea.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij op zich een identiteitskaart had kunnen aanvragen en verkrijgen, maar er was geen noodzaak om dit te doen in haar omgeving en bovendien was het niet gebruikelijk om een identiteitskaart aan te vragen. Van Eritrese vluchtelingen en hun gezinsleden kan volgens eiseres niet worden verlangd dat zij contact opnemen met hun eigen autoriteiten om officiële documenten aan te vragen. In dit verband heeft eiseres verwezen naar de onder rechtsoverweging 3 genoemde bronnen. Hoewel verweerder van eiseres noch van referent verwacht dat zij zich tot de Eritrese autoriteiten wenden, kan verweerder wel van eiseres verwachten dat zij aannemelijk weet te maken waarom zij niet over identificerende documenten beschikt en hiertoe een op de persoon toegespitste verklaring geeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van bewijsnood, nu dit slechts algemene informatie over Eritrea betreft. In dit licht was verweerder niet gehouden aanvullend onderzoek naar de identiteit van eiseres 1 te doen.

5.5

Nu verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat eiseressen hun gestelde identiteit onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt, behoeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de feitelijke gezinsband met referent geen bespreking meer.

5.6

De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eiseressen en referent in bezwaar te horen, faalt. Van horen kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake wanneer reeds aanstonds blijkt dat het bezwaar ongegrond is en er geen twijfel over die conclusie mogelijk is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht, rekening houdend met de nieuwe gedragslijn, dat de indicatieve bewijsstukken die in bezwaar zijn overgelegd niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Bovendien is afgezien van horen, omdat er tegenstrijdigheden in de overlegde documenten zitten, zoals uiteengezet onder rechtsoverweging 5.3. De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, van oordeel dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren en van het horen van eiseressen en referent in bezwaar heeft kunnen afzien.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.