Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10733

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
NL18.14997
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie, interstatelijk vertrouwensbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.14997


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.C. van Zundert),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.14998, plaatsgevonden op 23 augustus 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 16 juni 2018 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser heeft in het verleden in Italië geen voorzieningen, zoals opvang en voedsel, gehad. Bij terugkeer naar Italië zal aan hem dan ook geen opvang worden verleend. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het rapport “Out of sight” van Artsen zonder Grenzen van 8 februari 2018. Bovendien voert eiser aan dat er bij de Italiaanse regering een uitdrukkelijke onwil bestaat om het Dublinverdrag uit te voeren, waartoe hij verwijst naar de reactie van de Italiaanse minister Matteo Salvini in het nieuwsbericht ‘Italy threatens to return migrants to Libya’, van Deutsche Welle, van 19 augustus 2018.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende uitspraken, onder meer de uitspraak van 26 november 2015, met zaaknummer 21459/14, J.A. en anderen tegen Nederland en de uitspraak van 9 juni 2016, met zaaknummer 5868/13, S.M.H. tegen Nederland, geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden strijdige situatie. Er zijn weliswaar zorgen over de toegang tot opvang, de opvangfaciliteiten en rechtshulp, maar er is geen sprake van dusdanig ernstige tekortkomingen dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg staan. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft, onder meer in de uitspraken van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en van 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971), geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

5.2.

Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier gelet op het navolgende niet in geslaagd. Het door eiser overgelegde rapport van Artsen zonder Grenzen geeft geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan de situatie die reeds is beoordeeld door de Afdeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in het rapport vermelde problemen die kunnen worden ondervonden bij (de toegang tot) de opvang, niet dusdanig zijn dat deze aan de overdracht aan Italië van Dublinterugkeerders in de weg staan. Uit het door eiser overgelegde nieuwsbericht van de Deutsche Welle blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat Italië weigert uitvoering te geven aan de Dublinverordening, nu dit artikel geen betrekking heeft op Dublinclaimanten maar ziet op een specifieke groep van 177 vluchtelingen die de Italiaanse kustwacht van zee heeft gered.

5.3.

Voor zover eiser van mening is dat Italië zich niet houdt aan Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn), heeft verweerder, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802), terecht overwogen dat eiser zich over eventuele problemen dient te beklagen bij de Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Italië hem niet kunnen of willen helpen. Zo heeft eiser niet geklaagd in Italië noch heeft hij met stukken onderbouwd dat klagen bij de Italiaanse autoriteiten onmogelijk is.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.