Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10744

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 29494
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

reguliere aanvraag, mvv-vrijstelling op grond van artikel 8 EVRM, schending hoorplicht, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/29494

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Tevens is aan eiser een licht inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Bij besluit van 15 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 26 april 2016 heeft eiser de onderhavige aanvraag voor verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] (referente) ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en ook niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Zo komt eiser niet in aanmerking voor een vrijstelling op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Weliswaar is er sprake van familie- of gezinsleven tussen eiser en referente alsmede van privéleven in Nederland, maar de belangenafweging in het kader van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM valt in het nadeel van eiser uit. Het tegenwerpen van het mvv-vereiste is ook niet onredelijk hard voor eiser.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij en referente ten onrechte niet zijn gehoord in de bezwaarfase. Voorts heeft verweerder het toetsingskader van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2013 inzake het recht op gezinshereniging (de Gezinsherenigingsrichtlijn) niet of onvoldoende kenbaar toegepast. Bij de beoordeling van een verblijfsaanvraag dienen alle omstandigheden betrokken te worden. Hiertoe verwijst eiser naar artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 maart 2010 in de zaak C-578/08, Chakroun (het arrest Chakroun). Als bijzondere omstandigheden brengt eiser naar voren dat hij bekeerd is tot het christendom, illegaal Iran is uitgereisd waardoor hij zich niet tot de Iraanse ambassade kan wenden om een paspoort aan te vragen, hij en referente ongehuwd samenwonen en een christelijke kerk in Nederland bezoeken, hij bij terugkeer naar Iran pas na één jaar een paspoort kan aanvragen en dat hij nooit veroordeeld is voor een strafbaar feit. Bovendien heeft referente diverse medische klachten, die van dien aard zijn dat de behandeling in Nederland dient plaats te vinden. Verweerder had hieromtrent een advies bij het Bureau Medische Advisering moeten vragen. Referente is een christelijke, Nederlandse vrouw, die de Farsi-taal niet spreekt en de Iraanse cultuur niet kent. Van haar kan niet gevergd worden dat zij zich in Iran vestigt. Er zijn daarom zwaarwegende, subjectieve belemmeringen om het gezinsleven in Iran uit te oefenen. Ten onrechte betrekt verweerder de asielgerelateerde aspecten niet in de beoordeling. Tot slot had verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard moeten afzien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en het opleggen van een inreisverbod.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn, vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie-, gezins- en privéleven. Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Bij de belangenafweging in het kader van artikel 8, tweede lid, van het EVRM moet een fair balance gevonden worden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Dit volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – het arrest van 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, met zaaknummer 50435/99; het arrest van 14 juni 2011, Osman tegen Denemarken, met zaaknummer 38058/09; het arrest van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, met zaaknummer 55597/09 en het arrest van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, met zaaknummer 47017/09 – en de jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 13 juli 2009, met zaaknummer 200903237/1/V2. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

6. Ten aanzien van de beroepsgrond dat er sprake is van een schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt.

6.1.

Volgens artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Er is slechts sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

6.2.

In aanmerking wordt genomen dat eiser sinds 2009 in Nederland verblijft en al jaren een bestendige relatie heeft met referente, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Naar voren komt dat referente medische en psychosociale problemen heeft en eiser stelt dat zij als gevolg van deze problemen van eiser afhankelijk is. Gelet op deze feiten en omstandigheden en daarmee gepaard gaande aanzienlijke persoonlijke belangen kan niet op voorhand worden geoordeeld dat het bezwaar niet tot een ander oordeel had kunnen leiden.

6.3.

De rechtbank overweegt dat weliswaar niet zonder meer op voorhand gesteld kan worden dat eiser gelet op deze feiten en omstandigheden recht heeft op verblijf in Nederland, maar daar tegenover staat dat gelet op het toepasselijke beoordelingskader, de belangen die verweerder dient af te wegen en hetgeen in bezwaar is aangevoerd, als nader toegelicht op zitting, niet buiten redelijke twijfel staat dat de conclusie van verweerder dat het bezwaar ongegrond diende te worden verklaard, de enige juiste is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

7. Het beroep is reeds daarom gegrond wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, nu verweerder eiser nog dient te horen in bezwaar. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit naar het zich laat aanzien geen efficiënte geschilafdoening zal opleveren. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.