Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10861

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
NL18/308
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Iran. Biseksualiteit ongeloofwaardig geacht. Niet kenbaar rekening gehouden met psychische problematiek en invloed daarvan op verklaringen eiser (schizofrenie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.308


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder


Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.Als tolk is verschenen T. Mehrian. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 30 april 2016 heeft eiser een verzoek tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan eiser is op 18 september 2017 uitstel van vertrek van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verleend voor de duur van drie maanden verleend. Op 12 december 2017 is nogmaals uitstel van vertrek verleend tot en met 12 maart 2018. Op 27 februari 2018 heeft verweerder aan eiser voor de derde maal uitstel van vertrek verleend, tot uiterlijk 6 augustus 2018.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is. Hij vreest door zijn vader gedood te worden, nu deze hem heeft betrapt tijdens geslachtsgemeenschap met een andere man. Eiser heeft voorts verklaard geen geloof aan te hangen, al weet verder niemand dit. Daarnaast is eiser van Koerdische afkomst en staat betrokkene op een op facebook geplaatste foto waaronder een pastoor een reactie heeft geplaatst zijnde “de Iraanse christenen in Griekenland”.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

  • -

    De biseksuele geaardheid van eiser en zijn relatie met [persoon X];

  • -

    De betrapping door zijn vader tijdens geslachtsgemeenschap met [persoon X];

  • -

    Eiser draagt geen geloof uit / is atheïst;

  • -

    Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep;

  • -

    Het zullen ondervinden van problemen vanwege een foto op Facebook waarop eiser met een Koerdische vlag afgebeeld staat;

  • -

    Het zullen ondervinden van problemen vanwege een foto op Facebook waarop eiser afgebeeld staat met een reactie van een pastoor ‘de Iraanse christenen in Griekenland’.

4. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de biseksuele geaardheid van eiser, zijn relatie met [persoon X] en de betrapping tijdens geslachtsgemeenschap door de vader van eiser ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat eiser wisselend heeft verklaard ten aanzien van zijn gestelde biseksualiteit. Ook meent verweerder dat de verklaringen van eiser niet getuigen van een diepgewortelde biseksualiteit, maar eerder van gemakzucht ten aanzien van het bevredigen van seksuele verlangens. Verder meent verweerder dat geen sprake is geweest van een zelfacceptatieproces, nu eiser zou hebben verklaard dat zijn biseksualiteit is ontstaan aan het begin van de middelbare school en hij het voor zichzelf makkelijk heeft weten te accepteren nu het geloof in die periode voor hem minder op de voorgrond stond. Verweerder heeft voorts overwogen dat niet is gebleken van een proces of worsteling welk het door eiser genomen risico aannemelijk zou maken. Ten aanzien van de betrapping meent verweerder dat sprake is van een grote mate van toeval dat nu juist op dat moment de vader van eiser thuis kwam. Daarbij kan eiser niet verklaren waarom zijn vader op dat moment terugkwam en hoe lang zijn vader onderweg was geweest. Gezien de positie van eisers vader in de gemeenschap ligt het voorts niet voor de hand dat betrokkene juist in het huis van zijn vader afspreekt om gemeenschap te hebben met [persoon X] en er evenwel geen blijk is gegeven van gedegen voorzorgsmaatregelen om betrapping tegen te gaan, aldus verweerder.

5. Eiser kan zich met deze beslissing niet verenigen en voert het volgende aan.

5.1

Ten aanzien van de ambtshalve toetsing aan artikel 64 van het Vw 2000 heeft verweerder in de besluitvorming miskend dat eiser al vanaf 4 april 2017 tot heden uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 geniet. Ook is ten onrechte geen toepassing gegeven aan de procedure bij klinische opname zoals omschreven in paragraaf A3/7.3.2.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid van de medische behandeling voor eiser in Iran.

