Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10856

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
NL18.14218
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland. Geen onvoorwaardelijke kosteloze rechtsbijstand. Artikel 47 Handvest.

De vraag of eiser in Duitsland bijstand kan krijgen van een advocaat of NGO voor het onderbouwen van zijn opvolgende aanvraag betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Dat geldt ook voor de vraag of eiser in een eventuele beroepsprocedure kosteloze rechtsbijstand zal krijgen. Daarbij is van belang dat eiser eerder aan Duitsland is overgedragen. Hij heeft toen geen nieuw asielverzoek bij de Duitse autoriteiten ingediend.

Eiser stelt dat het systeem van de Duitse rechtshulp in strijd is met artikel 47 van het Handvest. Hij kan dit aan de orde stellen bij de Duitse rechter die over eisers aanspraak op kosteloze rechtsbijstand moet beslissen.

Ook de vraag of eiser tijden de asielprocedure in zijn bewegingsvrijheid zal worden beperkt is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eiser kan daarover pas klagen als hij daadwerkelijk van zijn bewegingsvrijheid wordt beroofd. Eiser kan op grond van de Opvangrichtlijn daartegen een rechtsmiddel aanwenden. De Opvangrichtlijn biedt in dat geval de waarborg dat gratis rechtshulp wordt geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.14218


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [datum] 1993, van Gambiaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Eiser heeft bij de Nederlandse autoriteiten een verzoek om internationale bescherming gedaan. Hij heeft daartoe een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Verweerder heeft die aanvraag niet in behandeling genomen. Dat heeft verweerder gedaan in het besluit van 31 juli 2018 (het bestreden besluit). Verweerder heeft vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.

Eisers gemachtigde heeft namens eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek om een voorlopige voorziening is geregistreerd onder nummer NL18.14219.

Het beroep en het verzoek zijn behandeld op de zitting van 28 augustus 2018. Eiser en zijn gemachtigde waren bij de zitting aanwezig. De heer J. Hynd is als tolk voor eiser opgetreden. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

aanleiding tot het bestreden besluit

1. Verweerder heeft het Europese registratiesysteem Eurodac geraadpleegd. Daaruit blijkt dat eiser al eerder in Duitsland een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Dat asielverzoek heeft hij gedaan op 31 mei 2016. De Duitse autoriteiten hebben het asielverzoek afgewezen. Verweerder heeft daarom de Duitse autoriteiten op 23 mei 2018 verzocht eiser terug te nemen. Verweerder heeft dat terugnameverzoek gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening12.

De Duitse autoriteiten hebben op 29 mei 2018 ingestemd met de terugname van eiser. Verweerder heeft daarna het bestreden besluit genomen.

de onderbouwing van het beroep

2. Eiser stelt dat in Duitsland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest3. Verweerder is dus ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan. Nederland moet zijn asielaanvraag daarom op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening zelf behandelen. Ter toelichting wijst eiser op het volgende.

2.1

Eisers eerste asielaanvraag in Duitsland afgewezen. Daarom zal eiser in Duitsland een opvolgende aanvraag moeten indienen.

2.2

Uit een rapport van AIDA (Asylum Information Database) van maart 2018 blijkt dat het systeem van de Duitse rechtshulp in strijd is met artikel 47 van het Handvest. Dit systeem laat het van de kans van slagen in de procedure afhangen of de vreemdeling kosteloze rechtsbijstand krijgt. Dat speelt in het bijzonder bij opvolgende aanvragen.

2.3

Het Duitse systeem is wel in overeenstemming met de Procedurerichtlijn4, maar niet met het Handvest. Het Handvest is van hogere orde dan de Procedurerichtlijn. Daarom is sprake van een systeemfout als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.

2.4

Eiser heeft ook maar één week om beroep in te stellen. Het is voor asielzoekers vaak onmogelijk binnen een week een advocaat te vinden. Dat komt ook omdat asielzoekers die een opvolgende aanvraag indienen het asielzoekerscentrum niet mogen verlaten. Lang niet in ieder asielzoekerscentrum in Duitsland zijn advocaten of vertegenwoordigers van humanitaire organisaties (NGO’s) beschikbaar om juridische hulp te bieden. Die hulp is essentieel om een asielaanvraag goed te onderbouwen. En als die onderbouwing ontbreekt is de kans groot dat de asielzoeker geen asielgehoor krijgt. Dan kan hij zijn aanvraag niet mondeling toelichten. Ook heeft het beroep geen schorsende werking.

