Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10781

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
NL17.4783
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak, motiveringsgebrek, iMMO-rapportage, opvolgende asielaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4783


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.F.E. Verdonck).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 juli 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Oronsaye. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Sierraleoonse nationaliteit. Op 3 augustus 2012 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is. Deze afwijzing is in rechte vast komen te staan.1

2. Op 2 augustus 2016 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend en daarbij twee documenten ingebracht die een ander licht op de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas zouden moeten werpen. Het eerste document betreft een verklaring van een Sierraleoonse chief die het relaas van eiser bevestigt, het tweede document is een rapportage van het iMMO.2

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 3 en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Verweerder heeft de verklaring van de chief laten onderzoeken door Bureau Documenten. Uit het onderzoeksrapport van 27 juni 2016 blijkt dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het document vanwege het ontbreken van betrouwbaar referentie- dan wel vergelijkingsmateriaal. Tevens is vastgesteld dat de legalisatie van het Sierraleoonse ministerie van Buitenlandse Zaken op het document vals is. Dit doet volgens verweerder verder afbreuk aan de eerder ongeloofwaardig bevonden verklaringen van eiser. Ten aanzien van de inhoud van het document merkt verweerder op dat het een optekening van het relaas van eiser betreft, waardoor niet kan worden uitgesloten dat het op verzoek van eiser is opgesteld. Bovendien is niet gebleken dat eiser dit document niet eerder had kunnen overleggen.
Ten aanzien van het iMMO-rapport stelt verweerder zich op het standpunt dat het iMMO niet uitsluit dat eisers littekens en psychiatrische klachten ook een andere oorzaak kunnen hebben dan door eiser gesteld, zodat dit geen ander licht werpt op de geloofwaardigheidsbeoordeling. Dat de psychische klachten van eiser ten tijde van zijn eerste asielprocedure volgens het iMMO waarschijnlijk interfereerden met het doen van een compleet, coherent en consistent relaas, leidt volgens verweerder niet tot de conclusie dat de verklaringen ten onrechte als ongerijmd en vaag zijn aangemerkt. Daarbij acht verweerder van belang dat het onderzoek van het iMMO meer dan twee jaar na de gehoren in de eerste procedure heeft plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit het Medifirst-advies, noch het rapport van het nader gehoor of de correcties en aanvullingen daarop, dat eiser niet goed heeft kunnen verklaren. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet wordt ontkend dat eiser op dit moment psychische klachten heeft, maar dat niet is gebleken dat dit hem heeft belemmerd om zijn herhaalde asielaanvraag persoonlijk te kunnen toelichten.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de littekens en psychische klachten van eiser zijn beoordeeld als “zeer consistent” en “consistent” met zijn verklaringen. Ook zijn er blijkens het iMMO-rapport duidelijke aanwijzingen dat eiser ten tijde van de eerdere asielgehoren psychische klachten had die destijds interfereerden met het doen van een compleet, coherent en consistent asielrelaas.

Verder heeft eiser bij wijze van contra-expertise een brief van de Sierraleoonse ambassade in Brussel van 19 september 2017 overgelegd. In deze brief wordt gesteld dat de verklaring van de chief authentiek is. Daarbij is opgemerkt dat mevrouw [naam 2] , die het document heeft gelegaliseerd, op het moment van de legalisatie daadwerkelijk bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Freetown werkzaam was.

5. Bij het verweerschrift heeft verweerder een weerwoord van Bureau Documenten van 18 oktober 2017 overgelegd, waarin als volgt wordt toegelicht waarom de legalisatie vals is bevonden. De afbeelding met de verschijningsvorm van een afdruk van een inktstempel is geprint in plaats van gestempeld. De handtekening van mevrouw [naam 2] wijkt af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Bureau Documenten merkt vervolgens op dat de ambassade een fotokopie heeft beoordeeld en niet heeft kunnen vaststellen dat de afbeelding is geprint in plaats van gestempeld. Nu de ambassade bovendien niet heeft vastgesteld dat de handtekening van mevrouw [naam 2] afwijkt, leidt de verklaring van de ambassade volgens Bureau Documenten niet tot een ander oordeel over de legalisatie.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op het onderzoeksrapport en het weerwoord van Bureau Documenten terecht op het standpunt gesteld dat de verklaring van de chief niet kan afdoen aan de geloofwaardigheidsbeoordeling uit de eerste procedure, nu de legalisatie op het document vals is. De brief van de Sierraleoonse ambassade geeft geen aanleiding om aan die conclusie te twijfelen. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden, zodat hij de gelegenheid heeft om de verklaring van de chief opnieuw te laten legaliseren. Dit verzoek wordt afgewezen. De verklaring heeft immers een vals kenmerk en dat kan niet meer ongedaan worden gemaakt, zodat een nieuwe legalisatie van hetzelfde document geen zin heeft.