5.2

Eiser meent voorts dat verweerder ten onrechte geen forensisch medisch onderzoek conform artikel 18 van de Procedurerichtlijn en artikel 3.109e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en Werkinstructie 2016/4 heeft uitgevoerd, nu eiser littekens en andere sporen van lichamelijk geweld heeft die mogelijk verband houden met zijn relaas. Ook het consulteren van een psychiater om te kunnen beoordelen of eisers schizofrenie interfereert met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren valt onder het bereik van een forensisch medisch onderzoek. Verweerder heeft eiser immers afgerekend op een aanzienlijk deel van zijn verklaringen terwijl bij verweerder bekend is dat eiser aan schizofrenie lijdt.

5.3

Ook stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de eisen die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onder andere in zijn uitspraak van 13 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:8090) zijn gesteld aan de onderzoeks- en motiveringsplicht van verweerder. Eiser wijst er daarbij uitdrukkelijk op dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet kenbaar rekening is gehouden met zijn mentale en fysieke toestand. Daarnaast heeft verweerder zonder de informatie van de behandelend psychiater af te wachten beslist, terwijl deze informatie van belang had kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

5.4

Tot slot meent eiser dat zijn verklaringen omtrent zijn seksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht, nu verweerder zijn oordeel heeft gebaseerd op een selectieve lezing van eisers verklaringen. Verweerders oordeel kan voorts niet in stand blijven nu in het bestreden besluit de nadruk op het bewustwordingsproces en de wijze van zelfacceptatie is gelegd, terwijl uit de brief van de Staatssecretaris van 4 juli 2018 blijkt dat dit niet langer het geval mag zijn. Voorts is niet in geschil dat eiser en [persoon X] gedurende tien maanden een relatie hebben gehad waarbij sprake was van regelmatig seksueel contact. Verweerder had de relatie als uitgangspunt dienen te nemen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, en meer in het bijzonder bij de beoordeling van de seksuele geaardheid van eiser. Een dergelijke relatie is immers verboden in Iran en de IND mag van een asielzoeker niet verwachten dat deze ter vermijding van het risico van vervolging in het land van herkomst zijn seksuele identiteit geheim houdt of zich bij de invulling daarvan terughoudend opstelt.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit verschillende door eiser overgelegde stukken is gebleken dat eiser aan schizofrenie leidt en in het algemeen psychische klachten heeft. Dit is door verweerder niet betwist.

6.1

Naar het oordeel van de rechtbank staat in onderhavige zaak de vraag centraal of verweerder op een kenbare manier de psychische klachten van eiser heeft meegewogen bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van het relaas. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Uit het bestreden besluit en het verweerschrift is gebleken dat verweerder weliswaar tijdens de gehoren rekening heeft gehouden met eisers mentale toestand, onder meer door regelmatig pauzes in te lassen en eiser in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van het toilet indien daar behoefte aan was. Dit wordt door eiser ook niet betwist. De rechtbank is echter met eiser van oordeel dat verweerder daarna de volgende stap had moeten zetten en ook bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de verklaringen van eiser kenbaar had moeten maken dat en op welke manier hij rekening heeft gehouden met eisers psychische problematiek. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verweerder niet heeft onderzocht in hoeverre de psychische toestand van eiser – en in het bijzonder eisers schizofrenie – van invloed is geweest op zijn vermogen om logisch en consistent te kunnen verklaren. De inhoud van de weergegeven gehoren sterkt de rechtbank in dit oordeel. Verweerder heeft dan ook ten onrechte het asielrelaas zonder nadere motivering van de invloed van de psychische problematiek van eiser op zijn verklaringen als ongeloofwaardig beoordeeld.

6.2

Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld geen forensisch medisch onderzoek te hoeven uitvoeren. Verweerder heeft dit immers geweigerd omdat het asielrelaas als ongeloofwaardig is beoordeeld. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek naar de invloed van de psychische gesteldheid van eiser op zijn verklaringen een juist beeld van de geloofwaardigheid van de verklaringen heeft kunnen vormen.

6.3

In het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in de besluitvorming gelegen.

6.4

Hetgeen verder nog naar voren is gebracht kan aan het vorenstaande niet afdoen en behoeft daarom geen verdere bespreking.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.