2.5

Het gevolg van dit alles is dat eiser zijn asielmotieven in Duitsland niet goed naar voren zal kunnen brengen. Eiser loopt daardoor het risico dat hij wordt teruggestuurd naar Gambia zonder dat zijn asielmotieven zijn beoordeeld (refoulement). Dan bestaat de kans dat hij bij terugkeer naar Gambia aan vervolging bloot komt te staan, of dat hij een behandeling zal krijgen die in strijd is met het verbod in artikel 4 van het Handvest.

2.6

Vanwege dezelfde systeemfout heeft eiser praktisch gezien ook weinig of geen mogelijkheden om bij de Duitse autoriteiten te klagen over de manier waarop zijn asielaanvraag zal worden behandeld. Verweerder heeft geen goede inhoudelijk reactie gegeven op eisers verwijzing naar artikel 47 van het Handvest.

beoordeling door de rechtbank

3. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat er van uit dat iedere lidstaat van de Europese Unie de Europese regelgeving over internationale bescherming juist naleeft. Als eiser meent dat verweerder ten opzichte van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan moet hij aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

3.1

Duitsland heeft met het claimakkoord van 29 mei 2018 gegarandeerd dat het eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling zal nemen. In beginsel mag verweerder er van uitgaan dat de Duitse autoriteiten dat ook inderdaad zullen doen. Dit houdt in dat Duitsland deze aanvraag – en de eventuele uitzetting naar Gambia- zal toetsen aan het Vluchtelingenverdrag5 en het Handvest. Daarom slaagt eisers stelling dat bij overdracht aan Duitsland sprake is van (indirect) refoulement niet.

3.2

Eiser heeft in Duitsland eerder een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft in een gehoor verklaard dat hij bij de behandeling van die asielaanvraag twee keer is gehoord door de Duitse autoriteiten. Eisers aanvraag is daarna afgewezen. Eiser heeft niet gesteld dat de Duitse autoriteiten die eerdere asielaanvraag onzorgvuldig hebben behandeld. Ook blijkt uit het gehoor van 23 augustus 2017 dat eiser tijdens die procedure opvang heeft gehad in Karlsruhe.

3.3

Het is juist dat eiser in Duitsland een opvolgende asielaanvraag zal moeten indienen. Eiser heeft immers al een asielaanvraag ingediend, die onvoldoende onderbouwd was. Eiser zal dus nieuwe gegevens en bevindingen moeten aanvoeren om de Duitse autoriteiten er alsnog van te overtuigen dat hij internationale bescherming nodig heeft. De Duitse autoriteiten zullen ongetwijfeld hogere eisen stellen aan de onderbouwing van een opvolgende asielaanvraag. Maar dat is niet in strijd met de Procedurerichtlijn of het Handvest. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat eiser telkens nieuwe asielaanvragen indient zonder met iets nieuws te komen.

3.4

Eiser stelt dat hij de noodzaak van internationale bescherming niet kan onderbouwen zonder de hulp van een advocaat of een NGO. Maar of die beschikbaar zullen zijn in de opvanglocatie in Duitsland is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Dat wordt pas duidelijk als eiser daadwerkelijk een nieuwe asielaanvraag indient. Hoe dan ook is het eisers eigen verantwoordelijkheid om die noodzaak te onderbouwen. Als eiser daar zelf niet toe in staat is rijst de vraag waarop zijn angst voor terugkeer gebaseerd is. De rechtbank vindt hierbij nog het volgende van belang. Uit het dossier blijkt dat eiser ook eerder, op 21 augustus 2017, een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. Ook toen heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling genomen. Eiser is op 21 december 2017 aan Duitsland overgedragen. Hij is op 18 april 2018 Nederland weer ingereisd. In de tussentijd heeft eiser alleen in Duitsland verbleven. Eiser heeft toen geen nieuwe asielaanvraag bij de Duitse autoriteiten ingediend. Hieruit blijkt dat het nog maar de vraag is of eiser werkelijk een nieuw verzoek om internationale bescherming zal indienen. Ook dat maakt dat het onzeker is of eiser de behandeling zal ondergaan waar hij bang voor is.

3.5

De verwijzing naar het AIDA-rapport maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt de asielprocedure in Duitsland in de praktijk zodanige tekortkomingen vertoont dat overdracht van eiser in strijd zou zijn met artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. De Duitse asielprocedure is immers in overeenstemming met de Procedurerichtlijn. Eiser heeft dat als zodanig ook niet betwist.

3.6

Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit terecht gesteld dat eiser bij de Duitse autoriteiten moet klagen over een eventuele schending van Europese richtlijnen en de waarborgen die hieruit voortvloeien. Dat blijkt uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens6.