7. De Afdeling heeft op 27 juni 2018 drie uitspraken4 gedaan over de vraag welk gewicht toekomt aan een rapport van het iMMO bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas. In deze uitspraken heeft de Afdeling het toetsingskader ten aanzien van de conclusies van het iMMO over het vermogen van een vreemdeling om coherent te verklaren, gewijzigd. Indien in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, kan verweerder hieraan niet voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen.

8. In het geval van eiser heeft het iMMO in haar rapport van 8 maart 2016 vastgesteld dat eisers psychische klachten op dat moment zeker interfereren met het doen van een compleet, coherent en consistent asielrelaas. Daarbij heeft het iMMO geconcludeerd tot een duidelijk verband tussen de chronische nek- en rugklachten en de psychische klachten. Uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag, afgenomen op 2 augustus 2016, blijkt dat eiser nog steeds rugklachten zegt te hebben en dat hij om die reden tijdens het gehoor regelmatig van houding is gewisseld. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden uitgesloten dat eisers vermogen om naar behoren te verklaren op vergelijkbare wijze als bedoeld in het iMMO rapport is beïnvloed. In een brief van 9 augustus 2017 aan eisers gemachtigde schrijft ook iMMO dat eerder aanwezige psychische problematiek zeker ook gespeeld zal hebben bij de opvolgende aanvraag. Dit betekent dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser niet in staat was om zijn opvolgende asielaanvraag persoonlijk toe te lichten.

9. Verder heeft de Afdeling in de uitspraken van 27 juni 2018 verduidelijkt dat als een iMMO-rapport een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt, het, indien verweerder die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht, aan verweerder is om de twijfel weg te nemen over de oorzaak van het letsel. Hiertoe kan verweerder gehouden zijn nader medisch onderzoek te laten verrichten. Daarbij heeft de Afdeling tevens overwogen dat voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek niet is vereist dat het iMMO-rapport geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. In het geval van eiser heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport niet kan dienen als medisch steunbewijs, omdat het rapport niet uitsluit dat eisers littekens en psychiatrische klachten ook een andere oorzaak kunnen hebben dan door eiser gesteld. Gelet op de uitspraken van de Afdeling is deze motivering onvoldoende.

10. Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser in beroep nog twee documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas, namelijk een politierapport van 5 augustus 2014 van de politie in Freetown en een rapportage van Benjamin N. Lawrance,
Ph.D. van de Universiteit van Arizona van 18 september 2017. Verweerder heeft geen standpunt ingenomen over de betekenis deze documenten voor de beoordeling van de vraag of eiser asielrechtelijke bescherming behoeft, terwijl dat gelet op artikel 83, vijfde lid, van de Vw wel van hem verwacht wordt.

11. Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van een gebrekkige motivering zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.5 Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder een nieuw standpunt innemen over de vraag welke waarde toekomt aan het iMMO-rapport bij de beoordeling van eisers opvolgende asielaanvraag. Daarnaast moet verweerder een standpunt innemen over de in beroep overgelegde documenten. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

12. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 Uitspraken van de rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 26 juni 2014 (AWB 14/5775) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 november 2014 (201405502/1/V3).

2 instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek

3 Vreemdelingenwet 2000

4 ECLI:NL:RVS:2018:2084, ECLI:NL:RVS:2018:2085 en ECLI:NL:RVS:2018:2086

5 Algemene wet bestuursrecht