3.7

Het is de rechtbank niet duidelijk wat eiser bedoelt met de stelling dat hij tijdens de asielprocedure het opvangcentrum niet mag verlaten. De rechtbank neemt aan dat eiser bedoelt dat hij tijdens de behandeling van zijn opvolgende asielaanvraag in zijn bewegingsvrijheid zal worden beperkt. Ook de vraag of dat eiser zal overkomen is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eiser kan daarover pas klagen als hij daadwerkelijk van zijn bewegingsvrijheid wordt beroofd. Eiser heeft op grond van artikel 9 van de Opvangrichtlijn7 de mogelijkheid om daartegen bij de Duitse rechter een rechtsmiddel aan te wenden. De Opvangrichtlijn biedt in dat geval de waarborg dat gratis rechtshulp wordt geboden.

3.8

Eiser stelt dat artikel 47 van het Handvest een verplichting bevat om in alle gevallen kosteloze rechtsbijstand te verlenen. Het Duitse systeem is volgens hem daarmee in strijd. De rechtbank hoeft die vraag niet inhoudelijk te beoordelen. Eiser kan die vraag namelijk in Duitsland aan de orde stellen bij de rechter die moet oordelen over de vraag of hij in aanmerking komt voor gratis rechtsbijstand. Er is geen reden voor twijfel aan de objectiviteit of de deskundigheid van de Duitse rechter. Als die rechter een onverenigbaarheid tussen de Procedurerichtlijn en het Handvest vaststelt zal dat dus ook zonder meer in zijn uitspraak tot uitdrukking komen.

3.9

In het door eiser overgelegde AIDA-rapport van maart 2018 ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Als het instellen van beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag geen schorsende werking heeft kan eiser in Duitsland een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Dat zo’n voorlopige voorziening volgens het AIDA-rapport alleen in ‘uitzonderlijke gevallen’ wordt toegewezen, maakt dat niet anders. Het staat immers niet vast dat eisers eventuele verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Ook hier geldt dat het eisers eigen verantwoordelijkheid is om zijn opvolgende asielaanvraag goed te onderbouwen.

3.10

Eiser heeft ten slotte geen persoonlijke feiten of omstandigheden aangevoerd die in de weg staan aan overdracht aan Duitsland. Verweerder hoefde daarom ook niet met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, de asielaanvraag van eiser zelf in behandeling te nemen in plaats van hem over te dragen aan Duitsland.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van

E.A. van der Zwaag, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

6 september 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening luidt:

2. Wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Indien de overdracht uit hoofde van dit lid niet kan geschieden aan een op grond van de criteria van hoofdstuk III aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend, wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de verantwoordelijke lidstaat.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening luidt:

1. In afwijking van artikel 3, lid 1, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening luidt:

1. De verantwoordelijke lidstaat is verplicht:

d) een onderdaan van een derde land of een staatloze wiens verzoek is afgewezen en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

De Opvangrichtlijn bepaalt het volgende:

Artikel 2, aanhef en onder h definieert „bewaring” als: het vasthouden van een verzoeker door een lidstaat op een bepaalde plaats, waar de betrokkene geen bewegingsvrijheid geniet.

Artikel

Artikel 8, eerste lid, bepaalt dat de lidstaten een persoon niet in bewaring houden om de enkele reden dat hij een verzoeker is overeenkomstig de Procedurerichtlijn.

Artikel 9, derde lid, bepaalt dat de rechtmatigheid van een opgelegde bewaring ambtshalve of op verzoek met spoed wordt getoetst.

Artikel 9, vierde lid, bepaalt dat verzoekers die in bewaring worden gehouden, onmiddellijk schriftelijk op de hoogte worden gebracht van de redenen van bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel tot bewaring aan te vechten, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen.

Artikel 9, zesde lid, bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat verzoekers toegang hebben tot gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging. Dit omvat ten minste de voorbereiding van de vereiste proceduredocumenten en het verschijnen voor de rechterlijke instantie namens de verzoeker.

Artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn luidt:

3. De lidstaten kunnen bepalen dat de kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet wordt aangeboden wanneer het beroep van de verzoeker volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft.

Artikel 4 van het Handvest luidt:

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 6 van het Handvest luidt:

Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

Artikel 47 van het Handvest, laatste volzin, luidt:

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

1 De in deze uitspraak genoemde regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.

2 Verordening (EU) Nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking), Publicatieblad van de Europese Unie L180/31 van 29 juni 2013 (https://eur-lex.europa.eu).

3 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (2012/C 326/02) , Publicatieblad van de Europese Unie C 326/391 van 26 oktober 2012.

4 Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), Publicatieblad van de Europese Unie L180/60 van 29 juni 2013.

5 Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).

6 Arrest van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802, JV 2009/41).

7 Richtlijn 2013/33/EU tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking), Publicatieblad van de Europese Unie L 180/96 van 29 juni 2013.